Vandalisme

Naqš-e Rajab: kapotte gezichten en een kapot paardenbeen
Naqš-e Rajab: kapotte gezichten en een kapot paardenbeen

Naqš-e Rajab is een klein archeologisch monument op de vlakte waarop ook de Iraanse ruïnestad Persepolis en de koningsgraven van Naqš-e Rustam liggen. De vier rotsreliëfs in Naqš-e Rajab dateren uit de derde eeuw n.Chr. en zijn in het verleden tweemaal door vandalen aangevallen.

De eerste keer heeft iemand met een mokerhamer staan slaan op de gezichten van enkele hovelingen. De verweerdheid van de steen maakt duidelijk dat het al lang geleden is gebeurd. De tweede keer is recenter: iemand heeft met een drilboor een paardenbeen kapotgemaakt. Ik heb me laten vertellen dat dat in 1979 was, tijdens de Iraanse Revolutie. De dader moet er een nacht mee bezig zijn geweest en is er toen maar mee opgehouden: de vernietiging van het erfgoed uit de Tijd der Onwetendheid bleek arbeidsintensiever dan gepland.

Dit is één van de enige twee mij bekende voorbeelden van recent vandalisme uit Iran. Het andere betreft Pasargadai, waar de bewaker op een nacht – ergens rond 2000 – twee Italianen betrapte die met een slijptol probeerden een pilaar te slopen. Begrijp ik het goed, dan mochten ze hun zonden overdenken in de gevangenis in Shiraz.

Ik durf de stelling wel aan dat het voorislamitische erfgoed in Iran redelijk wordt beschermd. Ik zeg niet dat het perfect wordt beschermd, maar het gebeurt in elk geval een stuk beter dan je zou afleiden uit de berichtgeving op internet. Met wat handig googlen vind je vrij gemakkelijk berichten over vandalisme. Negen van de tien berichten is regelrecht onwaar en het tiende bericht is overdreven.

Fotomontage ter illustratie van de niet-dreigende gevaren voor Pasargadai
Fotomontage ter illustratie van de niet-dreigende gevaren voor Pasargadai

Zo deden lange tijd geruchten de ronde dat de Iraanse autoriteiten, die inderdaad een stuwdam in de rivier de Sivand aan het bouwen zijn, dit vooral doen om Pasargadai onder water te zetten, waar de Perzische koning Cyrus de Grote ligt begraven. De motivatie van de autoriteiten zou ook bekend zijn:

Het voorislamitische verleden van Iran en Irans niet-islamitische nationale identiteit en erfgoed hebben de geestelijken altijd vervuld met walging. In 1979 begonnen de ayatollahs in Teheran, in het kader van een de-Iranisatie-campagne, met de uitvoering van hun diabolische plan om het voorislamitische verleden van Iran te vernietigen en uit te wissen uit het bewustzijn van de Iraanse natie.

Er is nog steeds een werkgroep die Pasargadai zegt te willen redden, maar veel heeft die niet te doen, aangezien die stuwdam ruim veertig kilometer verderop ligt en geen stuwmeer creëert dat zich uitstrekt tot Pasargadai. De werelderfgoedsite is alleszins redelijk onderhouden en wordt nog steeds verbeterd. Nog niet zo lang geleden zag ik Afghaanse arbeiders aan het werk die met betrekkelijk simpele middelen een weg aan het slopen waren, om zo te verhinderen dat de trillingen van het verkeer de monumenten beschadigden.

Iwan-e Karkheh (2009)
Iwan-e Karkheh (2009)

Ander voorbeeld: Iwan-e Karkheh. Dat is een laat-Sassanidische site, niet heel beroemd, die in gebruik zou zijn genomen als vuilnisbelt. Ik ben er eens wezen kijken: geen vuilnis te zien. Wel een verveelde bewaker, die maar wat blij was bezoekers te krijgen en meteen thee voor ons begon te zetten.

Nogmaals: ik zeg niet dat alles perfect is geregeld. Iran is de heilstaat niet. Wat ik wel zeg is dat de berichten over vernietiging van het voorislamitische erfgoed in Iran zwaar zijn overdreven. Ze worden de wereld in geholpen door propagandaclubjes die ik niet groter zal maken dan ze al zijn door ernaar te linken, maar die uitdragen dat het zuiver-Iraanse (“Arische”) verleden van het land wordt bedreigd door de (islamitische, Arabische) geestelijkheid. Deze vorm van nationalisme gaat terug op de regering van de Sjah, die graag een seculier, Perzisch, niet-islamitisch land zag; de aanhangers van dit beeld hebben voor hun trouw aan hun koning als prijs moeten betalen dat ze in ballingschap moesten – ze zijn wat dat betreft eerder beklagenswaardig dan boosaardig.

***

De schade die hun haatpropaganda toebrengt aan Iran, valt wel mee. Steeds meer toeristen stellen met eigen ogen vast dat het voorislamitische erfgoed redelijk wordt beschermd. De feitelijke schade van de propaganda zou wel eens heel ergens anders kunnen zitten: berichten dat de sjiieten die duivelse overblijfselen uit de Tijd der Onwetendheid zo succesvol kapotmaken, kunnen de inspiratie zijn geweest van de soennitische beweging ISIS, die nu al een klein jaar vrij consequent voorislamitisch én sjiitisch erfgoed sloopt. Tot op heden doet ISIS, althans voor zover het de omgang met het erfgoed betreft, precies wat de Iraanse nationalisten de islamitische republiek hebben aangewreven.

Imitatie zal niet de enige factor zijn. De plundering van het museum van Bagdad zal de aanhangers van ISIS hebben geleerd dat Europese, Amerikaanse en Russische handelaren gestolen oudheden kopen, terwijl de meer recente ervaringen in Egypte duidelijk zullen hebben gemaakt dat deze vorm van oorlogsfinanciering volstrekt risicoloos is. Wie kijkt naar de beelden van de vernietiging van het museum in Mosul en de ruïnes van Hatra, moet steeds bedenken dat dit slechts het onverkoopbare materiaal betreft en dat het feitelijke misdrijf – de verkoop en heling van oudheden – al eerder heeft plaatsgevonden.

Maar ook al kunnen we het vandalisme het beste bekijken vanuit het perspectief van de illegale handel in oudheden, er zijn meer dimensies, zoals de combinatie van anti-Iraanse propaganda en de sjiitisch-soennitische rivaliteit. Ik sluit niet uit dat de ellende in de soennitische landen voortkomt uit dolgedraaide antisjiitische propaganda.