Eigentijdse kunst

Lukas schildert Maria

De kunst van de Grieks-Orthodoxe kerk heeft enkele opvallende kenmerken. Eén daarvan is dat vrijwel alle afbeeldingen tweedimensioneel zijn; een ander is de keuze voor bepaalde technieken (nooit gebrandschilderd glas); en tot slot worden de dingen vaak al eeuwenlang op precies dezelfde manier afgebeeld. Een portret van Sint-Nikolaas hoort er op een bepaalde manier uit te zien, omdat het anders gewoon de heilige niet goed weergeeft. Originaliteit is hier niet de ambitie.

Ik begrijp dat professionele schilders van ikonen teruggrijpen op een boek waarin precies staat aangegeven hoe het moet, maar ik heb het boek nooit gezien en om de waarheid te zeggen herken ik toch ook weleens verschillen. Ik heb de laatste dagen nogal wat afbeeldingen gezien van de opstanding van Lazarus (die, voor de tweede keer gestorven, ligt begraven in Larnaca), en steeds zie je dezelfde elementen terugkeren: de in zwachtels gewikkelde dode, Christus, enkele leden van de Twaalf achter hem, Maria en Martha aan zijn voeten, en een man in de buurt die zijn neus dichtknijpt bij het graf van Lazarus. Daarbinnen is echter behoorlijk wat variatie mogelijk. Soms komen er mensen uit de stad aanlopen, soms zijn er maar zes leden van de Twaalf en soms zie je ze allemaal, de plaatsing van Maria en Martha varieert, enz.

Lees verder “Eigentijdse kunst”

Zelfinterview

Als het goed is, ligt vanaf vandaag Het visioen van Constantijn in de winkel, een boek waarin classicus Vincent Hunink en ik een bekende oudheidkundige puzzel presenteren: hoe kon een heidens visioen veranderen in een christelijke legende? Een volledig antwoord is er niet maar we gebruiken de puzzel om en passant te wijzen op de problemen waar een oudheidkundige mee wordt geconfronteerd. In een kort vraaggesprek interviewen we elkaar.

Jona: Je had zin in het vertalen van de Lofrede van 310, de tekst waarin het heidense visioen wordt gepresenteerd, omdat dit het hoge stijlregister betrof en laatantieke welsprekendheid. Wat is daar zo speciaal aan?

Vincent: Het is een genre dat wij eigenlijk niet meer kennen. Ook wie tegenwoordig een speech houdt tegenover de koning of minister-president zal zich uitdrukken in min of meer “gewoon” Nederlands. Maar in deze antieke speeches gaan echt alle remmen los. De redenaar pakt breed uit en hanteert alle talige middelen die hij kent om zijn lofzang te zingen. Of juist om onwelkome details te verdoezelen. Ik vond het spannend om te kijken of ik die talige “grandeur” enigszins in taal van nú kon uitdrukken, zonder te belanden in de valkuil van oubollig Nederlands. Of dat gelukt is mag de lezer beoordelen.

Lees verder “Zelfinterview”

Wat zijn heidenen?

Apollo, Minerva en Mercurius: vierde-eeuws reliëf uit Lauterbourg (Straatsburg, Palais Rohan)

Als het goed is, is vandaag Het visioen van Constantijn in de boekhandels aangekomen, het boek dat ik maakte met Vincent Hunink en dat gaat over de vraag hoe een heidens visioen kon veranderen in een christelijke legende. U bestelt het hier (levert landelijk) of bij uw plaatselijke boekhandel en hieronder hebt u een stukje uit de inleiding.

***

De bekering van Constantijn betekende – wat er ook gebeurd moge zijn – het einde van het heidendom. Maar wie waren die heidenen eigenlijk? Het begrip komt uit de joods-christelijke wereld, waarin alle niet-medegelovigen over één kam werden geschoren, hoewel de niet-joden en niet-christenen zichzelf nooit definieerden als heidenen.

Ze vereerden de goden van hun eigen stad en van de Romeinse staat. Ook betoonden ze eer aan de keizer. Sommige volken hadden eigen godheden – zo hadden de Egyptenaren hun Isis, de Galliërs hun Grannus en de Bataven hun Magusanus – en daarnaast hadden bepaalde beroepsgroepen eigen culten. Over dit bonte geheel werd verschillend gedacht, maar niemand noemde zichzelf heiden. In Het visioen van Constantijn gebruiken we het woord alleen omdat het nu eenmaal ingeburgerd is. Dat bewijst overigens eens te meer in welke mate het in de vierde eeuw doorgebroken christendom het latere denken blijft beïnvloeden.

Lees verder “Wat zijn heidenen?”

Tayma

Inscriptie uit Tayma: “Geplaatst door Sasag, de zoon van Abdosiris, de zoon van Qursan”.

De Tayma-oase ligt in het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië, langs de handelsroute die ooit van Yathrib (Medina) en Khaibar leidde naar de Duma-oase en Mesopotamië. Oeroude qanats (ondergrondse waterleidingen) en de stenen die ooit de velden afbakenden, duiden op een landbouweconomie die vrij complex was.

Archeologen vonden ook “Qurayya painted ware”, een type aardewerk dat in het laatste kwart van het tweede millennium v.Chr. is vervaardigd. Het wijst op handelscontacten die reikten tot in de Araba, de vallei op de grens van Jordanië en Israël tussen de Dode Zee en de Rode Zee. De Taymanieten hebben misschien dadels, aluin en steenzout verkocht en zullen daarvoor wel koper terug hebben gekregen. Een inscriptie met de naam van koning Ramses III (r.1184-1152) bewijst dat ook Egyptische kooplieden Tayma wisten te vinden

Lees verder “Tayma”

Een Arabisch eerstelingenoffer

Inscriptie over een eerstelingenoffer (Louvre, Parijs)

Het huidige Jemen is een van die gebieden uit de oude wereld waar je meer over zou willen weten. De Grieken en Romeinen noemden het “het gelukzalige Arabië” omdat ze meenden dat het spreekwoordelijk rijk was. Hier kwamen immers de karavanen met wierook vandaan. En bijzonder was het gebied inderdaad. De bewoners hadden dammen gebouwd die het water reguleerden, kenden steden en handelden in geurstoffen. De vaak als nederlaag getypeerde campagne die keizer Augustus die kant opstuurde, had wel degelijk een voor de Romeinen positief resultaat: de zeeroute naar de Indische Oceaan werd geopend.

Ik zal er nog eens over bloggen, voor het moment de bovenstaande inscriptie uit Timna, de hoofdstad van het koninkrijkje Qataban. Ze dateert uit de eerste eeuw n.Chr. en ik fotografeerde haar in het Louvre in Parijs. De tekst is kort maar wel aardig.

Lees verder “Een Arabisch eerstelingenoffer”

De dood van de messias (7)

De opstanding (George Bandele)

We hebben in deze reeks een paar keer geconstateerd dat de bronnen over de dood van Jezus van Nazaret, de evangeliën van Marcus en Johannes, elkaar soms tegenspreken. Dat bewijst dat ze onafhankelijk zijn, al is de situatie iets complexer dan volledige onafhankelijkheid: Johannes kende (direct of indirect) het verhaal van Marcus, maar had daarnaast eigen informatie. De rechtszaak bij Pilatus was niet in de ochtend, zoals Marcus aangaf, maar was volgens Johannes rond het middaguur. Het gebeurde ook niet met Pesach, maar op de dag die daaraan voorafging. Het is niet onvergelijkbaar met een rechtszaak, waarin getuigen elkaar voortdurend op dit soort punten tegenspreken terwijl ze het over de hoofdlijn eens kunnen zijn.

Andere aspecten zijn verontrustender. Doden plegen niet op te staan uit de dood en zonsverduisteringen vinden alleen plaats bij nieuwe maan, niet bij de volle maan die verondersteld is bij Pesach. Overigens zijn dit soort onmogelijkheden precies dat wat we zouden verwachten. In de oude wereld circuleerde veel minder informatie dan in onze maatschappij en mensen konden berichten zelden controleren. Wonderbaarlijke verhalen bleven dus onweersproken en behoorden daarom bij de antieke belevingswereld. In een andere context heb ik beschreven hoe het nieuwtje “keizer Constantijn heeft een visioen gehad” al tijdens zijn leven in de vertrouwde mallen werd gegoten: hij had bovennatuurlijke ruiters gezien die hem te hulp kwamen. Het is hoe mondelinge samenlevingen werken.

Lees verder “De dood van de messias (7)”

De dood van de messias (6)

De graflegging

Het laatste stukje van vandaag kan alleen gaan over de graflegging, zoals hierboven afgebeeld door de Nigeriaanse kunstenaar George Bandele, wiens werk de aanleiding was tot deze reeks. Volgens Marcus stierf Jezus tijdens het negende uur, rond een uur of drie in de middag. Misschien was het in feite wat later, want degenen die het lichaam van het kruis haalden hadden haast om het nog voor het vallen van de avond te doen. Bij zonsondergang zou immers de sabbat beginnen, waarop werk niet was toegestaan.

Zo staat het althans in zowel Marcus als Johannes, waarvan ik al aangaf dat ze onafhankelijk van elkaar ruwweg hetzelfde vertellen. Beide auteurs vermelden ook Jozef van Arimatea, een lid van het Sanhedrin, als degene die het lichaam bij Pilatus opvroeg. Marcus voegt toe dat Pilatus verbaasd was over Jezus’ snelle dood en het lijk pas afstond toen een centurio dit had bevestigd. Marcus noemt verder Maria van Magdala en Maria de moeder van Joses als aanwezig bij de graflegging. Johannes maakt daar een mannenzaak van: Jozef kreeg hulp van Nikodemos.

Deze bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is. Op de plaats waar hij gekruisigd werd, lag een tuin en in die tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was, legden zij Jezus daarin neer.

Lees verder “De dood van de messias (6)”