Het ongrijpbare antieke christendom (5)

Een christen met een boekrol: bewijs voor een literaire cultuur. (Catacombe van Domitilla, Rome; eerste helft vierde eeuw)

[Ik was begonnen met een lijstje van verwachtingen die je kunt hebben vóór je begint aan onderzoek naar het vroegste christendom. Context hier, eerste deel daar en tweede deel daar.]

Verwachting 5: Rekkelijken en preciezen

Een algemene observatie: er zijn mensen voor wie religie belangrijk is, er zijn mensen voor wie religie iets is dat er nou eenmaal bij hoort en er zijn mensen voor wie religie onbelangrijk is. Tenzij er sprake is van massale geloofsverlating, zal de eerste groep de neiging hebben te gaan overheersen, domweg doordat deze mensen zich er meer voor inzetten. (Ik heb er eens over geblogd.) Je mag aannemen dat als het bestuur van een antieke tempel een beslissing moest nemen, de bestuursleden eerst advies hebben gevraagd bij degenen die het vaakst in het heiligdom waren. Idemdito in de synagoge. Idemdito in een christelijke gemeente. En als de overheid zaken moest doen met een religieuze groep, dan zou ze met deze mensen aan de praat raken.

Dit is in zekere zin heel natuurlijk en je kunt in elk geval zeggen dat de betrokkenen door hun grote inzet ook wel verdienen dat ze serieus worden genomen. Ze zijn echter wel een minderheid en niet representatief.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (5)”

Het ongrijpbare antieke christendom (4)

Christus als zonnegod (Catacombe van Petrus en Marcellinus, Rome; eerste helft vierde eeuw)

[Ik was begonnen met een lijstje van verwachtingen die je kunt hebben vóór je begint aan onderzoek naar het vroegste christendom. Context hier, eerste deel daar.]

Verwachting 3: Monotheïsme

Zuiver monotheïsme heeft in de Oudheid nooit bestaan. Het jodendom heeft bijvoorbeeld een traditie gekend over een tweede godheid – ik blogde er al eens over – die weliswaar vanaf de derde eeuw n.Chr. door het groeiende rabbijnse jodendom werd beschouwd als onorthodox, maar daarom nog wel heeft bestaan en die een denkkader bood waarin Christus paste als een hand in een handschoen. Hoe belangrijk deze traditie is geweest, is niet meer uit te maken omdat laatantieke rabbijnse kopiisten hun vingers aan dit soort teksten niet vuil maakten.

Ook heb ik weleens gewezen op een inscriptie waarin iemand dank betuigt aan de god Pan wegens een redding op zee én zichzelf identificeert als Joods: daar hebben we dus een jood die het bestaan en de zegenrijke werking van andere goden erkent. Het voorbeeld staat niet op zichzelf; er is net een boek verschenen dat een hoofdstuk over zulke inscripties lijkt te hebben, maar ik heb het nog niet gelezen.

Omdat het jodendom in de Romeinse keizertijd dus nog geen uitgekristalliseerd monotheïsme kende, mogen we verwachten dat ook binnen het christendom soortgelijke, niet-exclusivistische ideeën hebben bestaan. Hoe belangrijk die waren, kunnen we aan de hand van de bronnen niet zeggen. Daar is die verdraaide selectieve bronnenoverlevering weer. Het bestaan van een “hypogeum van de syncretisten” in de Romeinse Catacomben van Petrus en Marcellinus bewijst echter dat niet-exclusivisten in het derde-eeuwse Rome niet als afvalligen werden beschouwd.

Onze data schieten tekort. We mogen verwachten dat er niet-exclusivisten waren, hebben daar ook aanwijzingen voor, maar meer kunnen we niet weten. De niet-exclusivistische teksten (als die er zijn geweest) zijn immers niet overgeleverd. Het is wellicht zinvol op dit punt te wijzen op de Nag Hammadi-geschriften: dertien boeken met samen een stuk of vijftig gnostische teksten, die een beeld geven van een tot de ontdekking in 1945 nauwelijks bekende tak van het christendom. De creativiteit en variatie documenteren opvattingen die even vitaal waren als de latere orthodoxie. Het is niet moeilijk voorstelbaar dat de “andere christendommen”, die minder goed zijn overgeleverd, marginaal zijn geweest.

Al kan dat natuurlijk wel zo zijn geweest. In elk geval gaat het te ver te zeggen dat iemand die én deelnam aan de christelijke rituelen én de andere goden vereerde, geen echte christen was. Hetzelfde geldt voor iemand die de Wet van Mozes bleef onderhouden of die er gnostische ideeën op nahield. Zo iemand was hooguit geen echte christen in het licht van latere, normatieve definities.

Verwachting 4: Interactie

Waar religies naast elkaar bestaan, reageren ze op elkaar. Dat kan de vorm aannemen van conflicten, die alle aandacht krijgen in onze bronnen, maar kan ook de vorm van samenwerking krijgen. Voor artistieke ontleningen, rituelen, gebeden, filosofische formuleringen en gebruiken hebben onze bronnen weliswaar minder aandacht, maar dat ze voorkwamen, kan elke antropoloog je uitleggen en zal elke toerist opvallen die reist door de landen waar het christendom is ontstaan. Ik blogde al over Libanon.

Kruisbestuiving is dus wat we mogen verwachten en we hebben daarvoor ook enkele aanwijzingen, bijvoorbeeld dat christelijke leiders in de Late Oudheid optraden tegen wat zij beschouwden als afgodendienst en jodendom. Rond het jaar 306 verklaarde de Synode van Elvira (in Spanje) dat het christenen verboden was hun oogst door een jood te laten zegenen: een vermoedelijk recente innovatie, aangezien het rabbinaat, waarop deze passage betrekking lijkt te hebben, in de derde eeuw in Spanje moet zijn aangekomen. Rond 400 keerden de kerkvaders Augustinus en Johannes Chrysostomos zich tegen christenen die de spijswetten onderhielden en synagogen bezochten. Een kleine halve eeuw later vermeldt Sozomenos een feest dat gezamenlijk werd gevierd door joden, christenen en heidenen van Fenicische en Arabische herkomst (Kerkgeschiedenis 2.4). Zosimos vermeldt ergens een heidens-christelijke generaal en ik heb al eens gewezen op Bacurius. Wie weet valt ook Synesios van Kyrene in deze categorie.

Was dit belangrijk? Waren er veel van dit soort niet-exclusivisten? We hebben van zulke gelovigen geen acht boekenkasten Patrologia Latina en Patrologia Graeca en wie, heel positivistisch, afgaat op het overgeleverde materiaal, zal concluderen dat ze marginaal waren. Ze zijn er echter zeker geweest en het is aannemelijk dat ze, naarmate we verder teruggaan in de tijd en uitkomen in de periode vóór de bekering van Constantijn, belangrijker waren. Om de inmiddels bekende redenen valt niet uit te maken hoe belangrijk, maar het is niet uitgesloten dat het de meerderheid was.

Het is zinvol hier te wijzen op de ambiguïteit van archeologische vondsten. Een vondst die – vanuit de aanname dat christendom ook destijds exclusivistisch was – wordt geïnterpreteerd als een christelijke overname van een heidens motief, kan doorgaans evengoed worden geïnterpreteerd als het eigendom van een heiden die de verering van Christus “erbij had genomen”.

[Wordt om half tien vervolgd]

Het ongrijpbare antieke christendom (3)

Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome. Er zijn diverse wandschilderingen van dit type, waarbij steeds zeven mensen de maaltijd gebruiken en zijn gezeten in een halve cirkel.

Mijn leermeester, professor P.W. de Neeve, was geïnteresseerd in antieke landbouw en kampte met het probleem dat we over de middelgrote en kleine Romeinse boerenstand weinig bronnen hebben. De boeren waren immers ongeletterd en de bronnen zijn geschreven door rijke, vooringenomen mannen. Ze noteerden ook al niet wat destijds vanzelfsprekend was. We kunnen daarom de voor ons gezochte feiten niet vinden door de bronnen na te vertellen. Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen.

Hoe een historicus dan te werk gaat, toont De Neeve in zijn inaugurele rede De boeren bedreigd: eerst maak je expliciet wat je verwacht (en daartoe haalde hij de locatietheorie van Von Thünen uit de kast) en pas daarna kijk je naar de bronnen, zodat je herkent waar ze onvolledig en bevooroordeeld zijn. Dat kan óók betekenen dat je ontdekt dat je eigen aannames niet kloppen en dan heb je je eigen denken beter doorgrond. “Expliciet maken wat je verwacht” kan hierbij slaan op het gebruik van modellen uit de sociale wetenschappen of het zoeken naar parallellen uit andere voorindustriële samenlevingen. Het voordeel van het aangeven van je verwachtingen is niet alleen dat je zo scherper kijkt naar je bronnen maar ook dat je reconstructie sterker is dan de N=1 die een alleen op bronnen gebaseerde reconstructie nu eenmaal is.

Als je het hebt over het ontstaan van het christendom, moet je het ook zo aanpakken. Eerst moet je expliciet vaststellen wat je zoekt, omdat je anders je impliciete aannames, gebaseerd op modern christendom, zult projecteren op de tekortschietende teksten en je vooral zult kijken naar wat je herkent. Dus: wat verwacht je van het vroegste christendom? We zijn in de fortuinlijke situatie dat we een goed beeld hebben van de beginsituatie: het jodendom.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (3)”

Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

Al Qusair, Irak: een christelijk gebedshuis dat door de archeologen is gedateerd in de tweede eeuw n.Chr. Om de waarheid te zeggen lijkt die datering me een fraai staaltje oudheidkundige standaardoverdrijving. Ik kreeg deze foto van Marion Verburg.

Ik had een begin gemaakt met een reeks over het ongrijpbare antieke christendom maar er kwam van alles tussendoor. Eigenlijk leef ik de laatste weken in de vierde versnelling, reizend van Friesland naar Libanon naar Eindhoven en vervolgens via Hilversum weer naar Friesland, onderbroken door een bezoek aan Assen. Afgelopen zaterdag had ik afspraken in Amsterdam, Gouda en Velsen en woonde ik weer een dag in de trein. Ik wil die reeks echter afmaken, dus eerst even een hervertelling.

***

In mijn eerste stukje gaf ik aan dat het definiëren van een christen lastig is. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Het aanwijzen van die overeenkomsten is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je eigentijdse noties op het verleden projecteert.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)”

Het ongrijpbare antieke christendom (2)

Je kunt niet altijd afgaan op wat concreet waarneembaar is

In het eerste stukje heb ik beschreven dat christendom, zowel nu als vroeger, lastig valt te definiëren. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Dat wat u en/of ik herkennen, is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je, als je in het verleden zaken waarneemt die jij herkent, je eigen noties projecteert op de rest. Simpel gezegd: bisschoppen, bijbels en kerkgebouwen vormen overeenkomsten tussen toen en nu, maar willen nog niet zeggen dat het antieke christendom ook in andere aspecten lijkt op het huidige.

Wél lijkt het erop dat na Constantijn een kerk is ontstaan die lijkt op wat u of ik herkenbaar vinden, maar nog aan het einde van de vierde eeuw was de daar gepredikte orthodoxie niet de enige mogelijkheid. (Tot in de achtste eeuw waren er christenen en joden die dezelfde feestdagen vierden.) Dit moet in de periode vóór Constantijn nog meer dan in de vierde eeuw het geval zijn geweest, maar de eigen teksten van de andersdenkenden zijn niet overgeleverd. We mogen, ja moeten, de vraag stellen wat we mogen verwachten.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (2)”

Het ongrijpbare antieke christendom (1)

Orfeus, die met zijn muziek de dood overwon, staat hier afgebeeld op een mozaïek uit een kerk in Theodorias. Het was voor christenen niet moeilijk zich dit heidense motief toe te eigenen: ook Christus had immers de dood overwonnen. Zulke ontleningen waren volkomen normaal.

Wat is een christen? Er is geen definitie die klopt. Zo omschrijft “iemand die staat ingeschreven bij een kerkgenootschap” enerzijds teveel (hoeveel mensen hebben de moeite genomen zich uit te schrijven?) en anderzijds te weinig (hoeveel kerkbezoekers staan ook ingeschreven?). “Iemand die de geloofsbelijdenis onderschrijft”? Menigeen zal die kunnen reciteren maar slechts een enkeling begrijpt welke gedachte vierde-eeuwers in hun cultuurwereld hebben willen uitdrukken en hoe wij die in onze tijd formuleren. “Iemand die leeft naar de christelijke waarden”: opnieuw enerzijds teveel (kijk hoe de Amerikaanse evangelicals Donald Trump omhelzen) en anderzijds te weinig (het humanisme deelt waarden met het christendom). Mocht u het doopsel beschouwen als definiërend voor wat iemand tot christen maakt, lees dan eens iets over het ontstaan van de gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

Kortom, het is lastig te definiëren wat een christen is. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor joden en moslims, Nederlanders en Belgen, vrouwen en mannen. Of Germanen en Kelten. Ik blogde al eens over Romeinen en Feniciërs. De crux is in alle gevallen dat de werkelijkheid te veelvormig is om te vangen in een definitie. In de praktijk hanteren historici dan ook familiegelijkenissen: er is weliswaar geen eigenschap die alle gelovigen delen en daarbuiten niet wordt aangetroffen, maar ze lijken desondanks wel op elkaar. Daarmee zet je het probleem van de onmogelijke definitie tussen haakjes maar haal je een conceptueel Trojaans Paard binnen, want je ontkomt zo niet aan subjectiviteit. Jij bent immers degene die bepaalt wat je op elkaar vindt lijken. Naarmate je verder teruggaat in de tijd, wordt dat problematischer.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (1)”

De vroege kerk

Over de vorig jaar overleden Géza Vermes heb ik al eens eerder een stukje geschreven. Na de Tweede Wereldoorlog was er, om voor de hand liggende redenen, meer ruimte voor het idee dat Jezus, als jood, moest worden bestudeerd in zijn joodse context. Vermes was een van de geleerden die handen en voeten gaf aan dat simpele idee, erop wijzend dat Jezus voor alles een joodse charismaticus was, zoals de profeten dat waren geweest.

Kort voor zijn dood verscheen Vermes’ Christian Beginnings. From Nazareth to Nicaea. AD 30-325, een boek dat ik een paar weken geleden op Curaçao heb gelezen. Het is een vrij conventionele maar zeker niet slechte geschiedenis van het vroege christendom. Voor de prijs, nog geen twaalf euro, hoef je het niet te laten liggen.

Lees verder “De vroege kerk”