Alexander de Grote op weg naar Gaugamela

Munt van Mazaios (Staatliches Münzkabinett, München)

Ik liet u gisteren achter bij de brug die Hefaistion, de beste vriend van Alexander de Grote, over de Eufraat aan het bouwen was, toen aan de overzijde van de rivier het leger arriveerde van Mazaios. Hij was een Babyloniër in Perzische dienst. Alexanders biograaf Arrianus vertelt:

De Macedoniërs hadden nog geen verbinding gemaakt die doorliep tot aan de andere oever, omdat ze vreesden dat de troepen van Mazaios het bruggenhoofd zouden aanvallen. Maar toen Mazaios hoorde dat Alexander zelf in aantocht was, sloeg hij met zijn hele leger op de vlucht. Zodra hij weg was, werden de bruggen doorgetrokken naar de overkant en ging Alexander er met zijn leger overheen.noot Arrianus, Anabasis 4.9.14-15; vert. Simone Mooij.

Een Macedonische nederlaag

Arrianus’ idee dat Mazaios op de vlucht sloeg toen de Macedonische koning naderde, gaat direct of indirect terug op de woorden waarmee Alexander, Parmenion en de andere commandanten de gebeurtenis aan hun soldaten uitlegden. Het zal hen zeker bemoedigd hebben dat het eerste treffen met de vijand tijdens deze operatie was uitgelopen op zo’n gemakkelijk succes.

Lees verder “Alexander de Grote op weg naar Gaugamela”

Vragen rond de jaarwisseling (3)

Reconstructie van het gezicht van Sensaos (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik hier, de volgende zes daar, en hier zijn er nog eens zes.

13. Hoe gradueel ging het klassieke Latijn als voertaal uit West-Europa over in de Romaanse talen?

Voor zover ik weet ligt er een probleem met onze data: we hebben alleen geschreven teksten. Uiteraard bevatten die regelmatig opmerkingen over de spreektaal, maar de schrijftaal kennen we wel beter dan de dagelijkse omgangstaal. Het klassieke Latijn en het klassieke Grieks bleven lang in gebruik omdat dit de talen waren waarmee de elites met elkaar communiceerden. Ze hadden een positie die vergelijkbaar is met het hedendaagse standaard-Arabisch.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (3)”

De Philaeni

De altaren van de Philaeni (Peutingerkaart)

Gaius Sallustius Crispus was een Romeinse politicus die zich als vlootcommandant onderscheidde tijdens Caesars Afrikaanse veldtocht. In de nasleep van die oorlog werd hij gouverneur van wat destijds Africa Nova heette en later Numidia. Wat ik maar zeggen wil: Sallustius kende noordelijk Afrika en kon af en toe weleens wat positieve zeggen over de bewoners. Toen hij later een monografie schreef over De oorlog tegen Jugurtha, nam hij een anekdote op waarin de Karthagers werden gepresenteerd met kwaliteiten die de Romeinen graag bij zichzelf zagen.

Karthago versus Kyrene

Het verhaal begint met een ongedateerd conflict dat de Karthagers zouden hebben gehad met de bewoners van de Griekse stad Kyrene. Die stad ligt in het noordoosten van het huidige Libië, terwijl het Karthaagse gebied zich uitstrekte naar de steden Sabratha, Oea (het huidige Tripoli) en Lepcis Magna. Daartussen ligt langs de Golf van Sirte “een zanderig, eenvormig terrein waar geen rivier of berg als grensmarkering kon dienen”. Ik ben er twee keer doorheen gekomen en geloof me: het gebied is eindeloos saai. Overigens is het minder ongedateerd dan ik net zei, aangezien we weten dat het afbakenen van de invloedssferen aan de orde was in het eerste kwart van de vierde eeuw v.Chr.

Lees verder “De Philaeni”

Veel geschreeuw en weinig wetenschap (2)

Gereconstrueerde wachttoren (Vechten)

[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]

De omgekeerde volgorde

Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.

Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol toegewezen zouden hebben gekregen. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De eerste echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten nu opgezadeld met voldongen feiten.

Lees verder “Veel geschreeuw en weinig wetenschap (2)”

Conjecturen en kritische apparaten

Voorbeeld van een kritisch apparaat

Een paar weken geleden blogde ik op deze plaats over de Lachmannmethode, waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, precies moeten zijn geweest. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daar blijft het werk van filologen echter niet toe beperkt, zoals blijkt uit een voorbeeld dat ik ontleen aan de Anabasis, de biografie die de Grieks-Romeinse auteur Arrianus wijdde aan Alexander de Grote.

Hij meldt dat bij de stad Babylon een kanaal lag en dat heet in de handschriften nu eens Pollakopas en dan weer Pollakottas. Wie met de Lachmannmethode een archetype reconstrueert, komt er niet echt uit. Er zijn niet voldoende handschriften om één variant de voorkeur te geven en het woord is niet Grieks, dus dat helpt ook al niet. De filoloog zal op dit punt een keuze moeten maken. Gelukkig is dat niet moeilijk, want het kanaal is bekend uit kleitabletten en heet daarin Pallukkatu. We mogen aannemen dat Arrianus een correcte vorm heeft gebruikt en dat er twee groepen handschriften zijn ontstaan doordat een kopiist het ongebruikelijke woord verkeerd las. Het verschil tussen π en ττ is immers niet zo heel erg groot en leent zich voor het type schrijffout dat bekendstaat als permutatie. De tekstcriticus zal daarom “Pollakottas” beschouwen als authentiek.

Lees verder “Conjecturen en kritische apparaten”

De Chamaven (2)

De grote rivieren voor het graven van de Gelderse IJssel; in groen de grenzen van de gouw Hamaland.
De grote rivieren voor het graven van de Gelderse IJssel; in groen de grenzen van de gouw Hamaland.

Zoals Tacitus aangeeft, werd het land van de Chamaven – gisteren schreef ik erover dat het benoorden de Rijn moet hebben gelegen, waarschijnlijk in de Achterhoek – gecontroleerd door het Romeinse leger. Het lijkt erop dat de autochtone bevolking niet uitsluitend uit herders bestond, want de opgegraven boerderijen bewijzen dat de boeren oer wonnen en ijzer bewerkten. (Tot eind negentiende eeuw was de Oude IJssel beroemd om zijn ijzerwinning.) Het lijkt erop dat de Germaanse boeren hun kennis van de ijzerbewerking hebben opgedaan bij de Romeinen, die ook hun grootste klanten zullen zijn geweest.

Door de ijzernijverheid bloeide het oostelijk deel van Nederland, vooral in de derde eeuw na Christus. Dit is opmerkelijk, aangezien elders in onze contreien de derde eeuw een crisistijd was. De welvaart van oostelijk Nederland kwam ten einde toen het Romeinse bestuur in het Rijnland aan het begin van de vijfde eeuw ten einde liep en de vraag naar ijzer afnam.

Lees verder “De Chamaven (2)”

Peutingerkaart

Rome op de Peutingerkaart (Österreichische Nationalbibliothek)
Rome op de Peutingerkaart (Österreichische Nationalbibliothek)

Ik moet vijftien of zo zijn geweest toen ik in het voormalige museum Kam in Nijmegen de Peutinger-landkaart voor het eerst zag. Of beter: een mooie oude replica uit 1591. De eindeloos lange kaart fascineerde me: ze toonde het hele Romeinse én Perzische wegennetwerk, zij het met heel vreemde proporties. De noord-zuid-verhoudingen zijn samengeperst tot 33 centimeter, terwijl de kaart een kleine zeven meter lang is.

De kaart, genoemd naar de Augsburgse geleerde die haar ontdekte, Konrad Peutinger, is getekend in de Oudheid en (zoals zoveel antieke teksten) overgeleverd in een middeleeuwse kopie. Ze vormt een sleuteldocument voor het begrip van de antieke geografie. Zo leren we dat 35 kilometer ten westen van Tongeren een plaats moet hebben gelegen die “Pernacum” heette. Daar zijn inderdaad Romeinse resten gevonden, namelijk bij Braives, een naam waarin je met enige goede wil het woord “Pernacum” nog herkent.

Lees verder “Peutingerkaart”

Delahaye en zijn volgelingen (1)

De Romeinse vlootbasis van Velsen (Graham Sumner)

Regelmatig sturen uitgevers me ongevraagd boeken toe met het verzoek ze op deze blog te bespreken. Soms doe ik het wel, soms doe ik het niet: het hangt af van de beschikbare tijd, onderwerp, belangstelling, auteur en die merkwaardige, subjectieve kwaliteit “of d’r een stukje in zit”. Dat ik niet eerder heb geschreven over de boeken van de Studiekring Eerste Millennium, die me meer dan eens zijn toegestuurd, heeft te maken met de eerste factor: tijd. Ik zal ze ook nu niet bespreken, maar er zit wel een stukje in en het is wel zo beleefd althans iets te schrijven als mensen je boeken cadeau doen.

In de tweede helft van de vorige eeuw trok Albert Delahaye (1915-1987) de aandacht met zijn theorie dat de Romeinen nooit, of maar heel kort, in de Lage Landen zouden zijn geweest. Dat dit nu wat merkwaardig klinkt, is omdat wij weet hebben van de archeologische dataexplosie die sindsdien heeft plaatsgevonden. Ook destijds was het idee niet verdedigbaar, maar het bewijsmateriaal was nog niet zo overdonderend rijk als tegenwoordig en Delahaye had zijn bewonderaars. Na zijn dood erkenden die dat de theorie onhoudbaar was, maar ze meenden ook dat er problemen waren met de wetenschappelijke reconstructie van de Romeinse topografie. Onder andere om die te bestuderen, richtten ze de genoemde studiekring op.

Lees verder “Delahaye en zijn volgelingen (1)”

Lugdunum Batavorum

De Latijnse naam van Leiden is Lugdunum Batavorum, “het Lugdunum der Bataven”. Je hoeft geen Latijn te hebben gestudeerd om te weten dat dit onzin is. De stad lag in het grensgebied van twee andere antieke stammen: ten zuiden van de Oude Rijn woonden de Cananefaten, wier hoofdstad lag bij Voorburg, en ten noorden van de Rijn woonden de Kleine Friezen, die als voornaamste centrum een heiligdom hadden in de Velserbroek. Als u dat laatste nog niet wist, hoeft u zich niet te schamen, want de vondsten uit deze antieke cultusplaats zijn nog nauwelijks  gepubliceerd. Waar het me nu om gaat is dat u allang weet dat er geen Bataven woonden in Zuid-Holland. Die woonden immers in het grote rivierengebied. Hun hoofdstad was Nijmegen.

Verzinsel

Lugdunum Batavorum is een verzinsel uit de zestiende eeuw. De mensen in onze contreien hadden ruzie met buitenlandse machten. Eerst vocht Gelre tegen Bourgondië. Later vocht de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tegen de Spaanse koning. Zowel de Geldersen als (later) de Hollandse opstandelingen ontwaarden een parallel tussen hun eigen conflict en de opstand van de Bataven tegen de Romeinen. Op historische landkaarten werd het gebied van de Bataven daarom wat vergroot, zodat het grenzen kreeg die ruwweg leken op die van de Republiek. Zo werd Zuid-Holland met terugwerkende kracht Bataafs.

Lees verder “Lugdunum Batavorum”