Generalisme en specialisme

Ergens eind jaren tachtig woonde ik een vergadering bij over de problemen van een universitaire studierichting. Omdat die problemen complex waren, zat ik als student zomaar te praten met vier of vijf hoogleraren. Wat me opviel, was hun beperkte opvatting van wat ze hoorden te weten.

Omdat de voorzitter er nog niet was, spraken we over koetjes en kalfjes, zoals de bespreking die Hugo Brandt Corstius de week ervoor had gepubliceerd van de Warren/Molengraaf-vertaling van Plato’s Theaitetos. De recensent had erop gewezen dat de twee classici niet waren opgewassen tegen de technische moeilijkheid van de stof; ze hadden bijvoorbeeld niet begrepen wat de inzet was van een wiskundebewijs. (Plato laat in de Theaitetos iemand uitleggen dat getallen als √2 en √3 incommensurabel zijn met onze normale getallen.) De vier hoogleraren waren van het verwijt niet onder de indruk, terwijl de studenten zich herinnerden dat het bewijs brugklasstof is.

Wat mij vooral is bijgebleven, is dat de vier professoren hun onwetendheid ook niet erg vonden. Ze waren nu eenmaal alfa’s.

Psychologen hebben echter nooit bewijs gevonden voor de veronderstelde twee persoonlijkheidstypen, de talige alfa en de meer natuurwetenschappelijke bêta. Er is wél bewijs dat er mensen bestaan met aanleg voor het beantwoorden van gesloten vragen (classici en wiskundigen vallen in deze categorie) en het beantwoorden van open vragen (historici en psychologen vallen in deze categorie). Beperkingen als alfa en bêta zijn alleen maar aangeleerd en hebben geen empirische basis; Rudy Kousbroek sprak van “kunstmatige domheid“. Daarom is op middelbare scholen de oude indeling tussen vwo-a en vwo-b vervangen door vier doorstroomprofielen. Dat is ook niet optimaal, maar het bouwt in elk geval niet voort op oude frenologische inzichten over talen- en rekenknobbels.

Over deze materie is nog veel meer te vertellen, en misschien doe ik dat ook nog wel eens. Het gaat me nu namelijk niet om alfa’s en bêta’s, wat maar één soort beperking is, maar om de vanzelfsprekendheid waarmee men in het algemeen postuleerde dat men niet alles hoefde te weten. Ik claim beslist niet dat ik wél alles weet, maar ik ervaar het gebrek aan ambitie als verraad aan het ideaal van de uomo universale, aan de Bildung, aan de algemene ontwikkeling. Van academici verwacht ik meer.

Dit is een structuurfout van de universiteit. Geleerden worden afgerekend op het aantal artikelen dat ze produceren. Daaraan kunnen ze alleen voldoen door zich te concentreren op een klein onderwerp. Algemene ontwikkeling is daarbij een obstakel. De classicus die tevens iets weet van de sociale wetenschappen, zal herkennen dat een deel van de axioma’s van zijn vakgebied onderuit zijn gehaald en komt niet toe aan de van hem verlangde artikelenproductie.

Het zou allemaal niet erg zijn als de betrokkenen zich beperkten tot academische artikelen. Die zijn namelijk vaak best goed. Schade wordt echter onvermijdelijk als iemand voor het grote publiek de Atheense en moderne democratie contrasteert of continuïteiten van de Oudheid tot op heden beschrijft. Contrastering en continuïteit over ruim twintig eeuwen zijn echter geproblematiseerd vanuit de sociale wetenschappen, en elke eerstejaarsstudent geschiedenis, antropologie of sociologie kan het probleem herkennen. Daarom is het erg dat we niet alles kunnen weten. We moeten blijven zoeken en mogen niet berusten.

Ik weet het, al veertig jaar roept men op tot interdisciplinariteit. Dat is al even lang een wassen neus. Toch zijn nog steeds niet alle begaanbare wegen beproefd.

Ten eerste: kunnen we niet eens afspreken dat de commissies die geld onder onderzoekers verdelen, voor de helft bestaan uit generalisten, zodat er geen geld meer vloeit naar onderzoek dat is gebaseerd op aannames die door andere disciplines zijn geproblematiseerd?

Ten tweede: kunnen we niet afspreken dat iemand met een doctorandus- of mastertitel op elk moment kan worden aangesproken op beheersing van het volledige Cultureel woordenboek? Om Kousbroek nogmaals aan te halen: wie niet weet hoe de tweede hoofdwet van de thermodynamica luidt, behoort niet te werken aan een letterenfaculteit. Ik voeg daaraan toe dat wie het Plakkaat van Verlatinghe niet kan typeren, niet hoort te werken in een laboratorium.

Ik realiseer me het utopische karakter van deze voorstellen, maar je vermijdt er wel mee dat studenten worden geconfronteerd met docenten die niet begrijpen wat Plato wel begreep, die vinden dat ze dat ook niet hoeven te begrijpen maar er desondanks wel college over geven.

19 gedachtes over “Generalisme en specialisme

  1. H.J.Vrielink (docent geschiedenis VO)

    Erg fijn allemaal, maar je gaat nog steeds voorbij aan het bewezen feit dat er mensen zijn (zoals ikzelf) die zeer goed in talen zijn en ook in geschiedenis, maar die absoluut geen verstand hebben van wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Ik snap het niet, zie het niet en mijn hersenen functioneren nu eenmaal niet meer wanneer ik een wiskundige vergelijking moet oplossen.

    Buiten dat is het verschil in Science en de Letteren een zeer groot verschil.

    Ook ga je volledig voorbij aan het feit dat een Beta wetenschapper zijn onderzoek kan BEWIJZEN met onomstotelijke uitkomsten van sommen die logischerwijs niet anders geïnterpreteerd kunnen worden, tenzij je met zijn allen zou definiëren dat als 3 de eenheid 1 zou vertegenwoordigen 3 + 3 als uitkomst 2 zou geven, terwijl in de geesteswetenschappen, en zeker in Geschiedenis en de Oudheidkunde, alleen maar een interpretatie kan worden gegeven van een historisch feit, en dan alleen nog maar door bronnen te bestuderen die in zichzelf al aan vele problemen onderhavig zijn, en als je het combineert met archeologische bewijsvoering (feiten in de grond om het maar even zo te noemen) je hooguit uitkomt bij wederom een interpretatie die met geen enkele wiskundige som of logica 100% te bewijzen valt.

    De onderverdeling Beta en Alfa, waar je zo tegen lijjt te zijn, was helemaal zo slecht nog niet. Ik zie in mijn werk dagelijks kinderen falen die nu eenmaal de “wiskundeknobbel” niet hebben, en daardoor op één vak hun examen verknallen, zeker nu de nieuwe regels uit het ministerie zijn ingevoerd. Wat velen niet schijnen te beseffen isdat de VO raad en het Ministerie hebben afgesproken dat in 2013 maar zeker in 2016, 55% van de leerlingen een Beta pakket MOET !!!! kiezen, ongeacht of ze daar nu talent voor hebben of niet.

    Beter zou het zijn wanneer Universiteiten zowel als middelbare scholen eens zouden kijken naar de echte kwaliteit en het talent van de individuele leerling of student, in plaats van aan een generiek plaatje te beantwoorden dat geeïst wordt door die of gene. Wat dat betreft was de antieke manier van scholing zo slecht nog niet. Heerlijk wandelen met je leerlingen in een olijfgaard, onderwijl keuvelend over strategie, filosofie en af en toe een sommetje wiskunde er tussendoor….

    Nee, de oudheid was zo slecht nog niet.

    1. Henk-Jan, lees nou even rustig.

      Ik ga niet `volledig voorbij´ aan het onderscheid tussen open en gesloten vragen. Ik zeg keurig netjes dat het onderscheid bestaat. Ik beweer ook niet dat aanleg niet oneven is verdeeld. Er zijn mensen die zich beter thuis voelen bij een of meerdere vakgebieden.

      Wat ik wel beweer is dat het (a) het onderscheid alfa-beta te gemakkelijk is en dat het methodenpluralisme uitsluit dat we het herintroduceren als het onderscheid positivisme-hermeneuse, en (b) dat academici niet mogen berusten in beperkingen (alfa-beta, maar ook anders).

    2. MNb

      Men hoeft niet in staat te zijn om wiskundige vergelijkingen op te lossen om de betekenis van de thermodynamische wetten te begrijpen.

      http://en.wikipedia.org/wiki/Thermodynamics

      Hier komt vrijwel geen wiskunde in voor.

      “feit dat een Beta wetenschapper zijn onderzoek kan BEWIJZEN met onomstotelijke uitkomsten”
      Nee hoor. Van elke som is de uitkomst net zo valide als de vooronderstellingen waarop die som is gebaseerd. En die zijn behoorlijk willekeurig; vergelijk de axioma van Euclides.
      Natuurkundigen bewijzen niets meer dan oudheidkundigen. Ik durf wel vol te houden dat de oudheidkundige stelling “Caesar heeft de Aduatici bij Thuin verslagen” – zie 1 juni op dit blog – een grotere mate van zekerheid heeft dan pakweg de gravitatiewetten van Newton.

  2. H.J.Vrielink (docent geschiedenis VO)

    Berusten in beperkingen hoeft ook niet, maar onthoudt wel dat ook academici zich niet in alle takken van sport kunnen specialiseren.
    Is het niet veel belangrijker om eerst de onderlinge communicatie tussen de verschillende vakgebieden te stroomlijnen en te verbeteren voordat we proberen om vanuit het onderwijs een Omni-oplossing te vinden ?

    1. Is het niet veel belangrijker om eerst de onderlinge communicatie tussen de verschillende vakgebieden te stroomlijnen

      Dat zou wel fijn zijn, maar elke poging daartoe is de afgelopen dertig jaar een wassen neus gebleken. Denk aan de astronomen, die elk jaar met kerstmis weer oreren over de ster van Betlehem, en vervallen tot een bijbels literalisme waarvoor iedere evangelische christen zich heel diep zou schamen. Astronomen willen gewoon niet weten dat het werk over tekstuitleg dat classici doen, ook voor hen belangrijk is.

      Omgekeerd zien we classici die het hardnekkig verdommen om in te gaan op de kritiek van de sociale wetenschappen. Oudhistorici willen nog wel eens een modelletje lenen, maar men blijft de elementairste principes over de vergelijkbaarheid van samenlevingen negeren.

      Ik weet de oplossing ook niet. Misschien is die er ook wel niet. Maar wat ik onaanvaardbaar vind, is dat men ook niet meer streeft naar het ideaal van algemene ontwikkeling.

  3. CK

    Volgens mij had Kousbroek het over de eerste hoofdwet. Niet dat het er veel toe doet. Een ontwikkeld mens kent ze allebei.

  4. MNb

    “wie niet weet hoe de tweede hoofdwet van de thermodynamica luidt, behoort niet te werken aan een letterenfaculteit. Ik voeg daaraan toe dat wie het Plakkaat van Verlatinghe niet kan typeren, niet hoort te werken in een laboratorium.”
    Tegenwoordig is het nog een greintje erger, dankzij Wikipedia. Daar kun je die dingen namelijk gewoon opzoeken. Dat voorkomt niet élke fout, maar toch meer dan mens soms aanneemt.
    Als leraar wis- en natuurkunde heb ik een beta-opleiding gevolgd. Maar toch, voor ik iets beweer of entropie, zoek ik even op hoe dat ding ook al weer precies in elkaar zat. Gewoon voor de zekerheid.

  5. Wat ik altijd zo mis is dat ‘beta’ figuren de ontdekkingen en theorieën van hun grote voorbeelden en meesters in hun context plaatsen. Ik weet het; daar hebben ze historici voor nodig. Zo hebben kunsthistorici een paar eeuwen alleen naar de plaatjes gekeken en fabels als die van Van Mander en Vasari klakkeloos overgenomen tot een paar slimme collega’s eens doop-, trouw- en begraafregisters, notariele en rechterlijke archieven gingen doorwerken en aan de weet kwamen wat voor mensen al die Gouden Eeuwse schilders nu eigenlijk echt waren. Maar ook historici zelf hadden (en hebben nog) boter op hun hoofd, want die geloofden en geloven nog steeds wat er in kronieken en brieven stond, tot ze uit de droom werden geholpen door sociaal en economisch historici, archeologen en de nodige levende geschiedenis spelers die aan den lijve ondervonden hoe het is om bijv. in middeleeuwse huizen te leven. Persoonlijk geloof ik niet dat het over het algeneen erg nuttig is om de kennis over de thermodynamische wetten te beheersen, maar als ik de industriële revolutie zou bestuderen zou ik wel wat van de invloed die ze hadden op het efficiënter maken van stoommachines willen weten. Alles in context dus. Maar ik ben het met Jona eens dat het bijzonder nuttig is als verschillende academische disciplines eens meer over elkaar te weten zouden komen. Openheid naar buiten is belangrijk: geen achterkamers en ivoren torens meer, maar een voor allen toegankelijk netwerk.

    1. Of het er slecht uitziet voor jou, beste Marco, laat ik in het midden. Je kunt er in elk geval niets aan doen dat het onderwijs naar de gallemiezen is geholpen. En hoewel ik niet meteen zie hoe jouw werk eronder lijdt, zijn er legio voorbeelden van onderzoek dat beter zou zijn verricht als de onderzoekers meer begrip van andere vakterreinen zouden hebben gehad…

  6. Hi Jona,

    hoewel ik volledig je drang naar Bildung deel, geloof ik niet dat er iets als een ‘cultureel woordenboek’ gedefineerd kan worden. Bij Bildung hoort ook de vrijheid van het kiezen van het eigen ontwikelingspad. Het is niet erg dat je niet alles kunt weten, zolang je maar je beperkingen kent.

    Dat neemt niet weg dat de scheiding tussen alfa, gamma, en beta in mijn ervaring volledig de plank mist waar het bijvoorbeeld ontwikkeling van nieuwe technologie betreft.

    Als je mij een voorbeeld toestaat: een paar weken geleden was ik op de ‘vision and robotics’ conferentie. Naast de standaard productielijnrobots was er veel aandacht voor robots die worden ontwikeld voor de zorg. De technologie is indrukwekkend, en de ontwikkelingen gaan erg snel. De case voor zorgrobots is duidelijk: we gaan vergrijzen, en we moeten de kosten van de verzorging in de klauw houden. Met robots die zorgtaken kunnen uitvoeren zou dat kosteneffectief kunnen worden gedaan …. Maar ….
    -Hoe is het voor ouderen als ze door een robot verzorgd worden?
    -Hoe kan een robot cognitieve taken uitvoeren?
    -Wat zegt dat over cognitie?
    -Kan een robot een interactie met de verzorgde aangaan
    -Is er hierbij een culturele context?
    -En zo ja, hoe ga je daarmee om?
    En ik kan nog wel even doorgaan zo. 100-en vragen moeten worden beantwoord door multi-disciplinaire teams om de introductie van deze technologie een kans te geven

    Evenzo vermoed ik dat de de gamma,- en alfawetenschappen steeds meer gebruik zullen gaan maken van de verworvenheden van de exacte wetenschappen: instrumentatie voor opgravingen, 3D tekenprogrammas om hele Romeinse steden te her- constructueren (er is een geweldige programma in Keulen op dat vlak) op grond van opgegraven stukken, artificial intelligence, MRI scanners voor psychologisch onderzoek.

    Dit zijn maar een paar voorbeelden, maar ik ben ervan overtuigd dat de bruggen geslecht gaan worden. De ingenieursstudie zal zich ontwikkelen (of beter nog: ontwikkelt zich) van harde betaopleiding tot een opleiding waarin integratie van mens,- en taalwetenschappen met de traditionele beta disciplines zal vermengen, en ik vermoed dat een zelfde cross-over zal plaatsvinden. Een mooi voorbeeld zou het inzetten van de bifurcatietheorie als verklaringmodel in de geschedenis kunnen zijn (zoals je in een eerdere post al aangaf).

    Het punt wat ik wil maken is het volgende:
    De scheiding tussen alfa, beta, gama is wellicht reeel op het niveau van individuen, die al dan niet de hoofdwetten van de thermodynamica kennen, en wel of niet goed waren in talen of wiskunde. Maar op het niveau van project teams die zinvolle ontwikkelen willen doen, of spannend onderzoek willen forceren lijkt me de scheiding echt ongewenst.

    Ik ga nu opzoeken wat het Plakkaat van Verlatinghe is.

    @Henk ’t Jong. Ik probeer dat te doen. Heb ik Jona al een hele tijd geleden beloofd, maar de tekst wordt iedere keer uitgesteld wegens urgente zaken die echt moeten. Maar het is heerlijk om op een andere manier weer fris naar je eigen vak te kijken.

  7. Mooie reactie, Marco; en ik vind het altijd vererend als iemand de moeite neemt er even voor te gaan zitten. Ik bedoelde overigens niet serieus dat mensen het hele Culturele Woordenboek moeten beheersen; het was toevallig een soort metafoor die me te binnen schoot.

  8. Anytime, Jona. Ik ga ervoor ziten omdat je blog me enorm veel plezier doet!

    PS: Heb in de tussentijd ontdekt wat het Plakkaat van Verlatinghe is. Ik was het niet vergeten, maar heb het echt nooit gehad op de middelbare school. Unie van Utrecht natuurlijk wel.

Reacties zijn gesloten.