Alexander de Grote in Gaza

Achilleus onteert het lijk van Hektor (Nationaal Museum, Beiroet)

Oorlog in Gaza – ik kan me voorstellen dat de lezer die toevallig vandaag op deze blog belandt, vermoedt dat het over recente gebeurtenissen gaat. Maar ik schrijf over de Oudheid, en dit is een aflevering uit een reeks over Alexander de Grote, die we in het vorige blogje hebben achtergelaten bij Tyrus. Hij had de Fenicische havenstad na een maandenlange belegering ingenomen en de verdedigers op het strand gekruisigd.

Toen hij ook de Tyrische vrouwen en kinderen, voor zover die niet naar Karthago hadden kunnen ontkomen, als slaven had verkocht, liet hij in Tyrus een garnizoen van gewonde Macedoniërs achter, die de puinhopen maar moesten zien te veranderen in een bewoonbare stad. Vervolgens trok Alexander verder naar het zuiden.

Lees verder “Alexander de Grote in Gaza”

Akousilaos en Ferekydes

Kleio, muze van de geschiedschrijving (Landesmuseum, Trier)

Omdat het oude Sparta werd geregeerd door twee koningen, waren er ook twee koninklijke families, waarvan iedereen wist dat ze teruggingen op de halfgod Herakles. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vermeldt hun stambomen als hij de twee Spartaanse koningen introduceert die streden tegen de Perzen, Leonidas en Leotychidas.noot Herodotos, Historiën 7.204 en 8.131.

Het grappige is dat beide lijsten achttien generaties lang zijn. Dat is iets te mooi om waar te zijn. Weliswaar moet de afstand tussen twee historische koningen en hun gedeelde voorouder, legendarisch of niet, in jaren gelijk zijn, laten we zeggen 18×30=540 jaar, maar menselijkerwijs loopt het aantal generaties na zoveel tijd niet meer synchroon. Dit is een verdraaid sterke aanwijzing dat er iets niet klopt. Een andere aanwijzing is dat volgens Herodotos de Trojaanse Oorlog acht eeuwen voor zijn tijd had plaatsgevondennoot Herodotos, Historiën 2.53.  en dat Herakles dáár voor had geleefd, wat betekent dat die achttien generaties zo’n halve eeuw lang moesten zijn geweest.

Lees verder “Akousilaos en Ferekydes”

Mopsos

Hiërogliefisch Luwische inscriptie uit Karatepe

De oude Grieken hadden verhalen over een legendarische held Mopsos, die werkte als ziener in Klaros, in het westen van het huidige Turkije. Na de verwoesting van Troje zou hij de gastheer zijn geweest van enkele Griekse krijgers, waaronder de Griekse waarzegger Kalchas. De twee futurologen deden een wedstrijdje wie het meeste wist, en kort nadat Mopsos had gewonnen, overleed Kalchas.

Daarop trok Mopsos naar het oosten, richting Syrië en Fenicië. In Cilicië zou hij enkele steden hebben gesticht, zoals Mopsoukrenai (“Mopsosbronnen”) en Mopsouestia (“Mopsoshaard”). Volgens de Grieks-Romeinse geograaf Strabon regeerde de ziener vanuit de stad Mallos, ten zuidoosten van het huidige Adana; Ploutarchos meldt dat er in zijn tijd, begin tweede eeuw na Chr., in Cilicië nog een orakel van Mopsos was.

Lees verder “Mopsos”

Euripides

Euripides (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

In eerdere stukjes heb ik het gehad over Aischylos en Sofokles, twee grote Atheense tragici. Van hen zijn tweemaal zeven toneelstukken over. Met Euripides, de derde treurspeldichter uit het rijtje, zijn het er niet minder dan achttien. Ik zal straks uitleggen hoe dat zo is gekomen, mar eerst iets over de man en zijn oeuvre.

Kluizenaar

Hij debuteerde in 455 v.Chr. en was niet werkelijk succesvol. Hij won maar vier keer de jaarlijkse toneelwedstrijd ter ere van Dionysos en verliet op hoge leeftijd zijn vaderstad om in Macedonië te gaan wonen. Daar is hij in 406 overleden. Waar Aischylos zich erop beroemde een rol te hebben gespeeld in de slag bij Marathon – naar verluidt zou Marathonstrijder het enige woord op zijn graf zijn geweest – en waar Sofokles de Atheense wetten had helpen herschrijven in een crisissituatie, koos Euripides voor een meer teruggetrokken leven. De kluizenaar zou een grote persoonlijke bibliotheek hebben gehad – de oudste privécollectie boeken waarvan we weten.

Lees verder “Euripides”

De dood van Priamos

De moord op Priamos (Allard Piersonmuseum, Amsterdam)

De Ilioupersis, “de val van Troje”, was een van de twaalf heldendichten uit de Epische Cyclus, waarin de Grieken hun tradities verzamelden over hun verre verleden. De twee boekrollen van dit gedicht, gecomponeerd door ene Arktinos van Milete, zijn helaas verloren, maar we hebben nog twee uittreksels, ontelbaar veel afbeeldingen en een tiental citaten. Hierdoor kunnen oudheidkundigen toch reconstructies maken. We hebben bovendien literaire hommages én parodieën.

We weten bijvoorbeeld dat het gedicht een scène bevatte waarin Achilleus’ zoon Neoptolemos de Trojaanse koningsburcht binnenstormt, de paleisdeuren forceert en aankomt in een vertrek waar koning Priamos probeert zijn harnas aan te trekken. De grijsaard vlucht naar een altaar, waar de Griekse krijger hem afslacht.

Lees verder “De dood van Priamos”

Troje is nooit veroverd!

Portret van een sofist, tijdgenoot van Dio van Prusa (Louvre, Parijs)

Het moet geweldig zijn geweest om mee te maken, zo’n avond in een Romeins odeon, als daar het optreden was van een sofist. Je kunt dat laatste woord vertalen als “concertredenaar”: een spreker die zijn publiek vermaakte met een mooie redevoering. Die kon gaan over een historisch onderwerp (“Leonidas spoort zijn manschappen aan te strijden tot de dood”) maar ook over een onzinonderwerp. Een voorbeeld daarvan is Synesios’ “Lof van de kaalheid”, waarvan ik de vertaling ooit online heb geplaatst. Een sofist kon dus de rol spelen van Spartaanse koning of van buutereedner, en alles wat daartussen zat, zoals politiek activist of filosoof.

De Trojaanse Redevoering van Dio van Prusa (Dion Chrysostomos, Dio Cocceianus, Guldenmond… kies maar een weergave) is het werk van een sofist die de rol aanneemt van een buutereedner die speelt dat hij een activist is die doet alsof hij geschiedkundige is. Dat klinkt complexer dan het is. Dio betoogt dat de Grieken er nooit in zijn geslaagd Troje in te nemen: een historisch ogende redenering die moet doorgaan voor lokaal politiek activisme maar feitelijk is bedoeld als vermaak.

Lees verder “Troje is nooit veroverd!”

Polybios (3): Het menselijk bestaan

De zogenaamde Cato uit Otricoli (Torlonia-collectie, Rome)

[Derde deel in een korte reeks over Polybios van Megalopolis. Het eerste deel was hier.]

In 151 v.Chr. losten de Karthagers de laatste termijn af van de herstelbetaling die zij na de Tweede Punische Oorlog (218-201) aan Rome verschuldigd waren. Vrijwel onmiddellijk verklaarde Rome opnieuw de oorlog. Dat had weinig te maken met angst voor Karthaags herstel, al is er een populair misverstand dat Cato de Oudere zijn medesenatoren ten oorlog had geceterocenseood. De feitelijke reden was dat de macht van koning Massinissa van Numidië te groot werd. Rome kon zich niet permitteren dat hij ook Karthago in handen kreeg.

Dus staken de legionairs in 149 v.Chr. de Middellandse Zee over en sloegen het beleg op voor Karthago. De Derde Punische Oorlog was begonnen. Het bleek een moeilijke operatie die eindeloos aansleepte, tot Scipio Aemilianus, die tijdens een van de Keltiberische oorlogen een reputatie had opgebouwd als eerlijk en bekwaam bevelhebber, het commando kreeg. Polybios bevond zich in het gezelschap van zijn vriend en was getuige van de bestorming van de stad. De plundering zou een halve maand duren. Dit deel van Polybios’ Wereldgeschiedenis is verloren maar een fragment is nog te vinden bij Appianus van Alexandrië.

Lees verder “Polybios (3): Het menselijk bestaan”

“Briljante” nieuwe inzichten

“Ja natuurlijk, maar Schliemann was ook geen archeoloog”: ik weet niet meer hoe vaak ik dat zinnetje heb gelezen. Of iets dat erop lijkt. En steeds dezelfde context: iemand denkt een briljant inzicht te hebben, mailt me, wil dat ik er aandacht aan besteed en is verbolgen als ik uitleg dat ik er onvoldoende van verwacht om er mijn (en uw) schaarse tijd aan te besteden. Dat is geen kwaaie wil mijnerzijds, en ongetwijfeld wil ook u álles lezen, maar iedereen heeft meer te doen dan alles lezen. En we mogen sceptisch zijn over claims dat Dorestad eigenlijk Doornik is, dat de Feniciërs in Brazilië zijn geweest, dat Varus ten onder is gegaan bij Oberhausen en dat de kerstster valt te identificeren met deze of gene komeet. Allemaal heel boeiend. De beste verhalen zijn de verhalen die niemand anders vertelt. Maar dat maakt ze niet per se waar.

Opleiding en vakliteratuur

Elke gedachte valt te overwegen, zeker, maar op voorhand zijn sommige gedachten plausibeler dan andere. Bijvoorbeeld als degene die een nieuw idee oppert, ervoor heeft doorgeleerd. Een oudheidkundige opleiding is geen noodzakelijke voorwaarde om kwaliteit te leveren, maar helpt wel. Ook is de kans dat iemand een goed nieuw idee heeft, groter als zo iemand de vakliteratuur kent. En dan bedoel ik niet alleen Engelstalige publicaties, maar ook artikelen en boeken in het Duits en Frans. Als het gaat over de historische achtergrond van de Trojaanse Oorlog, wil ik verwijzingen zien naar publicaties over Wiluša.

Lees verder ““Briljante” nieuwe inzichten”

Het schild van Achilleus (2)

[Tweede deel van een stuk over pseudowetenschap, wetenschap en wetenschapscommunicatie. Het eerste was hier.]

Speculaties

Oudheidkunde kenmerkt zich door dataschaarste en dus speculatie. De waarde van het vak is dat je leert nadenken over die onzekerheid en dan kom je al snel bij het onderscheid tussen speculaties over gedocumenteerde en ongedocumenteerde verschijnselen. Ik zal het uitleggen aan de hand van een voorbeeld.

Een classicus kan, als hij op een onbekend woord stuit, speculeren dat het gaat om een bekend maar ongebruikelijk gespeld woord. Hij of zij weet namelijk dat spelfouten bestaan. De diverse typen zijn in kaart gebracht. (Ik zal nog bloggen over zaken als permutatie, dittografie, haplografie.) De classicus kan dus speculeren over het rare woord door te verwijzen naar een verschijnsel dat goed is gedocumenteerd.

Lees verder “Het schild van Achilleus (2)”

Het schild van Achilleus (1)

Hefaistos en Thetis met de nieuwe wapenrusting van Achilleus (Musée royal de Mariemont, Morlanwelz )

Er valt iets te zeggen vóór pseudowetenschap. De theorieën zijn vaak origineel en tonen de menselijke fantasie op haar mooist. Bovendien vinden pseudowetenschappers, steeds op zoek naar argumenten, hun aanwijzingen overal. Ze denken interdisciplinair en dat is goed. Pseudowetenschap daagt je daardoor uit na te denken over wat echte wetenschap is. Als je die uitdaging echter aangaat, lopen de rillingen je over het lijf.

Alle redenatiefouten die je aanwijst in een pseudowetenschappelijke theorie, zie je namelijk ook in de officiële wetenschap (wat dat ook moge zijn). Je zou willen zeggen dat de peer-review weliswaar niet onfeilbaar is maar excessen toch verhindert, maar je kent legio voorbeelden van het tegendeel. Je zou willen zeggen dat het zelfreinigend vermogen van de academische wetenschap blunders uiteindelijk corrigeert. Alleen weet je dat dit verrotte langzaam gaat of onvolledig is. Je zou willen zeggen dat de toetsing aan de empirie uiteindelijk allesbeslissend is. Maar je weet dat dat in de oudheidkunde niet gaat. Er is immers dataschaarste en dus onvoldoende empirie.

Lees verder “Het schild van Achilleus (1)”