En het Woord was…

De Drie-eenheid op een zeventiende-eeuwse muurschildering uit Arbanasi (Bulgarije)

[Onlangs gaf ik hier ruimte aan Alexander Smarius, die schreef over de nieuwe Bijbelvertaling van de Jehovah’s Getuigen. Elke vertaling is keuzes maken en sommige daarvan vertellen nogal wat over de vertaler zelf. Zo is er de kwestie van de openingszin van het Johannesevangelie, die Smarius hieronder toelicht, want Jehovah’s Getuigen maken daar een significant andere keuze dan andere christenen. Ik kom er later vandaag ook nog op terug in “Methode op Maandag”.]

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

In de meeste Nederlandstalige Bijbels is dat de openingszin van het Evangelie van Johannes (Johannes 1:1). Verderop in de tekst wordt duidelijk dat met “het Woord” de Zoon van God wordt bedoeld, Christus. Minder duidelijk is hoe de lezer moet begrijpen dat degene die “bij God” was zelf ook “God” was. Volgens de gangbare Bijbelverklaring zijn de Vader en de Zoon samen één God, zoals twee lucifers één vlam kunnen delen.

Lees verder “En het Woord was…”

De jonge islam

De aqedah (Byzantijns reliefje uit het Nationaal Museum in Beiroet)

Onlangs verzorgde ik een lezing waarbij het ontstaan van de islam ter sprake kwam. Over dat onderwerp is – door gelovige moslims, door islamofoben en door historici – voldoende gezegd dat niet herhaald behoeft te worden, maar ik wil wel wijzen op een punt dat ik belangrijk vind: er gingen ideeën aan de islam vooraf. Nu is dat natuurlijk het intrappen van een wagenwijd openstaande deur: nieuwe ideeën ontstaan doorgaans in wisselwerking met andere. Als het niet zou zijn, zouden we immers niet begrijpen wat er nieuw aan was. Maar het blijft interessant te kijken waartegen Mohammed zich afzette, welke ideeën de zijne voortbrachten, waartegen hij polemiseerde en wat de in de vroege islam gemaakte keuzes zeggen over de eerste gelovigen. Daar ligt, zoals ik zie, momenteel een van de fronten van de geschiedwetenschap.

In de eerste plaats: in het laat-Romeinse Rijk won het christendom aan populariteit. Eerst stonden de keizers Licinius en Constantijn het geloof toe, daarna waren er keizers die het als persoonlijke voorkeur hadden, vervolgens kwam een einde aan de overheidssubsidie van de heidense culten en tot slot zag keizer Theodosius erop toe dat de christenen één centrale leer hadden, vastgelegd in de geloofsbelijdenis die op het Concilie van Constantinopel in 381 werd bevestigd.

Lees verder “De jonge islam”

Nis

Tichel met christusmonogram uit Spanje (British Museum, Londen)

Nog heel even iets over het plaatje dat ik afbeeldde bij mijn stukje over de Visigotische aanwezigheid op het Iberische Schiereiland: het Christusmonogram dat ik hierboven nogmaals toon. De zesde-eeuwse tichel, mogelijk afkomstig uit Ronda, is te zien in het British Museum en het (moeilijk leesbare) randschrift luidt BRACARI VIVAS CUM TUIS, waarvan het eerste woord “van Bracarius” betekent en de drie andere zoiets als “moge jij leven bij de jouwen”. Anders gezegd, het is een grafsteen die ooit, beschilderd en wel, tegen een muur of plafond was aangebracht.

De dood wordt dus herdacht door te zeggen dat iemand leeft en dat is niet de enige paradox. De alfa en de omega (de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet) staan voor het begin en het einde en dat representeert… de eeuwigheid. Multatuli wees er al eens op dat wie mensen wil mobiliseren, ze een paradoxale boodschap moest geven: we moeten bijvoorbeeld samenwerken voor onze bevrijding. Dat paradoxale boodschappen, die immuun zijn tegen falsificatie, het beste werken, is natuurlijk een wat platvloers inzicht, maar ja, de diepste waarheden liggen nu eenmaal aan de oppervlakte.

Lees verder “Nis”

Berbers en Arabieren

Dat had u natuurlijk nóóit verwacht, dat ik een stukje over het het ontstaan van het emiraat van Cordoba zou illustreren met een heel originele foto van de moskee die Abdelrahman bouwde in opgemelde Andalusische stad.

Gisteren blogde ik over het Rijk van Toledo en ik schreef dat deze laat-Romeinse staat, centraal georganiseerd als ze was, door Arabieren in één keer kon worden overgenomen. Koning dood, het hof uitgeschakeld, hoofdstad ingenomen: dan houdt het verder op. Ik werd terecht gecorrigeerd: het leger dat de genadeklap uitdeelde bestond uit Berbers. Het grappige is dat ik daar bij het schrijven aan had gedacht. Omdat het leger marcheerde uit naam van de Umayyadische kalief van Damascus, had ik besloten het stukje niet nog ingewikkelder te maken dan het al was – maar het is geen onbeduidend detail.

De verovering begon in april 711, toen generaal Tariq, een islamitische Berber, met zo’n 12.000 soldaten de Straat van Gibraltar overstak. (“Gibraltar” is overigens een verbastering van Jebel Tariq, “Tariqberg”.) In juli versloeg hij bij Jerez het leger van de Toledaanse koning Roderik, waarna de joden in Cordoba en Écija Tariq en zijn mannen als bevrijders binnenhaalden. Of het enthousiasme oprecht was of een lepe reactie op het simpele feit dat er geen Toledaans leger meer was dat de steden kon beschermen, zullen we nooit meer weten. Wel moet worden aangetekend dat de handelingen van de diverse kerkelijke synodes duidelijk maken dat de christelijke autoriteiten de joden liever zagen gaan dan komen.

Lees verder “Berbers en Arabieren”

Leeuw en hond

Kanaänitische stele (Israel Museum, Jeruzalem)

In het midden van de vijftiende eeuw v.Chr. veroverden de Egyptenaren het gebied dat bekendstaat als Kanaän of de Levant. Zeg maar alles van Gaza tot aan de Eufraat. In het zuidelijk deel, dat wij nu aanduiden als Israël, is de Egyptische aanwezigheid in diverse nederzettingen gedocumenteerd, zoals in Beth Shean in het oosten van Galilea. Op een heuveltop is het paleis van een Egyptische gouverneur opgegraven, met een inscriptie van farao Seti I en een standbeeld van een der diverse Ramsessen, ik meen numero drie.

Ook de bovenstaande stele is er gevonden. Ze komt uit een Kanaänitisch heiligdom en wordt wel gedateerd in de vijftiende eeuw, maar kan ook jonger zijn. We weten het niet goed, zoals zo vaak. De interpretatie, tja, ook die is wat speculatief.

Lees verder “Leeuw en hond”

De Bijbel, een inleiding (slot)

Een fresco van Augustinus. Ik weet niet of hij de Bijbel aan het lezen is, maar het is een leuk plaatje om deze reeks mee af te ronden (Lateraan).

Wat te lezen als u besluit u voor het eerst in de Bijbel te verdiepen? Ik zou adviseren: begin niet vooraan in deze bibliotheek van oud-oosterse literatuur bij het boek Genesis, want u haakt dan gegarandeerd af halverwege het tweede boek (Exodus). Lees in plaats daarvan eerst een selectie en lees die chronologisch, zodat u het ideeëngoed ziet groeien. Ik heb in de voorafgaande stukjes (1, 2, 3, 4) daarvan een samenvatting gegeven. In combinatie met de inleidingen die een goede Bijbel (zoals de NBV Studiebijbel) bevat, komt u een heel eind op streek.

De vroegste fase

  • Psalm 29: Er zijn 150 psalmen om uit te kiezen. Deze is de moeite waard omdat ze henotheïstisch is, wat wil zeggen dat je maar één god vereert hoewel je niet ontkent dat er verschillende zijn. Zo moet het jodendom zijn begonnen.
  • Spreuken 10.1-22.16: een verzameling spreekwoorden uit een door-en-door agrarische samenleving. Als u meer wil lezen, ga dan verder tot 24.22. Dit blok lijkt een bewerking van een oudere, Egyptische tekst, de Instructies van Amenemope.
  • Amos: een klassieke donderpreek tegen onrechtvaardig verworven rijkdom, de sociale leer van het jodendom en christendom in een notendop.
  • Jesaja 2-9: het kerngedeelte van een collectie die steeds verder uitbreidde rond het thema dat de Joden het uitverkoren volk zijn, dat God van de Joden houdt, dat hij ze soms straft om ze op het rechte pad te houden, maar dat de liefde uiteindelijk altijd blijft bestaan. Een boodschap die het goed zal hebben gedaan in de late achtste eeuw, toen de noordelijke Joodse staat, Israël, door de Assyriërs was onderworpen.

Lees verder “De Bijbel, een inleiding (slot)”

De Bijbel, een inleiding (4)

Mozaïek uit het “Huis van Dionysos” in Sepforis, dat heel misschien het huis is geweest van Yehuda ha-Nasi, de samensteller van de Misjna.

Ik heb in drie eerdere stukken (1, 2, 3) een overzicht gegeven van de joodse literatuur. Een complex geheel, dat ik zo meteen als een leeslijstje zal samenvatten. Voor ik dat doe, nog even overzicht van teksten die illustreren hoe uit het Tempeljodendom – het jodendom dus waarin alles draaide rond de tempel in Jeruzalem – twee nieuwe godsdiensten voortkwamen: het rabbijnse jodendom en het christendom. En dat brengt ons onvermijdelijk bij een van de lastigste thema’s uit de joodse gedachtewereld: de messias.

Nadat de Hasmonese dynastie rond het midden van de tweede eeuw v.Chr. de macht in Judea overnam, waren er Joden die eraan herinnerden dat de monarchie was beloofd aan de afstammelingen van koning David. Andere Joden hadden kritiek op de al te libertijnse levenswijze van hun vorsten en de corrupt geachte eredienst in de tempel. Zo ontstond in de vroege eerste eeuw v.Chr. het messianisme: de verwachting dat een ideale heerser in de nabije toekomst Israël zou herstellen, politiek of spiritueel. In de Psalmen van Salomo wordt het profiel geschetst van de komende zoon van David. De Gelijkenissen van Henoch, die zijn geschreven in de vroege eerste eeuw na Christus, bewijzen dat het mogelijk was de messias gelijk te stellen aan de in Daniël genoemde Mensenzoon, die al vóór de Schepping bestond en het Laatste Oordeel zou vellen.

Lees verder “De Bijbel, een inleiding (4)”