Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het laatste deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Draaide zijn broer
Een duivelse loer
Raakte met iedereen verstoord
Zonder geweten, zo goed als vergeten
Met de punt van zijn pen
Zijn velen vermoord
Danste zijn dans op het keizerlijk koord
De armste der armen
Komen nooit aan het woord
***
Een gastbijdrage van onze huisdichter Hans Koonings. Dank je wel Hans!
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het elfde deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Schijnbaar volmaakt
Zeer welbespraakt
Vreugde en lieveling der mensen
Sleurde het heilige der heiligen
In triomf door de stad
Meer kon men niet van hem wensen
Boog niet voor het lot
Die donderse god
Zijn goedheid kende geen grenzen
Gisteren begon de Kinderboekenweek en daarom is hier, speciaal voor mijn vriend S (5½), maar ook voor alle andere kinderen van Nederland en Vlaanderen en Suriname en de Antillen: de blauwbilgorgel. Alle ouders adviseer ik deze mooie column van Aleid Truijens, en voor wie een betaalmuur vindt: laat een kind elke dag een half uur lezen in wat zoon- of dochterlief zelf leuk vindt, en lees uw kind elke dag voor, liefst af en toe ook wat poëzie.
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het tiende deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Meer dan een paar
In het Vierkeizerjaar
We zijn bij de laatste gekomen
Greep de macht
In een daverende slag
De toekomst was aan hem en zijn zonen
Stond aan het roer
Als een gierige boer
Met dank aan de Batavieren en de joden
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het negende deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Meer dan een paar
In het Vierkeizerjaar
We gaan met de derde van start
We konden het weten
Dacht alleen maar aan eten
Alles drukte zwaar op zijn hart
Bestuurde de stad
In voorspoed en smart
De beste keizer die Rome nooit heeft gehad
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het achtste deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Meer dan een paar
In het Vierkeizerjaar
Nummer twee komt nu ter sprake
Met alle hens
Terug naar de grens
Om daar de vrede te bewaken
Verkoos de dood
In hoge nood
Om een eind aan de oorlog te maken
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het zevende deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Meer dan een paar
In het Vierkeizerjaar
We beginnen bij de eerste
Zat hem niet mee
Tegen Vierkeizer nummer twee
Legde het af tegen de machten die heersten
Wie snel wordt vermoord
Komt niet aan het woord
Dit speet onze eerste ten zeerste
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het zesde deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Niets aan de hand
Rome in brand
Geen keizer ooit zo alleen
Uit met de pret
In moeders bed
Zijn hart zo koud als steen
Zelfmoordenaar
Maar wat een kunstenaar
Ging er met hem heen
[Fragment uit een verloren gewaand handschrift van Suetonius, teruggevonden in de abdij van Fulda, vertaald door Marieke Baert. Dit is het vijfde deel van een twaalfdelige reeks over macht en onmacht in Rome. Het eerste deel was hier.]
Hinkelend en pinkelend
Snotterend en stotterend
Joeg de joden uit Rome
Wat lag ten grondslag
Lees je bij Jona op zondag
Een loden kistje vol dromen
Hoe ouder, hoe wijzer
Een geschiedschrijvend keizer
Onze gek is ver gekomen
Reliëf uit Jemen van een vrouw en een man, beide gezeten op een dromedaris, die elkaar ontmoeten bij een bron (Istanbul, Archeologische Musea)
In mijn bijdrage Arabië 650: sterke vrouwen, zwakke mannen behandelde ik een Arabisch gedicht uit ongeveer 650 na Chr., dat liet zien hoe de positie van de vrouw in Centraal-Arabië plotseling heel anders werd gezien dan in de tijd daarvoor. Vijftig jaar later blijkt het poëtische motief “sterke vrouw/zwakke man” alweer verder te zijn ontwikkeld. De vrouw is nu niet alleen sterk, maar ook wreed. Ze laat een wat onbenullige, zelfverliefde man een blauwtje lopen – en hij begrijpt nauwelijks wat hem overkomt.
Ik wil dit laten zien aan de hand van een gedicht van ‘Umar ibn abī Rabī‘a,noot لَيْتَ هِنْدًا أَنْجَزَتْنَا مَا تَعِدْ * وَشَفَتْ أَنْفُسَنَا مِمَّا تَجِدْ
وَاسْتَبَدَّتْ مَرَّةَ وَاحِدَةً * إنَّمَا العَاجِزُ مَنْ لاَ يَسْتَبِدْ
زَعَمُوهَا سَأَلَتْ جَارَاتِنَا * وَتَعَرَّتْ ذَاتَ يَوْمٍ تَبْتَرِدْ
أَكَمَا يَنْعَتُنِي تُبْصِرْنَنِي * عَمْرَكُنَّ اللهَ أَم لاَ يقْتَصِدْ
فَتَضَاحَكْنَ وَقَدْ قُلْنَ لَهَا * حَسَنٌ فِي كُلِّ عَيْنٍ مَنْ تَوَدْ
حَسَدًا حُمِّلْنَه مِنْ أَجْلِهَا * وَقَدِيمًا كَانَ فِي النَّاسِِ الحَسَدْ
غَادَةٌ يَفْتَرُّ عَنْ أَشْنَبِهَا * حِينَ تَجْلُوهُ إَقَاحٍ أَوْ بَرَدْ
وَلَهَا عَيْنَانِ فِي طَرْفَيْهِمَا * حَوَرٌ مِنْهَا وَفِي الجِيدِ غَيَدْ
طَفْلَةٍ بَارِدَةُ القَيْظِ إذَا * مَعْمَعَان الصَيْفِ أَضْحَى يَتَْقِدْ
سُخْنَةُ المَشْتَى لِحَافٌ لِلْفَتَى * تَحْتَ لَيْلٍ حِينَ يَغْشَاهُ الصَّرَدْ
وَلَقَدْ أَذْكُرُ إذْ قُلْتُ لَهَا * وَدُمُوعي فَوْقَ خَدِّي تَطَّرِدْ
قُلْتُ مَنْ أَنْتَ فَقَالَتْ أَنَا مَنْ * شَفَّهُ الوَجْدُ وَأبْلاَهُ الكَمَدْ
نَحْنُ أَهْلَ الخَيْفِ مِنْ أَهْلُ مِنًى * مَا لِمَقْتُولٍ قَتَلْنَاهُ قَوَدْ
قُلْتُ أَهْلاً أَنْتُمُ بُغْيَتُنَا * فَتَسَمَّيْنَ فَقَالَتْ أَنَا هِنْدْ
إنَّمَا خُبِّلَ قَلْبِي فَاحْتَوَى * صَعْدَةً فِي سَابِرِيٍّ تَطَّرِدْ
إنَّمَا أَهْلُكَ جِيرَانٌ لَنَا * إنَّمَا نَحْنُ وَهُمْ شَيْءٌ أَحَدْ
حَدَّثُونِي أَنَّهَا لِي نَفَثَتْ * عُقَدًا يَا حَبَّذَا تِلْكَ العُقَدْ
كُلَّمَا قُلْتُ مَتَى مِيعَادُنَا * ضَحِكَتْ هِنْدٌ وَقَالَتْ بَعْدَ غَدْ die omstreeks 700 leefde in Mekka. Hij behoorde tot een voorname familie uit de stam Quraysh. In Mekka boomde in die tijd het pelgrimswezen. Na jaren van burgeroorlog, waarin de stad afgesneden was geweest van Syrië, toenmaals het centrum van het Kalifaat van Damascus, was nu de eenheid hersteld en sjokten de karavanen uit Damascus af en aan.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.