Brand in Rome

Nero (Glyptothek, Munchen)

Vandaag 1955 jaar geleden, dus op 19 juli 64, werd Rome getroffen door een ramp. Hieronder een deel van de beschrijving uit de Annalen (13.38-42) van de Romeinse auteur Tacitus, in de iets aangepaste vertaling van Marinus Wes.

Vergeleken met alles wat zich eerder in de stad had voorgedaan op het punt van verwoestende branden, was dit de ernstigste en de meest verschrikkelijke. De brand begon in dat gedeelte van het Circus Maximus dat grenst aan de heuvels Palatijn en de Caelius. In de winkeltjes daar bevond zich koopwaar die gemakkelijk vlam kon vatten. Het vuur greep meteen krachtig om zich heen en maakte zich als gevolg van de wind snel meester van de lange kant van de renbaan. Er waren daar namelijk geen huizen die beschermd werden door brandmuren of door muren omsloten tempelcomplexen of andere voorzieningen die het vuur tot staan hadden kunnen brengen.

Brand in het circus dus. Interessant detail: de plek waar de brand uitbrak, was tegenover een van de Joodse wijken in Rome. Later zou de joodse sekte der christenen de schuld van de brand krijgen en toen de Romeinen later Jeruzalem hadden verwoest, verrees de triomfboog precies op de plek waar de brand was uitgebroken.

De brand was inderdaad afschuwelijk. Het vuur trok door de dalen tussen de heuvels van Rome, waar smalle straten en houten huizen als het ware klaar stonden om het vuur te geleiden. De vlammen beklommen de heuveltoppen, verwoestten daar de villa’s van de rijken, en daalden weer af naar de lagere delen van de stad. Het ging allemaal zo snel dat er menselijkerwijs niets tegen viel te doen.

Voorts het gejammer van vrouwen in paniek, ouden van dagen die slecht ter been waren, of kleine kinderen. Mensen die voor zichzelf een veilig heenkomen zochten, anderen die minder sterken in veiligheid probeerden te brengen door hen mee te sleuren of op hen te wachten, sommigen aarzelden, anderen wisten niet hoe snel ze zich moesten haasten, iedereen liep iedereen in de weg. Vaak gebeurde het dat mensen, terwijl ze achterom keken, van opzij of van voren door het vuur werden ingesloten, of dat ze, als ze waren ontkomen naar aangrenzende wijken, merkten dat ook die een prooi waren geworden van de vlammen.

Tacitus vertelt dat de mensen vluchtten naar het platteland, waar sommigen van de honger omkwamen. Dit lijkt mij eerlijk gezegd wat onwaarschijnlijk, al zullen er zeker doden zijn gevallen en zullen de overlevenden zeker honger hebben geleden.

Niemand waagde het het vuur te bestrijden, omdat tal van figuren hen voortdurend bedreigden en tegenhielden en anderen openlijk brandende fakkels wierpen en liepen te schreeuwen dat ze dat in opdracht deden, hetzij om op die manier meer naar hartenlust te kunnen plunderen, hetzij omdat het werkelijk zo was.

Dit klinkt als een van de geruchten die bij elke ramp circuleren. Na de Bijlmerramp in Amsterdam waren er bijvoorbeeld verhalen over “mannen in witte pakken” en na de aanslag op de Twin Towers waren er mensen – ze zijn er helaas nog steeds – die meenden dat dit niet het werk kon zijn van terroristen.

Terwijl Rome brandde, deed de keizer wat de keizer behoorde doen, al kan Tacitus het niet laten het zó te vertellen dat Nero er slecht van afkomt. De heerser, zo schrijft Tacitus, was in Antium en zou pas naar de stad zijn teruggekeerd toen zijn paleis door de vlammen werd bedreigd. De suggestie is dat Nero pas in actie kwam toen zijn eigen huis gevaar liep, maar het is moeilijk te zien hoe hij, komend vanuit het zestig kilometer verderop gelegen Anzio, eerder ter plekke zou hebben kunnen zijn. Toch kan Tacitus niet verbergen dat Nero goede dingen deed:

Om iets voor de uit haar huizen verjaagde en dakloze bevolking te doen stelde Nero het Marsveld en de gebouwen die Agrippa had nagelaten ter beschikking, en zelfs zijn eigen tuinen, en hij liet noodwoningen oprichten om de berooide massa op te vangen. Er werden levensmiddelen aangevoerd uit Ostia en de naburige steden, en de graanprijs werd verlaagd tot minder dan drie sestertiën. Hoezeer deze maatregelen ook bedoeld waren om de volksgunst te winnen, het effect was nihil, aangezien overal het gerucht ging dat hij precies op het moment waarop de stad in brand stond, in zijn eigen huis op het toneel was verschenen en door in een lied de ondergang van Troje te bezingen, de rampspoed van het heden op één lijn had gesteld met die van lang geleden.

Pas op de zesde dag werd de brand aan de voet van de Esquilinus een halt toegeroepen doordat men over een enorme afstand de gebouwen daar had neergehaald, zodat het voortwoekerende geweld van de vlammen zich door het lege terrein, waar zich als het ware niets meer tegen de horizon aftekende, niet verder kon verspreiden. Maar bij het volk was de angst nog niet geweken en de hoop was nog niet teruggekeerd. En inderdaad greep het vuur opnieuw om zich heen, dit keer in een gebied waar de huizen minder dicht op elkaar stonden. Daardoor was het verlies aan mensenlevens minder groot: nu waren het meer tempels en zuilengangen met een recreatieve functie die over een grote afstand verwoest werden. Deze brand verwekte nog meer schandaal, omdat hij was uitgebroken op grondgebied van Tigellinus [Nero’s rechterhand] en men de indruk had dat Nero de ambitie koesterde om een geheel nieuwe stad te stichten en die naar zichzelf te vernoemen.

Die verdenking was niet helemaal uit de lucht gegrepen, want Nero had inderdaad bouwplannen. Het kan ook zijn dat Tacitus dénkt dat mensen een bepaalde indruk over de keizer hadden omdat het later werkelijk gebeurde.

Nero maakte zich de verwoesting van zijn vaderstad ten nutte en bouwde een paleis dat niet zozeer bewondering afdwong door zijn edelstenen en goud – dat was allang gewoon en in een tijd van algehele overdaad iets dat in brede kring ingang had gevonden – als wel door de groenvoorzieningen en de vijvers: aan de ene kant bospartijen die eenzaamheid moesten suggereren, aan de andere kant uitgestrekte open ruimtes met vergezichten. Planning en uitvoering van het project berustten bij Severus en Celer: zij hadden het vernuft en de vermetelheid om met menselijke middelen iets te verwezenlijken dat de natuur onmogelijk had gemaakt, en om de middelen van de vorst er op een roekeloze manier door te jagen.

[Later meer]

18 gedachtes over “Brand in Rome

  1. Manfred

    “bospartijen die eenzaamheid moesten suggereren”

    Was dat in die tijd een gangbaar literair motief?

    1. Ja, dat gaat terug op de hellenistische tijd: de lieflijke natuur waar je kon mijmeren en denken. Het leidt ook tot clichématige beschrijvingen van het ravijn bij Tempe en zo, dat door beschrijverts die er nooit zijn geweest wordt vervriendelijkt tot een lieflijke vallei (wat het bepaald niet is).

        1. Vind ik moeilijk te beantwoorden (zoals alle goede vragen). Ik heb de indruk dat er een zekere sensitiviteit groeit voor het idyllische buitenleven maar vraag me geen kengetallen.

        2. Willem van Bentum

          Wanneer er zulke enorme steden ontstaan als Alexandrië, Antiochië en later Rome, ontstaat blijkbaar ook deze behoefte om zich terug te trekken in de natuur en de eenzaamheid. Theocritus begint met zijn idyllische poëzie uitgerekend aan de vorstenhoven van Syracuse en Alexandrië.

  2. vgent

    Wat is je bron voor 19 juli als de dag waarop de Grote Brand van Rome uitbrak in 64 n.Chr.? De meest gedetailleerde bronnen hierover (Tacitus, Suetonius, Cassius Dio) geven voor zover mij bekend hiervoor geen specifieke datum. Tacitus schrijft wel elders (Hist. II 91) dat van oudsher (althans in the Romeinse traditie) 18 juli bekendstond als een ongeluksdag (slag bij Cremera, slag bij Allia). In de antieke astro-meteorologische traditie werd de hierop volgende dag (19 juli) trouwens aangemerkt als de dag waarop de heliakische opkomst van de Sirius, de Hondsster, plaatsvond hetgeen de voorbode van de hondsdagen was.

    1. vgent

      Toch een bron voor de datum gevonden: Tacitus, Annalen, XV 41.2 – ik had eerder niet goed gelezen.

      1. Jeff

        Tacitus plaatst zelf wel een kanttekening bij deze datum.

        “Fuere qui adnotarent XIIII Kal. Sextiles principium incendii huius ortum, quo et Seneones captam urbem inflammaverint. Alii eo usque cura progressi sunt, ut totidem annos, mensesque et dies inter utraque incendia numerent.”

        In de vertaling van Ben Bijnsdorp:
        “Sommigen tekenden hierbij aan dat deze brand op 19 juli begonnen was, op welke datum ook de Seneonen de stad in brand staken na haar ingenomen te hebben. Anderen zijn in hun fanatisme zo ver gegaan dat zij een even groot aantal jaren, maanden en dagen tussen de twee branden telden.”

        1. vgent

          Georg Friedrich Grotefend (1775-1853), beter bekend als een der eerste oudheidkundigen die het spijkerschift ontcijferden, stelde als oplossing voor: “418 jaren, 418 maanden en 418 dagen”, ofwel 454 jaren minus acht dagen (Rheinisches Museum für Philologie, Neue Folge, 3. Jahrg. (1845), pp. 152-153).

          1. Jeff

            Hmmm, lekker die Gotische letter. Leest zo lekker gemakkelijk ;).
            (Al weet ik nog goed dat mijn allereerste Duitse boekje dat ik op de middelbare school moest lezen ook in Gotisch schrift was.)
            Ik heb Grotefend een paar keer gelezen, maar ik zie nog niet in wat hiervan evt. de consequenties zijn voor die datum 19 juli.
            Voor de brandstichting door de Senonen is m.i. niet een exacte datum te bepalen. Waarschijnlijk wel voor de Slag aan de Allia die er aan voorafging, ook op een 19e juli.
            Er blijft dan speelruimte tussen die sla en die brand en speelruimte omdat van de brand tijdens Nero bekend is dat die meerdere dagen (9?) duurde.
            Zie ik het zo goed?

            1. vgent

              Zo interpreteer ik Grotefends woorden ook. Het klopt natuurlijk niet precies en het gaat ook uit van de veronderstelling dat het Romeins jaar altijd 365 (en soms 366) dagen telde hetgeen ook niet juist is. Ik vindt het opmerkelijk dat Tacitus nog steeds de maandnaam Sextilis gebruikt i.p.v. van Augustus. Ik heb niet verder gecontrolleerd of hij dat alleen hier doet of ook elders in zijn overgeleverde werken.

              1. Jeff

                Oké, dan hebben we Grotefend dus waarschijnlijk beiden goed begrepen ;).

                Die 18e juli uit Hist. II 91 staat als “xv kalendas Augustas”, dus hier niet Sextilis. Inderdaad vreemd dat hij dat in Ann. XV 41.2 wel doet.

  3. Jeroen

    Ik heb al die samenzweringstheorieën ook altijd als een soort psychische veiligheidsgordel gezien.
    Neem de moord op Kennedy: de mafia, Castro, de regering…zo’n beetje iedereen zat volgens sommigen in het complot.
    De politie? Deel van t complot…..de onderzoekers? Deel van het complot…. De pers, toeschouwers in Dallas en Oswald zelf? Deel van het complot…

    Het lijkt angstaanjagend, maar geeft dus ook juist een gevoel van veiligheid. Het verhult de veel angstaanjagender waarheid; dat elke gek…met de juiste motivatie…en relatief weinig moeite…op elk moment van de dag zo’n aanslag kan plegen, en onze veiligheid en dat van onze samenleving in feite flinterdun en uiterst kwetsbaar is…

  4. Geert

    “Interessant detail: de plek waar de brand uitbrak, was tegenover een van de Joodse wijken in Rome. ”

    Welke wijk was dit precies, Jona? Naar mijn weet bevatte Rome niet echt “Joodse wijken” of “allochtonenwijken” in het algemeen (zie Tacoma, Migrant Quarters at Rome). Ik ben oprecht benieuwd!

    1. De buurt bij de Porta Capena gold als Joods. Ik meen dat Juvenalis erover schrijft maar ik ben net in mijn retraite aangekomen om te werken en heb heerlijk geen boeken bij de hand.

Reacties zijn gesloten.