De vroege kerk

Over de vorig jaar overleden Géza Vermes heb ik al eens eerder een stukje geschreven. Na de Tweede Wereldoorlog was er, om voor de hand liggende redenen, meer ruimte voor het idee dat Jezus, als jood, moest worden bestudeerd in zijn joodse context. Vermes was een van de geleerden die handen en voeten gaf aan dat simpele idee, erop wijzend dat Jezus voor alles een joodse charismaticus was, zoals de profeten dat waren geweest.

Kort voor zijn dood verscheen Vermes’ Christian Beginnings. From Nazareth to Nicaea. AD 30-325, een boek dat ik een paar weken geleden op Curaçao heb gelezen. Het is een vrij conventionele maar zeker niet slechte geschiedenis van het vroege christendom. Voor de prijs, nog geen twaalf euro, hoef je het niet te laten liggen.

Hij begint te vertellen wat een charismaticus was, kijkt vervolgens hoe Jezus in dat schema past en wijst op de verwachting dat het Einde der Tijden nabij was. Deze verwachting bleef ook na Jezus’ dood bestaan: in Thessaloniki beloofde de apostel Paulus zijn mensen dat ze Christus’ terugkeer nog zouden meemaken, wat leidde tot een spirituele crisis toen mensen overleden voor de “Parousia”. Paulus stelde hen gerust.

Vermes benut de Handelingen van de apostelen en de Didache om te reconstrueren hoe de eerste gelovigen leefden, wat ze geloofden en hoe ze tegen Jezus aankeken toen de wederkomst uitbleef. Hij – ik bedoel Vermes – onderscheidt drie soorten christendom, namelijk de groep die de Wet bleef onderhouden, de door Paulus gestichte gemeenschappen en de groep rond de evangelist Johannes.

Aan het einde van de eerste eeuw raakte, zo vertelt Vermes, de relatie tot de andere joodse groepen verstoord en de evangeliën van Matteüs en Johannes bevatten behoorlijk wat sneren naar degenen die Jezus niet als messias erkend. De Brief van Barnabas is wat dit betreft geen vrolijke lectuur.

Vermes stapt in de tweede helft van zijn boek van vroegchristelijke tekst naar vroegchristelijke tekst: de Eerste brief van Clemens, de correspondentie van Ignatius, de beruchte paaspreek van Mileto, de geschriften van Tertullianus – een voor een passeren ze de revue, en steeds weer zoekt Vermes wat we eruit kunnen leren over de organisatie van de kerk en de persoon van Jezus van Nazaret. Ik vond dit een fijne presentatie.

Hij – ik bedoel opnieuw Vermes – wijst erop dat, als we even afzien van het Marcusevangelie en een handvol andere vroege teksten, eigenlijk alle christenen in de eerste drie eeuwen van het christendom Jezus beschouwden als een bovenmenselijk wezen. Er was echter ook consensus dat Christus aan God de Vader ondergeschikt was. Pas met het concilie van Nicea zou zijn afgesproken dat de Zoon werkelijk wezensgelijk was. Vermes heeft gelijk als hij zegt dat dit revolutionair was, maar ik denk dat zijn suggestie wat gemakzuchtig is dat het kwam doordat Arius zó elegant uiteengezet had dat Christus lager in de kosmische hiërarchie moest staan dat de bisschoppen in Nicea van de weeromstuit het tegendeel aannamen. Over de materie die McGrath aansnijdt in The Only True God, stapt Vermes wat makkelijk heen.

Hij negeert wel meer complicaties. Zo neemt hij zonder meer aan dat de brieven van Ignatius aan het begin van de tweede eeuw moeten worden gedateerd, hoewel dat maar te bezien staat. Ik ben ze toevallig nu aan het lezen, en eerlijk gezegd vind ik het steeds ongeloofwaardiger worden. Teveel van de aangesneden onderwerpen passen beter in de late tweede eeuw. Misschien vergis ik me.

Er staat dus al met al weinig verrassends in Christian Beginnings. In feite vertelt Vermes hetzelfde verhaal als de grote Duitse Altertumswissenschaftler van de negentiende eeuw vertelden, maar dan zonder de antijoodse ondertoon die destijds vaker wel dan niet aanwezig was. Dat het boek erg traditioneel is, wil overigens bepaald niet zeggen dat Vermes’ laatste boek slecht zou zijn, integendeel: het is een fijne inleiding tot de materie die ik elke geïnteresseerde kan aanraden.

6 gedachtes over “De vroege kerk

  1. henktjong

    Is dat niet frustrerend, Jona, dat er nu allemaal boeken uitkomen die over ongeveer hetzelfde gaan als jouw nieuwe, nog niet uitgekomen, boek? Het ziet er niet naar uit dat je werk aan moet passen of overdoen, gezien je recensie, maar het lijkt me zenuwslopend om zo’n boek open te moeten slaan met de mogelijkheid dat de schrijver je voor is geweest bij het trekken van conclusies.

    1. Nee, het is nauwelijks frustrerend. Ik doe er vooral mijn voordeel van: heb ik de dingen scherp genoeg gezien, waarom ziet zo’n Vermes dingen anders? Enz. En is het niet de analyse zelf die je beter doordenkt, dan gaat het om kleine feitjes: bij Vermes zag ik een detail van de Didache dat ik zelf niet had gezien.

  2. Cor

    In elk geval moeten er minstens drie brieven van Ignatius bestaan hebben vóór ca. 130-140, getuige de brief van Polycarpus aan de Filippenzen 13. Als dit gedeelte van de brief nog ouder is (ca. 110) – een breed aangehangen hypothese – dan zou Ignatius in elk geval drie brieven geschreven moeten hebben (“de brief aan ons en nog andere brieven”).

    1. Ja, Cor, daar heb je een onweerlegbaar argument.

      Een andere kwestie is of de brieven die Polykarpos kende, de brieven zijn die wij bezitten. Justinus Martyr kent de Handelingen van Pilatus, maar de tekst die wij hebben dateert – als ik het wel heb – uit de Late Oudheid.

Reacties zijn gesloten.