De Codex Sinaiticus

Het einde van het Evangelie van Johannes in de Codex Sinaiticus (© Wikimedia Commons)

Iedereen die zich met de Oudheid bezighoudt, al is het nog zo oppervlakkig, weet dat we vrijwel geen boeken hebben uit die tijd. De antieke literatuur is grotendeels overgeleverd in de vorm van middeleeuwse kopieën van kopieën van kopieën. Al in de zestiende eeuw hadden geleerden in de gaten dat zo’n 80% van de manuscripten dateerde van na 800 na Chr. Dat is verre van ideaal. Weliswaar zijn er papyri, die wel komen uit de Oudheid, maar die hebben slechts zelden de lengte van een volledig werk.

Het is zoals het is, maar je zou zo graag echt oude boeken willen hebben. En dat geldt zeker voor de Bijbel, die nou eenmaal normatief is voor joden en christenen. Voor gelovige mensen was de onduidelijke tekstoverlevering zo nu en dan problematisch. Zo zijn er manuscripten met en zonder het zinnetje dat er drie zijn “die getuigen in de hemel: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”.noot 1 Johannes 5.7-8. Dit zogeheten Comma Johanneum heeft nogal wat theologische implicaties.

Lees verder “De Codex Sinaiticus”

Barnabas, de leviet van Cyprus

Recent mozaïek van Barnabas (Kykkosklooster)

De vier cirkels rond Jezus waren – zoals ik al eens heb uitgelegd – zijn algemene publiek, de leerlingen, de Twaalf en de groep die bekendstaat als de Apostelen. Die laatsten, een stuk of zeventig in getal, zond hij twee aan twee uit. De groep bleef na Jezus’ dood bestaan en belichaamt zo de continuïteit van een plattelandsmessias naar de jonge kerk. Er waren vermoedelijk echtparen bij; we kennen althans een apostel die Junia heette.

Barnabas de Leviet

Toen Paulus zich, na een wonderlijke gebeurtenis op de weg naar Damascus, had bekeerd, ging hij zichzelf apostel noemen (althans in zijn brieven; de Handelingen zijn op dit punt terughoudender). Zijn reisgenoot zou Barnabas zijn, een volgeling van het eerste uur, toen de christenen (net zoals de sekte van de Dode-Zee-rollen) nog alles gemeenschappelijk hadden bezeten.

Lees verder “Barnabas, de leviet van Cyprus”

Besnijdenis des Heren

Maria met kind (Catacomben van Priscilla, Rome)

Dat Jezus een Jood was, zal geen weldenkend mens ter discussie stellen. Lukas, wiens evangelie ik de laatste tijd aan het becommentariëren ben, vermeldt dat de baby op de achtste dag door de besnijdenis werd opgenomen in het Verbondsvolk en de naam Jezus kreeg (Lukas 2.21). Het is onmogelijk het belang van deze passage te overschatten. “Wie niet op de achtste dag wordt besneden, is geen kind van het Verbond dat de Heer sloot met Abraham,” lezen we in Jubileeën, “maar behoort tot de kinderen der vernietiging.” De auteur is er overigens ook zeker van dat de engelen besneden waren geschapen.

Het belang van de besnijdenis stond niet ter discussie, maar de rabbijnse literatuur kent wel wat discussie over detailkwesties, waarvan sommige voorspelbaar zijn: mag je bijvoorbeeld een baby besnijden op de sabbat? Ondanks deze kwesties stond niet ter discussie dat, althans voor mannelijke Joden, de besnijdenis de duidelijkste scheidslijn was tussen enerzijds het Verbondsvolk en anderzijds de Grieken en Romeinen. Uit de Griekse en Latijnse bronnen weten we dat de andere bewoners van het Middellandse-Zee-gebied de besnijdenis ook herkenden als een Joodse gewoonte. Lukas presenteert Jezus dus, voor iedereen begrijpelijk, als Jood.

Lees verder “Besnijdenis des Heren”

De Jezus van Fik Meijer (1)

Ik heb nooit over de Nederlandse oudhistoricus Fik Meijer willen schrijven. Ik ben namelijk ooit verschrikkelijk geschrokken van zijn boek Macht zonder grenzen, waarin vele tientallen feitelijke onjuistheden staan. Bijna de helft daarvan is zonder oudheidkundige vooropleiding te herkennen. Omdat mensen hun vragen het liefst via mail beantwoord krijgen, ontving ik er elke week een paar, en die stroom is nooit opgedroogd. Een nare herinnering. Daarom heb ik, als bijvoorbeeld het NRC Handelsblad me verzocht iets van Meijer te bespreken, dat doorgaans geweigerd.

Full disclosure

Het is daarom met enige aarzeling dat ik nu iets schrijf over Jezus en de vijfde evangelist, Meijers boek over de historische Jezus en Flavius Josephus. Afgezien van het feit dat ik er vooraf al van uitga dat Meijer een sloddervos is, maak ik me kwetsbaar voor het verwijt dat ik een negatief oordeel vel omdat ik zelf een boek over een soortgelijk onderwerp heb geschreven. Er is de afgelopen vier dagen echter zes keer naar mijn mening gevraagd. “Ik snap wel dat je je bezwaard voelt om er in het openbaar iets over te schrijven vanwege je eigen boek,” schreef bijvoorbeeld Yuri Visser van Historiek.net, “maar aan de andere kant ben jij daarom juist dé persoon om kanttekeningen te plaatsen.”

Lees verder “De Jezus van Fik Meijer (1)”

De vroege kerk

Over de vorig jaar overleden Géza Vermes heb ik al eens eerder een stukje geschreven. Na de Tweede Wereldoorlog was er, om voor de hand liggende redenen, meer ruimte voor het idee dat Jezus, als jood, moest worden bestudeerd in zijn joodse context. Vermes was een van de geleerden die handen en voeten gaf aan dat simpele idee, erop wijzend dat Jezus voor alles een joodse charismaticus was, zoals de profeten dat waren geweest.

Kort voor zijn dood verscheen Vermes’ Christian Beginnings. From Nazareth to Nicaea. AD 30-325, een boek dat ik een paar weken geleden op Curaçao heb gelezen. Het is een vrij conventionele maar zeker niet slechte geschiedenis van het vroege christendom. Voor de prijs, nog geen twaalf euro, hoef je het niet te laten liggen.

Lees verder “De vroege kerk”