Het belang van de Oudheid(kunde)

Een I.D.O.H.Z.O.-tje toont het belang van de Oudheid niet

Wat is het belang van de Oudheid, van de oudheidkunde? Iemand vroeg me onlangs om het nog eens uit te leggen. Een nieuwe vraag is het niet. Toen het Gronings Archeologisch Instituut in 2017 een jubileum vierde, was een van de thema’s “Archeologie, voor wie doen we het ook alweer?” (Ik was een van de sprekers.) In 2019 hield David Fontijn een toespraak over dezelfde vraag. Ik heb het zelf uitgelegd in mijn laatste boek (blz.48-49). Het is opvallend dat de vraag, welbeschouwd eerstejaarsstof, terug blijft keren.

Antwoord 1: De Oudheid is leuk

Eerst het makkelijkste antwoord: inhoudelijk. Oudheidkundigen kunnen dingen vertellen over hoe het vroeger was. Dat is leuk. Ik houd me al veertig jaar met de Oudheid bezig en zie nog elke dag iets verrassends. Dat is waarom musea en parken als Archeon tienduizenden bezoekers hebben en publieksprijzen winnen. Zo simpel.

Lees verder “Het belang van de Oudheid(kunde)”

Articulatiedebat (dank!)

Een niet-gemonetariseerde Palestijnse bruidskroon

Het heeft me, na mijn vraag naar literatuur over het articulatiedebat, vandaag niet aan reacties ontbroken. Dus nu even een even snel als welgemeend “dank u wel”. Dit soort reacties, dat is waarom een blog zo leuk is. Er blijkt behoorlijk wat literatuur te zijn die in elk geval mijn correspondenten relevant achtten.

Zoals ik al aangaf: dit was vooral in de jaren zeventig een discussieonderwerp en de overzichtsliteratuur die ik kreeg, is dan ook wat jonger. Afgezien van wat hieronder in de commentaren staat, kan ik u nu verwijzen naar een interview dat Paul van der Grijp had met de Franse antropoloog Maurice Godelier in het Sociologisch Tijdschrift 11/3 (1984) 473-493, waarin het thema kort aan de orde komt. P. Develtere legt de materie uit in een artikel over ontwikkelingssociologische modellen in het Tijdschrift voor Sociologie 6/3 (1985) 259-293.

Lees verder “Articulatiedebat (dank!)”

Hypothetische geschiedschrijving

Turgot, vertegenwoordiger van de hypothetische geschiedschrijving

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “Hypothetische geschiedschrijving”

Geliefd boek: Ontsporing van geweld

De laatste jaren zijn er veel boeken verschenen over de dekolonisatie van Indonesië. Zie bijvoorbeeld het voortreffelijke Merdeka. De strijd om de Indonesische Onafhankelijkheid van Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze (Zutphen, 2022). De politionele acties (tussen 1947 en 1949) van het Nederlandse leger in Indonesië hebben daarbij terecht veel aandacht gekregen. Die politionele acties met honderdduizend Nederlandse militairen waren in een tijd dat het uitgeputte Nederland enigszins begon te herstellen van het verdriet, de armoede en de materiële schade van de Tweede Wereldoorlog. Net als bij andere Europese koloniale machten, waren de Nederlandse belangen kennelijk te groot om de Nederlands-Indië zo maar op te geven.

Ontsporing van Geweld

Het zal naar aanleiding van de huidige aandacht voor de dekolonisatie van Indonesië zijn dat er een herdruk is verschenen van een boek dat ruim vijftig jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd. J.A.A. van Doorn (1925-2008) en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld. Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict (Rotterdam, 1970). Ik bezit die eerste druk met veel streepjes. Het boek biedt een gedetailleerde beschrijving van die politionele acties. De auteurs waren als militair tijdens de politionele acties ter plekke. Ze hebben goed gekeken en zorgvuldig genoteerd wat er gebeurde. In het boek hebben ze hun ervaringen van toen gecombineerd met in 1970 nieuwe historische kennis en sociologische inzichten. Dat maakt het boek een belangrijke gevalstudie.

Lees verder “Geliefd boek: Ontsporing van geweld”

Geliefd boek: Palaces for the People

“Je wordt toch verliefd op iemand omdat je die leuk vindt,” zei ooit een eerstejaarsstudente tegen mij als docent sociologie. Sociologen zijn meer geïnteresseerd in de vraag waar het van afhangt dat mensen elkaar zullen ontmoeten. Mijn tegenvraag was dan ook naar welke cafés of disco’s ze ging, en waarom. De mogelijkheid dat mensen op elkaar verliefd worden is immers ingeperkt door de sociale en fysieke omgeving waarin ze verkeren. Dat was al het uitgangspunt van mijn favoriete stadssociologie uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, de zogenaamde Chicago School:

It has focused on human behaviour as shaped by social structures and physical environmental factors, rather than genetic and personal characteristics. As applied to humans who are considered responsible for their own destinies, members of the school believed that the natural environment, which the community inhabits, is a major factor in shaping human behaviour, and that the city functions as a microcosm.

Lees verder “Geliefd boek: Palaces for the People”

Hypothetische geschiedschrijving

Een van de vertegenwoordigers van de hypothetische geschiedschrijving was Condorcet (Parijs)

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “Hypothetische geschiedschrijving”

Structuur en cultuur

Dit plaatje heeft niks met het vervolg te maken maar ik vond deze gevelsteen van de Vier Heemskinderen, op de hoek van de Herengracht/Leidsegracht in Amsterdam, gewoon leuk.

Zo rond 1970, zo heb ik ooit eens ergens gelezen, inventariseerde een cultureel antropoloog – misschien was het Roy Rappaport wel – de definities die bestaan van het woord “cultuur”. Als ik me goed herinner, vond hij er zeshonderd of zesduizend. Ik houd het er, in de voetstappen van Edward Burnett Tylor, even op dat het gaat om het complexe geheel van kennis, geloof, kunst, waarden, wetten, gewoontes en andere zaken die mensen verwerven als lid van een samenleving. Echt belangrijk is de definitie nu niet. Waar het mij om gaat is hoe je zo’n geheel zó conceptualiseert dat je er zinvolle uitspraken over kunt doen.

Ik snijd dit onderwerp aan omdat ik in de reacties op mijn eerdere stukje over het belang van de Oudheid voor ons nogal wat reacties kreeg waarvan de strekking was dat we X, Y of Z toch hadden van de Grieken, Romeinen of Joden – hoe kon ik daar nu blind voor zijn? En inderdaad, er valt een lijstje te maken van dingen die we hebben te danken aan de ouden (“but apart from the sanitation, the medicine, education, wine, public order, irrigation, roads, a fresh water system, and public health, what have the Romans ever done for us?” in de legendarische formulering van Monty Python). Die lijst is lang. En zegt weinig.

Lees verder “Structuur en cultuur”

De beslissendheid van Marathon

Max Weber

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door cavalerie had opgegeven, versloegen. De overwinning werd nog eeuwenlang door de Atheners herdacht, en niet zonder reden, want de Atheners hadden gestreden tegen een dubbele overmacht.

In de negentiende eeuw werd de veldslag de inzet van een rare discussie. Op de achtergrond speelde het beruchte sjabloon van aan de ene kant de despotische, wrede, mystieke oosterling tegenover de vrijheidslievende, menselijke en rationele Griek. De gedachte was dat de Perzische Oorlogen meer dan zomaar een militair conflict waren geweest: twee culturen hadden tegenover elkaar gestaan. Als de Grieken zouden hebben verloren, zo werd geredeneerd, zou Xerxes de democratie van de Atheners hebben vervangen door een intolerante tirannie, waardoor de democratie, de filosofie en de vrijheid in de kiem zouden zij gesmoord. Marathon, zo was de aanname, zou de Grieken tot inspiratie hebben gediend: de zege had getoond dat verzet tegen de Perzen zinvol was. Omdat men in de negentiende eeuw ook meende dat de Griekse cultuur de bakermat vormde van de latere, Europese cultuur, kon gelden dat Europa in Marathon was geboren. In de woorden van de Britse filosoof John Stuart Mill:

The Battle of Marathon, even as an event in English history, is more important than the Battle of Hastings.

Lees verder “De beslissendheid van Marathon”

Het belang van de klassieken

oud_maar_niet_out

De klassieken zijn niet meer wat ze zijn geweest. Ooit beschouwden Europese intellectuelen de auteurs uit de Oudheid als onfeilbaar, maar Renaissancegeleerden ontdekten dat antieke teksten veel onjuiste informatie bevatten en in de zeventiende eeuw groeide het inzicht dat natuurkundigen dankzij systematisch experimenteren meer wisten dan hun antieke voorgangers. Dit liet onverlet dat kunstenaars, filosofen en veel wetenschappers de klassieken bleven beschouwen als unieke inspiratiebron.

Na 1800 veranderde ook dat. De antieke norm dat kunst de natuur moet volgen, kreeg gezelschap van het idee dat kunstenaars totaal nieuwe beelden konden scheppen. Bovendien werden andere inspiratiebronnen aangeboord: schilders keken naar Japan, dichters naar Perzië, filosofen naar India.

Lees verder “Het belang van de klassieken”

Generalisme en specialisme

Ergens eind jaren tachtig woonde ik een vergadering bij over de problemen van een universitaire studierichting. Omdat die problemen complex waren, zat ik als student zomaar te praten met vier of vijf hoogleraren. Wat me opviel, was hun beperkte opvatting van wat ze hoorden te weten.

Omdat de voorzitter er nog niet was, spraken we over koetjes en kalfjes, zoals de bespreking die Hugo Brandt Corstius de week ervoor had gepubliceerd van de Warren/Molengraaf-vertaling van Plato’s Theaitetos. De recensent had erop gewezen dat de twee classici niet waren opgewassen tegen de technische moeilijkheid van de stof; ze hadden bijvoorbeeld niet begrepen wat de inzet was van een wiskundebewijs. (Plato laat in de Theaitetos iemand uitleggen dat getallen als √3 en √5 incommensurabel zijn met onze normale getallen.) De vier hoogleraren waren van het verwijt niet onder de indruk, terwijl de studenten zich herinnerden dat het bewijs brugklasstof is.

Lees verder “Generalisme en specialisme”