Een zegel uit Pylos

Zegel uit Pylos (foto © Jeff Vanderpool/University of Cincinnati)

Als iets te mooi is om waar te zijn, is het meestal niet waar. En simpele aforismen om informatie terzijde te schuiven, zoals in de vorige volzin, zijn meestal te simpel. Een voorbeeld is de bovenstaande gem: een gesneden steen die gebruikt werd als zegel. Gevonden in Pylos in het graf van iemand die rond 1450 v.Chr. moet zijn overleden.

U leest hier en daar waarom dit te mooi is om waar te zijn. Het lijkt eigenlijk wat te gedetailleerd om met vijftiende-eeuwse technieken te zijn gemaakt. Misschien, zo oppert een van de betrokkenen, had de maker een oogafwijking waardoor hij op korte afstand scherper zag dan andere mensen. Je zou ook kunnen overwegen dat het voorwerp een vervalsing is, ware het niet dat het afkomstig is uit een gecontroleerde opgraving.

Lees verder “Een zegel uit Pylos”

De Trojaanse Oorlog (3)

Mykeense dolk met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
Mykeense dolk met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Aan het begin van de twintigste eeuw ontdekte de Britse archeoloog Arthur Evans op Kreta het verband tussen het oude Nabije Oosten en Mykeens Griekenland. Het paleis van Knossos dat hij opgroef, leek in weinig op de Mykeense burchten, al was het ruwweg even oud. Het leek weer wél op de paleizen die waren gevonden in de Oriënt. Ook groef Evans kleitabletten op, het oosterse schrijfmateriaal bij uitstek.

Het bleek te gaan om twee soorten schrift, zakelijk aangeduid als Lineair-A en Lineair-B. Ik heb er al eens over geblogd. Aangezien er geen “twee-schriftige” teksten werden gevonden die in zowel zo’n lineair schrift als in een al ontcijferd schrift waren geschreven, bleven de nieuw ontdekte teksten onvertaalbaar. Het raadsel werd niet opgelost toen Carl Blegen, de man die (zoals we al zagen) in Troje had gegraven, in 1939 meer Lineair-B-inscripties vond, dit keer in Pylos op de Peloponnesos.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (3)”

De Trojaanse Oorlog (2)

Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.
Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Heinrich Schliemann was niet alleen actief in Troje. Hij werkte ook in verschillende steden op het Griekse vasteland, waar hij de enorme burchten onderzocht van wat nu de Mykeense beschaving wordt genoemd: een Bronstijdcultuur die tussen pakweg 1600 en 1200 had bestaan op het Griekse vasteland. De indrukwekkende graven toonden dat de Mykeense vorsten zich graag hadden gepresenteerd als krijgers.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (2)”

Oudheidkundige prietpraat

De riviergod Acheloös; bronsje uit Tarquinia dat verder niet zoveel met dit stukje heeft te maken maar wel uit de juiste stad komt. Nu te zien in de Villa Giulia, Rome.

Twee jaar geleden werd in Tarquinia in Italië een mooi Etruskisch graf gevonden. Het had alles om een goed verhaal te vertellen, zoals een nog bewaard grafmaal (zie foto). Mooi, zou je denken, maar nee, het was nog niet spectaculair genoeg. De opgravers identificeerden het graf meteen als dat van een prins van koninklijke bloede en een familielid, misschien wel een broer, van de vijfde koning van Rome, Tarquinius Priscus.

In Italië wordt namelijk alles wat wordt opgegraven toegeschreven aan een uit de bronnen bekend persoon. Klaarblijkelijk zijn de aannames van de Italiaanse archeologie dat alle personen die ooit hebben bestaan, in onze bronnen staan vermeld, en dat archeologie geen bewijs kan leveren dat onafhankelijk is van geschreven bronnen. Als classici en oudhistorici het potentieel van de archeologie zo slecht begrijpen, lach je erom, maar in Italië zijn het de archeologen zelf en dat is om te huilen.

Lees verder “Oudheidkundige prietpraat”