De waarde van de klassieken

De Griekse dichter Theodoros (Archeologisch Museum Nesebar)
De Griekse dichter Theodoros (Archeologisch Museum Nessebar)

De woorden van de Engelse filosoof C.E.M. Joad (1891-1953) zijn altijd fijn om een anders saaie conversatie wat schwung te geven:

People say it is important to be able to read Latin and Greek prose and poetry in the original. A lot of snobbish nonsense! Classical literature is good, but it isn’t half as good as ours.

Helaas is de hiermee ontketende discussie nogal voorspelbaar.

  1. U zult merken dat aanvankelijk iedereen denkt dat het onmogelijk valt vol te houden dat moderne poëzie beter is dan oudere;
  2. vervolgens zullen er mensen zijn die erop wijzen dat mensen steeds belezener worden, zodat dichters clichés beter herkennen, waardoor ze sprankelender, verrassender en dus beter schrijven;
  3. hierna zal iemand opmerken dat je, als je er zo naar kijkt, antieke poëzie meet aan een moderne maatstaf;
  4. en tot slot zal iemand constateren dat dat niet in strijd is met Joads bewering.

Het is te hopen dat er daarna iemand is die opmerkt dat theoretische bespiegelingen de discussie niet verder brengen, en dat die iemand dan gewoon een gedicht voordraagt. Bijvoorbeeld dit:

Meedogenloze Hades!
Hymnis, dochter van Euandros,
bekoorlijk meisje, negen jaar,
altijd lieftallig troetelkind des huizes:
door u geroofd!
Waarom zo vroeg de dood naar haar gestuurd?
Eens wordt zij hoe dan ook de uwe, toch?

Dit is een kort gedichtje – de vakterm is epigram – van Krinagoras, die leefde in de tijd van keizer Augustus. Het is opgenomen in de verzameling die bekendstaat als de Anthologia Graeca, die momenteel door de Vlaamse classicus Patrick Lateur wordt vertaald. Hij plaatst elke maandag enkele voorbeelden op zijn Facebookpagina en maakte ook de bovenstaande vertaling. Mocht u het willen nazoeken: het is 7.643.

Is dit nou een goed gedicht? Het verwijt aan de dodengod dat hij iemand te vroeg heeft gehaald, verdient – om er ook maar eens een gemeenplaats tegenaan te gooien – de originaliteitsprijs niet, en de complimenten aan het meisje zijn ook van een ontluisterende voorspelbaarheid. Je snapt wat een Joad tot zijn conclusie bracht.

De slotzin bevat echter een verrassende gedachte, die het grafschrift de moeite van het lezen waard maakt. Het gedicht biedt echter niet méér dan een verrassing. Het in de begin- en slotzin aan Hades gemaakte verwijt zegt ons immers, omdat wij niet geloven in de antieke Griekse goden, heel weinig. Naar keuze: als eenentwintigste-eeuwers zien wij het anders dan Krinagoras; als eenentwintigste-eeuwers weten we méér dan Krinagoras; als eenentwintigste-eeuwers weten wet het gewoon beter dan Krinagoras.

Hieronder is een ander voorbeeld uit de genoemde collectie: grafschrift 7.741, gewijd aan de Romeinse soldaat Arrius, in een vertaling van de Nederlandse classicus Hein van Dolen. In de eerste regel worden twee beroemde Griekse helden genoemd, vervolgens volgt een beschrijving van een aan hen gelijke Romein en tot slot is er – opnieuw – een sterke slotzin, waarin duidelijk wordt gemaakt op welk punt de drie mannen overeenstemmen.

Denk eens aan Othryades, de befaamde Spartaan,
Kynegeiros, held van de zee, en de roem, ooit op een slagveld vergaard.
Zo heeft Italië Arrius, dapper zijn werpspiesen drillend.
Door vele pijlen doorboord lag hij op sterven na dood,
tot hij ontdekte hoe vijanden zich aan het vaandel vergrepen.
Toen sprong hij op en verliet allen, door Ares gedood.
Dapper doorstak hij de dief, gaf het veldteken terug aan de leiding.
Hij is de enige die onoverwonnen bezweek.

Het laat me niet helemáál onberoerd, maar dit is geen poëzie die ik elk jaar herlees, zoals ik met The Waste Land wel doe. Het is immers een cliché dat soldaten onverslagen ten onder gaan. Afgezien van de ingetrapte open deur: dit is geen thematiek die me werkelijk raakt. Ik leef in een wereld waarin oorlog iets onvoorstelbaars is geworden. (Ja, ik weet dat er in de Oekraine iets op ontploffen staat. Maar nee, ik kan me niet voorstellen wat dat inhoudt.)

Het probleem met antieke literatuur is dat ze afkomstig is uit een andere cultuur. Het voornaamste verschil tussen toen en nu is dat wij niet alleen over meer, maar ook over accuratere informatie beschikken, zelfs als we sommige ervaringen (zoals oorlog) kwijt zijn geraakt. Afgezien van de gevolgen die die kennisvoorsprong heeft voor onze materiële cultuur en onze mogelijkheid humaner met elkaar om te gaan, zijn er voor de tekstuitleg twee gevolgen. Enerzijds: doordat wij meer kennis bezitten van meer soorten literatuur, herkennen wij in de antieke literatuur het ene cliché na het andere. Anderzijds: doordat wij meer en accuratere kennis bezitten, vinden wij de aangesneden thema’s oninteressant.

Zeker, we kunnen genieten van een verrassende slotzin, en ik lees antieke teksten doorgaans met plezier, maar zoals u niet wild-enthousiast zult zijn om een laat-twintigste-eeuwse roman over het vroeg-twintigste-eeuwse thema van de onttovering van de wereld, zo sluit de thematiek van antieke literatuur niet meteen aan op uw belangstelling. We herkennen regelmatig thema’s die voor ons relevant zijn – de framing van de vijand in Tacitus’ Germania schiet me momenteel als eerste te binnen – maar het blijft een herkennen. We kunnen alleen zien in een antieke tekst wat aansluit op onze gedachtencategorieën, die zijn ontstaan in het heden. Dat doet sterke afbreuk aan het belang van de klassieken.

Heeft Joad dus gelijk? Ja en nee. Dat wat wij méér weten, is immers een traditie waarvan ook onze voorgangers deel uitmaken. Zij zijn dat wat wij weten. Als onze literatuur aansprekender is, is het omdat we profijt hebben van hun tastende zoeken.

Het beroemde citaat in de voorvorige volzin bewijst uiteraard dat ik een idee ontleen, ja overneem, aan diezelfde traditie. Daarmee bied ik een tweede argument waarom Joad ongelijk heeft, en dat is een heel, heel traditioneel argument. Immers, wij weten het niet alleen vaak beter dan onze voorgangers doordat wij hen kennen, maar ook doordat zij het soms gewoon bij het rechte eind hadden.

9 gedachtes over “De waarde van de klassieken

  1. Knotwilg

    Als wiskundige maar ook om esthetische redenen protesteer ik krachtig tegen de zinsnede “Ja en nee”.

    Sinds ik samenwoon met een geschoolde neerlandica, besef ik beter dat elke esthetiek contextafhankelijk is. Middelnederlandse verhalen komen de moderne lezer over als gespeend van enige humor. Het tegendeel is waar. Echter, de toespelingen op bijvoorbeeld seksueel verkeer – een universeel humoristisch thema – zijn zo bedekt en maken dermate gebruik van vergane symboliek, dat zij voor de moderne lezer al te bedekt zijn om nog te smaken. En wanneer men de grap dan uitlegt, zoals u weet, is het niet grappig meer.

    1. mnb0

      “vergane symboliek”
      Dat is een veel groter probleem. Maar Krinagoras doet dat nauwelijks en het kost niet veel moeite er achter te komen wat hij met Hades bedoelt.

  2. mnb0

    Op punt 2 zou ik dan antwoorden: de antieke dichters hadden het voordeel van frisheid, net zoals de Beatles en de Stones fris waren en hun navolgers uit de jaren 90 niet.

    “verdient de originaliteitsprijs niet”
    Nee? Wie deed het dan voor hem?
    Nou ben ik maar een heel simpel mens aangaande poëzie. Juist dat het gedichtje is zo direct is en zo weinig poespas bevat spreekt me aan.

    “dit is geen thematiek die me werkelijk raakt”
    Mij ook niet, maar dat heeft een andere reden. Ik heb nl. de directe gevolgen van de Surinaamse Burgeroorlog gezien. Dat was kinderspeeltuin, maar erg genoeg om volstrekt niet onder de indruk te kunnen raken van oorlogsheroiek.
    Ik neem je conclusie meteen aan, hoor. Maar in onze tijd verliezen we ook nog steeds kinderen op een veel te jonge leeftijd. Misschien is het omdat een oud-leerling van mij zichzelf heeft opgehangen. Ik kan relateren aan het gevoel dat Krinagoras uitdrukt. Alban Berg schreef er een vioolconcert over.

    1. Mnb0:

      Nou ben ik maar een heel simpel mens aangaande poëzie. Juist dat het gedichtje is zo direct is en zo weinig poespas bevat spreekt me aan.

      Dat heb ik ook. Als het al te bloemrijk/impressionistisch wordt dan volg ik het niet meer. Ik heb poëzie het liefst grammaticaal correct en zonder al te veel bijvoeglijke naamwoorden.

      1. …en of ’t alsjeblieft door rijm of metrum herkenbaar mag zijn als poëzie. Voor opgehakt proza doe ik ’t niet. Zo kun je elke willekeurige tekst aan flarden knippen & claimen dat ’t poëzie is.

Reacties zijn gesloten.