Meer godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ

Voor Ǧibrīl ibn Nūḥ was de bij, dom als die was, een godsbewijs

[Dit is het derde blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Het eerste was hier en Wims eigen blog is daar.]

Vijf soorten godsbewijs

Zulke godsbewijzen zijn door de hele natuur te vinden. Ǧibrīl ibn Nūḥ brengt ze onder in vijf rubrieken:

  • het Universum,
  • de Aarde,
  • Planten,
  • Dieren,
  • de Mens.

Daarbinnen zijn pogingen tot systematiek of volledigheid ver te zoeken.

Lees verder “Meer godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ”

Woede op zoek naar een aanleiding

Een kennis die ik al maanden niet in het echt heb gezien, gaf onlangs op de sociale media aan blij te zijn weer naar kantoor te kunnen en collega’s te kunnen zien. Eindelijk was er voor hem uitzicht.

Ik dacht: “heb je soms het empathische vermogen van een pinda?” En ik dacht ook: “je bent al die tijd doorbetaald, je kon je werk blijven doen, je hebt geen inkomen hoeven inleveren – was het nu teveel gevraagd je blijdschap iets te temperen, rekening te houden met de mensen die niet zijn gevaccineerd, te denken aan degenen die de klappen hebben opgevangen?” Ik werd onredelijk kwaad.

Lees verder “Woede op zoek naar een aanleiding”

Vergaderleed

Toen ik een kennis vertelde dat ik Vergaderen? Niet doen! van Ellen de Bruin aan het lezen was, vertelde hij me dat hij kort daarvoor op een kantoor was geweest waar de afdelingshoofden hadden besloten dit boekje te lezen en er vervolgens, met enige hilariteit, over waren gaan vergaderen. Het illustreert een reflex die we allemaal hebben: bij het minste of geringste overleggen we. Misschien heeft het te maken met een ingebakken Hollandse verslaving aan consensus, maar er zijn ook praktische verklaringen: voor het management is een vergadering dé manier om draagvlak te scheppen. Geef het personeel een stem en het voert een besluit makkelijker uit.

Daar staan serieuze nadelen tegenover. Die zijn helaas maar al te herkenbaar, zelfs voor iemand die, zoals ik, nauwelijks ervaringsdeskundig is: ook al heb ik slechts vier jaar gewerkt aan de Vrije Universiteit en als archivaris bij diverse ministeries, ik kende vrij veel van de door De Bruin beschreven situaties. Beslissingen worden bijvoorbeeld voorgekookt doordat degene die de vergadering organiseert – niet per se de baas – niet alle deelnemers dezelfde informatie geeft. Mensen hechten vooral aan hun eigen ideeën en onderschatten het belang van wat anderen zeggen. Brainstorms leveren weinig op – het is beter om in je eentje wat op papier te zetten.

Lees verder “Vergaderleed”

Het afnemend peil der beschaving

Hoax?
Hoax?

Een tijdje geleden circuleerde op de sociale media de bijgevoegde foto van een groep kinderen in het Rijksmuseum. Achter hen de Nachtwacht, maar geen ervan kijkt ernaar: ze zijn meer geïnteresseerd in hun smartphone. Het commentaar was redelijk voorspelbaar: wat erg toch, zoveel moois en dan niet kijken, jeugd van tegenwoordig, afnemende belangstelling voor cultuur, ach, wee.

Tja. Die ouwe mensen van tegenwoordig. Komen nooit in een hedendaags museum. Weten niet hoe je daar met een app op je telefoon leuke dingen kunt leren. Eerst krijg je een rondleiding van je leraar, daarna kun je je verder verdiepen met zo’n digitale gids, soms in de vorm van een spelletje. Dubbel rendement van je museumbezoek. Ik heb geen idee hoe de bijgevoegde foto tot stand is gekomen, maar ik zou niet meteen jeremiëren over het afnemend peil der beschaving.

Lees verder “Het afnemend peil der beschaving”

Generalisme en specialisme

Ergens eind jaren tachtig woonde ik een vergadering bij over de problemen van een universitaire studierichting. Omdat die problemen complex waren, zat ik als student zomaar te praten met vier of vijf hoogleraren. Wat me opviel, was hun beperkte opvatting van wat ze hoorden te weten.

Omdat de voorzitter er nog niet was, spraken we over koetjes en kalfjes, zoals de bespreking die Hugo Brandt Corstius de week ervoor had gepubliceerd van de Warren/Molengraaf-vertaling van Plato’s Theaitetos. De recensent had erop gewezen dat de twee classici niet waren opgewassen tegen de technische moeilijkheid van de stof; ze hadden bijvoorbeeld niet begrepen wat de inzet was van een wiskundebewijs. (Plato laat in de Theaitetos iemand uitleggen dat getallen als √3 en √5 incommensurabel zijn met onze normale getallen.) De vier hoogleraren waren van het verwijt niet onder de indruk, terwijl de studenten zich herinnerden dat het bewijs brugklasstof is.

Lees verder “Generalisme en specialisme”

Hoe je archeologie niet moet uitleggen

Wetenschap uitleggen is een vak. Daarbij worden ook wel eens fouten gemaakt. Die zijn vaak niet makkelijk te benoemen, omdat inzicht in het vak zelf nodig is. Het voorbeeld dat ik nu geef is wat triviaal, maar heeft het voordeel dat er geen inhoudelijke kennis voor nodig is.

Om het oude Rome lagen verschillende wegen. De Via Nomentana leidde naar Nomentum, de Via Gabina naar Gabii, de Via Tusculana naar Tusculum, de Via Ardeatina naar Ardea. Je hoeft geen Latijn te kunnen om te begrijpen dat straten werden genoemd naar hun bestemming. Dat geldt ook voor wegen als de Via Portuensis (naar de portus, haven) en de Via Ostiensis (naar de riviermond, ostia). Er zijn ook straten die zijn genoemd naar hun bouwers (de Via Appia bijvoorbeeld), maar er is niet één straat vernoemd naar het landschap waar ze doorheen liep.

Lees verder “Hoe je archeologie niet moet uitleggen”

De klucht van het Nationaal Historisch Museum

Uitleg in het Nationaal Historisch Museum

Waarom de foto hierboven betekent dat het maar goed is dat het Nationaal Historisch Museum verdwijnt, leg ik u zo uit. Maar eerst een simpele vraag. Waarom zou de tweede van de hieronder genoemde onderwijzers moeten worden ontslagen?

  • Een onderwijzer heeft op een schoolreisje een klas van twintig kinderen mee. Als ze in de bus zitten, telt hij er negentien. Bij controle zijn er toch twintig. Gerustgesteld laat hij de chauffeur vertrekken.
  • Nog een onderwijzer, nog een schoolreisje, nog eens twintig kinderen. Deze onderwijzer telt meteen twintig kinderen en laat de buschauffeur vertrekken.

Lees verder “De klucht van het Nationaal Historisch Museum”

Kousbroeks vergeefse moeite

De onlangs overleden Rudy Kousbroek vormde de ontkenning van de journalistieke regel dat je óf over één onderwerp alles moet weten opdat ze niet om je vakkennis heen kunnen, óf zonder specialisme moet schrijven met een gouden pennetje, zodat ze je lezen omdat jij het schrijft. Kousbroek was van beide markten thuis. Hij schreef briljant en maakte daarbij geen onderscheid tussen fictie en non-fictie. Hij schreef poëzie en proza. Hij schreef voor volwassenen en voor kinderen, Hij schreef over mensen en dieren en techniek. Elke zin die hij schreef, deugde; alles wat hij ten berde bracht, was de moeite van het overwegen waard.

Als eerbewijs aan een van de grootste naoorlogse auteurs is de voorgaande alinea voldoende, maar tegelijk biedt ze te weinig. Schrijvers leer je immers pas kennen als je ze leest en een schrijversnecrologie zou daarom eigenlijk moeten bestaan uit een compleet herdrukt essay, gedicht of verhaal. Vandaar dat ik hier in enig detail inga op ‘Kunstmatige domheid’, de beschouwing die Kousbroek in 1989 in het NRC Handelsblad wijdde aan J.A. Paulos’ bekende boekje Ongecijferdheid. Deze beschouwing, die een jaar later werd opgenomen in de bundel Einsteins poppenhuis, is een goede samenvatting van Kousbroeks ideeën. Het is ook een visionair stuk dat niets aan actualiteit heeft verloren. ‘Kunstmatige domheid’ heeft daarmee ook iets vergeefs: het heeft de wereld niet veranderd. Dat lag niet aan de felheid waarmee het begon.

Lees verder “Kousbroeks vergeefse moeite”