
Een van de allerbekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, het onderwerp waarover ik op zondag graag blog, is dat over de storm op zee. Of beter: het Meer van Galilea, een plas zoet water van 166 vierkante kilometer, zo groot als de gemeente Amsterdam. Hier is de versie van de evangelist Marcus.
Toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.” Ze lieten de menigte achter en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.noot
Dit is meteen interessant. In de eerste vier hoofdstukken van het Marcusevangelie hebben we alleen gelezen over Johannes de Doper en over Jezus’ prediking in Galilea. Jezus verlaat Galilea nu en zal aankomen bij Gadara, en daarmee is hij weg uit het land van Israël. Hij verlaat als het ware zijn vaderland. Het zal geen enkele antieke luisteraar hebben verbaasd dat er een storm opstak: een gangbaar literair motief. Neem Herodotos: als de Perzische koning Kambyses een leger stuurt naar de vreemde wereld der Libiërs, verdwijnt het in een storm; als zijn opvolger Darius een vloot stuurt naar de wereld van de Grieken, zinkt die in een storm; en als Xerxes een brug bouwt van Azië naar Europa, wordt ook die verwoest.
Dat het een literair motief is, wil overigens niet meteen zeggen dat het verhaal onwaar is. Op het door bergen omgeven Meer van Galilea kan het behoorlijk spoken.
Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en riepen: “Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?”
Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het water: “Zwijg! Wees stil!”
De wind ging liggen en het water kwam helemaal tot rust.noot
Parallellen
Een logisch verhaal, althans in de Oudheid. Mensen met gezag hadden het vermogen wonderlijke dingen tot stand te brengen. Hier is een parallel:
Toen hij Egypte naderde, brak er plotseling een storm uit. Het was onmogelijk te zien waar ze zich bevonden en daarom zochten de opvarenden hun toevlucht bij het standbeeld van Afrodite en smeekten haar om hen te redden. De godin, die de mensen van Naukratis goed gezind was, zorgde er plotseling voor dat alles rondom haar werd bedekt met groene, verse mirte, waardoor het schip, hoewel de opvarenden wanhopig zochten naar veiligheid, gevuld werd met een aangename geur. En toen ineens scheen de zon en konden ze hun ankerplaats zien.noot
Hier doet een enkel gebed tot Afrodite wonderen. Diodoros van Sicilië weet dat Orfeus, door de goddelijke Tweelingen aan te roepen, een storm tot bedaren wist te brengen.noot Apuleius meldt dat een gebed tot Isis voldoende is, en er zijn volop inscripties van zeevarenden die goden bedanken voor hun redding.
Het interessante in Marcus’ verhaal is dat de opvarenden in het bootje zich richten tot Jezus. Die is, in dit type verhaal, dus de reddende god. En dat wringt een beetje met de theologie van het Marcusevangelie, waarin Jezus niet à la Johannesevangelie een god is, maar diens lijdende zoon. Om die reden wordt wel aangenomen dat het verhaal over het stillen van de storm ouder is dan het Marcusevangelie. Wat niet bewijst dat het historisch waar is, maar wel suggereert dat de “hoge christologie” oud is. Dat maakt dit een belangrijk evangelieverhaal.
Papyrus 45
Tot slot: wat is die papyrussnipper hierboven? Dat is een stukje van 𝔓45, ofwel Papyrus 45, ofwel P. Chester Beatty I, ofwel de eerste papyrus uit de collectie van de Amerikaanse verzamelaar Alfred Chester Beatty, ofwel de vijfenveertigste in een verzameling vroeg gedateerde papyri. Dit keer: rond het jaar 250, dus vóór het christendom een toegestane religie werd. Het is niet veel tekst, maar het gaat zeker om het hierboven vertelde verhaal en de snipper bewijst dat er rond 250 al manuscripten waren met de standaardtekst van dit deel van het Nieuwe Testament. Ik zeg er overigens wel bij dat de datering paleografisch en dus wat losjes is. Niettemin: een belangrijk fragment over een belangrijk evangelieverhaal.
Zelfde tijdvak
Het legioen met de leeuweriken: V Alaudae (2)juni 30, 2023
Misverstand: Joodse klerenmaart 26, 2020
Nergal en de NASAoktober 22, 2017

“…waarin Jezus niet à la Johannesevangelie een god is…” Dat is de gangbare opvatting, vooral bepaald met het leerstuk van de triniteit als vooronderstelling. Maar in de proloog van Johannes heet niet Jezus maar het Woord ‘een god’ – theos(/i>, zonder lidwoord, en niet ho theos, met lidwoord, wat dan inderdaad vertaald moet worden met ‘God’. In het Evangelie zijn het verder steeds anderen die Jezus zevenmaal ‘zoon van God’ noemen, wat een zeer hoge titel is en in feite een geloofsbelijdenis, maar tegelijk een duidelijk onderscheid bewaart. Als Jezus naar zichzelf verwijst zegt hij ‘zoon van mensen’ – en die aanduiding komt tweemaal zo vaak voor als de hoge titel . Opvallend genoeg komt juist in het lijdensverhaal die titel ‘zoon van God’ niet voor en de aanduiding ‘zoon van mensen’ alleen aan het begin. Het wordt tijd om het evangelie eens wat minder dogmatisch te lezen.
Dat er in Johannes 1 “een god” bedoeld kan zijn geweest, is op deze blog al eens behandeld.
https://mainzerbeobachter.com/2024/10/06/was-het-woord-een-god/
Er hoort een mooi filmpje bij.
Het verhaal over het verdwenen leger van Kambyses is ontraadseld door prof. dr O. E. Kaper, hoogleraar egyptologie te Leiden:
Leidse Egyptoloog ontrafelt eeuwenoud mysterie – Universiteit Leiden https://share.google/1U0tCM1qNsMTIcrT2
Ik ken de claim, maar ben er eerlijk gezegd niet overtuigd. De storm is een literair motief, net zoals de storm bij de Athos. Beide zijn bedoeld als voorafschaduwing van de problemen die Xerxes aan de Hellespont ondervond.
De storm is zeker een literair motief, maar je kunt tegelijk ook op letterlijk niveau lezen (zie de reactie van Robert Vermaat). Dan gaat het erom dat de leerlingen zich door hun angst laten intimideren (in plaats van gewoon te roeien en te hozen, want die stormen daar duren maar kort). En dan contrasteert dit verhaal bv. met dat van de profeet Jona die wegloopt voor zijn opdracht en ook in een storm belandt. Maar waar Jezus kennelijk de slaap der gerusten slaapt, is de slaap van Jona juist het tegendeel: hij geeft bij voorbaat op en zegt ‘Gooi mij maar overboord’. Verhalen houden ook vaak onderling discussies…
Stormen doet het op het meer van Galilea best vaak. Het meer is diep en er zijn vaak winden die van de omringende heuvels het dal instromen, warm/koud verschil ook nog.
Een prima recept voor onstuimig weer, eigen ervaring. Niet a la ‘storm op zee’ bij ons maar korte heftige golfslag, slecht voor kleine bootjes.
In klassiek Grieks heeft een substantief als predicaatsnomen geen lidwoord. Bij nalezing van het vorige stukje over dit onderwerp is dit argument niet aangevoerd. Maar ho logos èn theos kan theos dus zowel de god als een god als God betekenen. Voer voor theologen.
Dat is correct, maar hier niet van toepassing. Daarvoor moet je meer lezen dan de blog hier, nl. de grammaticale analyse van Alexander Smarius: https://brill.com/view/journals/hbth/44/2/article-p141_2.xml En in zowel het Nieuwe Testament als de Septuaginta krijgt God-met-hoofdletter consequent dat bepaald lidwoord ho(/i>. Het zijn juist theologen die over dit soort belangrijke details heenlezen…
Mijn vrouw en ik waren op Texel in een scheepvaartmuseum. Daar zagen wij een jurk uit de 16e eeuw. Die zag er nog goed uit. Die jurk zat in een kist op een schip dat gezonken is