MoM | Kwantificerende numismatiek

Antiochus X Eusebes (Archeologisch Museum van Antakya)

Numismatiek is de deftige naam voor de bestudering van munten. Eeuwenlang bleef deze activiteit beperkt tot wat in feite kunstgeschiedenis was: kijken naar de afbeeldingen. Dat is een waardevolle activiteit. Zo slaagden oudheidkundigen er tijdens de Renaissance in de muntportretten te identificeren met sculptuurportretten, wat het vervolgens mogelijk maakte antieke beeldhouwkunst te dateren. In de zeventiende en achttiende eeuw bewezen oudheidkundigen, zich baserend op munten, dat sommige koningen echt hadden geregeerd en in de negentiende en twintigste eeuw werden munten gebruikt om de propaganda van de heersers te reconstrueren. Je kunt munten echter ook tellen.

Een munt wordt geslagen met twee stempels. De ene, met de afbeelding die op de voorkant van de munt komt, rust op het aambeeld. De andere, met de keerzijde, wordt over de eerste gelegd en vangt de klap van de hamer op. De bovenstempel slijt sneller dan de onderstempel. Dat levert steeds weer andere combinaties (“stempelkoppelingen”) op, die numismaten gebruiken om de volgorde te reconstrueren waarin munten zijn geslagen. Zie het plaatje hieronder.

Onderstempel A werd eerst gecombineerd met bovenstempel a en toen die versleten was met bovenstempel b. Die was nog niet op toen onderstempel A aan vervanging toe was, zodat bovenstempel b nog even werd gebruikt met onderstempel B, die later werd gebruikt met de bovenstempels c en d. Zo krijg je dus combinaties als Aa, Ab, Bb, Bc, Bd enz.

In 1984 werd voor het eerst geprobeerd met stempelkoppelingen het antieke geldvolume te bepalen. Je kunt het aantal bekende voorzijdes immers vermenigvuldigen met het aantal munten dat gemiddeld per stempelkoppeling werd geslagen. Dit leidde tot interessante ontdekkingen. Doordat numismaten nu grove uitspraken konden doen over de totale hoeveelheid munten die in omloop was, konden ze voorzichtig vaststellen dat de antieke heersers hebben geprobeerd de economie enigszins te reguleren door veel of weinig munten aan te maken. Het zou te ver gaan te zeggen dat de toenmalige autoriteiten een heus stimuleringsbeleid voerden, maar ze stonden niet helemáál met lege handen.

Interessant was ook de conclusie dat de burgeroorlogen na de dood van Alexander de Grote ten einde kwamen toen al het edelmetaal was gemunt dat de Macedoniërs op de Perzen hadden buitgemaakt. Anders gezegd, de slag bij Ipsos in 301 v.Chr. was beslissend omdat daarna het geld op was.

Minstens even fascinerend is de constatering dat van enkele Seleukidische koningen, bijvoorbeeld Antiochus X Eusebes, te veel stempelkoppelingen bekend zijn om te passen in hun verondersteld korte regeringsduur. Zulke heersers moesten langer hebben geregeerd dan tot dan toe was aangenomen, wat leidde tot een herziening van de chronologie van de periode tussen 121 en 64 v.Chr.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

10 gedachtes over “MoM | Kwantificerende numismatiek

  1. Manfred

    “Het zou te ver gaan te zeggen dat ze een heus stimuleringsbeleid” …

    Uh oh, de blogkever is je teksten aan het opeten. Je meer letters met punten en stekels gebruiken zoals de k, x en w, die vinden ze niet lekker.

    1. Dit is bizar. Ik herinner me dat ik gisteren heb geaarzeld over “helemaal” of “helemáál” en dat ik die woorden dus heb opgeschreven. Maar ze zijn dus opgegeten. Heel vreemd!

      Dank voor je correctie.

  2. Hans van der Valk

    Als muntenverzamelaar met belangstelling voor achtergrond kan ik vaststellen, dat hier meer over te vertellen is.

  3. Roger Van Bever

    Zeer interessant stuk! Ik las pas S.P.Q.R. van Mary Beard en vond daar een gelijkluidend verhaal.

    …Doordat numismaten nu grove uitspraken konden doen ….

    Enkele opmerkingen en vragen hierover:

    – Ik neem aan dat er in de periferie van het rijk ook aan ruilhandel gedaan werd, waar geen munten aan te pas kwamen. Een pure ruileconomie bestaat waarschijnlijk niet echt (zie Wikipedia). Ik vermoed dat niet bekend is welk deel van de economie die ruilhandel binnen het rijk uitmaakte.
    – Hoe losten de Romeinen het muntprobleem op in gebieden waar al andere munten circuleerden. Heeft ooit iemand daarover geschreven?
    – Bestonden er ook zgn. gelegenheidsmunten bij de Romeinen?
    – Hebben we een vermoeden hoeveel munten er nog in de grond zitten?
    – De Chinezen zijn de eerste geweest om papiergeld te gebruiken, de Romeinen hebben dat voor zover mij bekend niet gedaan. Daar kunnen veel redenen voor geweest zijn.Te duur (papyrus) om te maken? De Chinezen maakten het veel goedkoper. Omdat papiergeld fiduciair geld is, zou de vraag kunnen zijn of er een centraal banksysteem in Rome geweest is dat de nominale tegenwaarde in muntgeld garandeerde. Volgens Mary Beard zijn er een paar gekke dingen aan de hand: in de eerste eeuw BCE zijn er minder munten in omloop. De verklaring hiervoor is onduidelijk.
    – Resteert de vraag hoe de Romeinen aan monetair beleid konden doen. Wie mocht er geld munten en in omloop brengen, etc. Het zilvergehalte van de denarius werd steeds lager in de keizertijd. Dit bespaart de staat kostbare grondstoffen, maar had dit ook gevolgen op de koopkracht van?

  4. jacob krekel

    Kun je op basis de hoeveelheid gevonden munten uit een bepaalde periode iets zeggen over de hoeveelheid geld in omloop? Ik heb ooit gelezen dat een van de problemen van het Romeinse rijk was dat ze eeuwenlang een tekort hadden op de betalingsbalans (ook toen al met China), met als gevolg een krimpende economie. Of is het toeval van wat je wel c.q. niet terugvindt zo groot dat obv verschillende aantallen munten uit verschillende perioden geen conclusies te trekken zijn? (vgl het stimuleringsbeleid waar in bovenstaand artikel sprake van is. De vraag is dan wel waar het metaal vandaan kwam om nieuwe munten te slaan).
    Als in de laatste jaren van de 4e eeuw vC er inderdaad sprake was van grote hoeveelheden nieuw geld – door het in omloop brengen van het Perzisch goud in de vorm van munten – dan zou uit andere bronnen moeten blijken dat de economie toen sterk groeide, dan wel dat er sterke inflatie optrad (zoals in de 16e eeuw door het Amerikaans zilver). Je zou bovendien verwachten dat dat nieuwe geld ook voor een deel werd opgepot, en dat dus er onevenredig veel muntschatten uit het begin van de 3e eeuw geweest moeten zijn

  5. De zgn. ‘die-studies’, waar Jona het over heeft, zijn onder numismatici zwaar omstreden. De vraag is n.l. of er een min of meer vast gemiddeld aantal munten is vast te stellen per voorzijdestempel. Voorstanders gaan uit van 20.000 tot 30.000 munten per voorzijdestempel (obverse die) in de Hellenistische tijd en 30.000 voor Romeinse denarii. Tegenstanders zeggen dat dit zeer speculatief is. Stempels kunnen plotseling breken, zodat je een nieuwe nodig hebt, keizers kunnen om propagandistische redenen afzien van ene stempel en een nieuwe willen, hoe weet je zeker dat het ene stempel niet wat harder sleet dan het andere. Toch ben ik voor het gebruik van die-studies. Houd rekening met deze mitsen en maren, maar het is een middel om te kwantificeren (met foutenmarge) en dat is beter dan niets. Bovendien kunnen we in middeleeuws Engeland de resultaten vergelijken met productiegegevens op schrift en die steunen de stempelstudies toch wel. Het is echter een enorm arbeidsintensief werk en er zijn nog niet veel die-studies. Studies die ermee werken zijn o.a. Francois de Callataÿ, L ‘histoire des guerres mithridatiques vue par les monnaies. Louvain-la-Neuve, 1997, waarmee hij de financiering van de Mithradatische oorlogen kon bestuderen aan de hand van fluctuaties in muntuitgave. Hij heeft ook nog veel andere kwantificaties gemaakt. G. G. Aperghis, The Seleukid Royal Economy (Cambridge: CUP 2004) en Reinhard Pirngruber, The Economy of Late Achaemenid and Seleucid Babylonia (Cambridge: CUP 2017 [oorspr. dissertatie VU Amsterdam]) werken er ook mee. Mooie artikelen over geld circulatie vind je ook in de bundel van Bas van Leeuwen, Jan Luiten van Zanden en ondergetekende, A History of Market Performance from Ancient Babylonia to the Modern World (London: Routledge 2015), b.v. van Frédérique Duyrat, ‘The Circulation of coins in Syria and Mesopotamia in the sixth to first centuries BC’, pp. 363-395 en Nick Mayhew, ‘The circulation of money and the behaviour of prices in medieval and early modern England’, pp. 412-441. Duyrat leidt een groot Frans onderzoekssproject gericht op het maken van stempelstudies. In een nieuwe bundel, die als het goed is eind april of begin mei verschijnt, geredigeerd door Bas van Leeuwen en ondergetekende, Money, Currency and Crisis: In Search of Trust 2000 BC – AD 2000 (London: Routledge), komt een artikel van Panagiotis Iossif, Bas van Leeuwen en Peter Foldvari, waarin de omloopsnelheid van munten in het Seleucidische rijk en de Europese unie sinds de introductie van de Euro vergeleken worden. Nick Mayhew heeft er ook weer een artikel in. Fantastische schrijver. Excuus voor de zelfpromotie. Er is natuurlijk veel meer.

  6. PG

    “de slag bij Ipsos in 301 v.Chr. was beslissend omdat daarna het geld op was”

    Dat het geld op is, kan je toch niet zomaar afleiden uit de munten? Het geld is maar op als het krediet op is, lijkt me. Al in Soemer kenden ze money-of-account. Michael Hudson heeft daar interessante dingen over geschreven.

    1. Natuurlijk kende men krediet, maar het is wel frappant dat men stopte op het moment dat het geld op was. Welbeschouwd is wat ik schreef een redenering “post hoc ergo propter hoc” maar ik denk wel dat enig verband is tussen de twee.

      Mits de berekeningen goed zijn uitgevoerd. Er zitten wat aannames in. Daar gaat het me vandaag echter niet om. Het gaat me om de mogelijkheden te tonen van de methode. Met meer data zal ze aan scherpte winnen.

      Voor het overige denk ik dat elke letterenmedewerker die kritisch is over kwantificerende methoden, het nadeel van de twijfel verdient. Ik heb te vaak zinvolle gedachtenexperimenten afgefikt zien worden doordat men er in feite niet aan dorst te beginnen. Het onhoudbare onderscheid tussen alfa’s en beta’s speelt ons danig parten.

      1. Roger Van Bever

        Daar ben ik het absoluut mee eens. Neemt niet weg dat om de hoeveelheid geld dat in omloop was er ook een model ontwikkeld zou moeten worden met de parameters die ik hierboven aanhaal. Aangezien de Romeinen geen (fiduciair) papieren geld hadden naar mijn beste weten, werd de waarde van het geld bepaald door de hoeveelheid geld in omloop en door de prijzen, waarvan we niet altijd weten hoe die varieerden. De intrinsieke waarde van de munten uitgedrukt in metaal ging ook achteruit. Overigens beginnen de beta’s ook soms aan kwantificerende gedachtenexperimenten, waarvan de uitkomst niet altijd zeker is. de redenering die je beschrijft in deze blog lijkt mij een zeer goed gedachtenexperiment.

Reacties zijn gesloten.