MoM | Verklaren door vergelijken (1)

Een suffete uit Lepcis Magna (Nationaal Museum, Tripoli)

Al zijn er mensen als Paul Schnabel die denken dat historici alleen maar feitjes verzamelen, en al wekt de Historische Scheurkalender van het Historisch Nieuwsblad dezelfde indruk, het is maar één aspect van wat historici doen. Ze proberen de gebeurtenissen ook te verklaren. Daarvoor hebben ze verschillende “verklaringsmodellen”.

  • Soms doen ze dat wetmatige verbanden te formuleren, waarin ze oorzaak-gevolg-relaties leggen. We noemen dat wel positivisme en het lukt heel redelijk als het gaat om zaken als demografie.
  • Soms doen ze dat door zich in de mensen van vroeger in te leven. Dat model heet hermeneuse en is eigenlijk het meest gebruikelijke model. Het leidt niet per se tot grote-mannen-geschiedenis, maar de nadruk ligt wel sterk op het individu en de eveneens reëel bestaande processen blijven wat onderbelicht. (Zie daarover mijn stukje over individu en proces.)
  • Narrativisme is dat je, heel postmodern, accepteert dat het verleden voorgoed onkenbaar is geworden – we hebben immers te weinig data – en dat je afziet van de ambitie oorzaak-gevolg-relaties uit het verleden op te sporen, maar dat je ze creëert. Dat kan een overtuigend of een minder overtuigend verhaal opleveren, maar ik zou het geen wetenschap meer noemen en ik begrijp niet goed waarom academici dit model niet radicaler afwijzen.
  • Dan zijn er de nieuwe visies op causaliteit die mogelijk worden door de brute rekenkracht van computers; daarover een andere keer. Dit is zó nieuw, en hermeneuse is zó populair, dat het weleens is gebeurd dat toen een leuke computer-gebaseerde ontdekking werd gedaan, historici zich er niet in verdiepten omdat het geen geschiedenis zou zijn.
  • Vandaag het derde verklaringsmodel, dat bekendstaat als vergelijkend-oorzakelijk: het zoekt oorzakelijke verklaringen, maar ziet af van wetmatigheden en spoort oorzaken op door middel van vergelijking. Het wordt ook wel comparativisme genoemd.

Deze benadering is in hoofdlijnen ontwikkeld in de vroege negentiende eeuw en is eigenlijk zó vanzelfsprekend dat we haar haast niet herkennen als een methode. Een aardig voorbeeld is te vinden in de Historiën van Herodotos, die ergens bewijst dat de bewoners van Kolchis, het huidige Georgië, afkomstig moesten zijn uit Egypte. Beide volken, zo schrijft hij, hebben een wat donkerdere huid en kroeshaar, kennen als enigen de besnijdenis, spreken talen die op elkaar lijken en kennen dezelfde techniek om linnen te vervaardigen, die nergens anders voorkomt. De overeenkomsten hadden hun oorzaak, zo meende Herodotos, in verwantschap. Moderne geleerden zijn er niet zo zeker van dat de twee volken werkelijk verwant zijn, maar Herodotos’ redenering is op zich correct; sterker nog, de Griekse onderzoeker slaagt erin twee beruchte valkuilen te vermijden.

De eerste is dat onderzoekers nog wel eens zaken willen vergelijken zonder te kijken hoe vaak die voorkomen. Een voorbeeld van deze redenatiefout is de stelling dat West-Europa zijn wetenschappelijke rationaliteit dankt aan de oude Grieken. Deze wordt dan bewezen door erop te wijzen dat wij en zij deze denkhouding delen en dat wij haar, aangezien zij eerder leefden, dus moeten hebben overgenomen van hen. Dit bewijs is onvolledig, want je moet tevens aantonen dat dezelfde mentaliteit óf elders afwezig was óf geen invloed uitoefende. Herodotos heeft in de gaten dat een vergelijking op zichzelf onvoldoende is, want hij wijst erop dat de besnijdenis alleen bij de Egyptenaren en Kolchiërs voorkomt, en dat de linnentechniek alleen door deze twee volken wordt gebruikt.

De tweede valkuil die hij vermijdt is die van een te smalle selectie van vergelijkingspunten. Hij kijkt naar heel uiteenlopende verschijnselen: fysieke kenmerken, gewoontes, taal en technieken. Dat hij ongelijk heeft, ligt daarom minder aan zijn methode dan aan het feit dat hij deze toepaste op onjuiste gegevens. Er is bijvoorbeeld geen taalkundige overeenkomst.

In de negentiende eeuw dachten wetenschappers na over de grenzen van de vergelijkbaarheid. De evolutionisten accepteerden bijvoorbeeld vergelijkingen op hetzelfde culturele niveau, waarbij ze diverse niveaus van beschaving aannamen: wildernij, barbarij, beschaving. Op elk van die niveaus waren vergelijkingen toegestaan. Marxisten achtten vergelijkingen zinvol zolang ze dezelfde productiewijze betroffen.

Om het nog even te hebben over verwantschap als oorzaak van  overeenkomst: men hoefde geen racist te zijn om in te stemmen met het criterium dat het zinvoller was informatie van verwante dan van niet-verwante volken te benutten (waarbij ik de vraag wat verwantschap is, even laat rusten). Omdat Spartanen en Kretenzers behoorden tot de Griekse stam der Doriërs, kan een gebruik uit Sparta beter worden vergeleken met een gebruik uit Kreta dan met gebruiken uit Indië.

Dit laatste klinkt logisch, hoewel men kritisch moet blijven met argumenten gebaseerd op etnische verwantschap. Zo heeft het wonderlijke Romeinse gebruik ieder jaar niet één, maar twee hoogste magistraten te kiezen, de consuls, weliswaar parallellen bij de naburige Samnieten, maar lijkt het in feite te zijn gebaseerd op de suffeten uit Karthago.

[Wordt vervolgd]

9 gedachtes over “MoM | Verklaren door vergelijken (1)

  1. Gherardus Havingha

    “Dit is zó nieuw, en hermeneuse is zó populair, dat het weleens is gebeurd dat toen een leuke computer-gebaseerde ontdekking werd gedaan, historici zich er niet in verdiepten omdat het geen geschiedenis zou zijn.”
    Dit in een van de volgende stukjes???

  2. FrankB

    “mensen ….. die denken dat historici alleen maar feitjes verzamelen”
    Die hebben dan nog nooit een behoorlijk geschiedenisboek gelezen.

    “ik begrijp niet goed waarom academici dit model niet radicaler afwijzen”
    Ik zou het model in een gematigder vorm accepteren, zoals jij ook gedaan hebt in je Alexander biografie. Vergeet niet dat kosmologen (van Oerknal tot het ontstaan van de Aarde) en evolutiebiologen (van de oudste levensvormen tot de huidige) precies hetzelfde doen. Boeken als Why Evolution is True en Evolution: What Fossils Say and Why it Matters gebruiken voor (grove schatting) minstens 75% het narratieve model. De fout zit hem erin alleen en uitsluitend dit model te gebruiken, maar dat geldt voor elke wetenschappelijke methode. Natuurkundige constanten worden ook niet op één manier bepaald. Je laat het zelf zien met het voorbeeld van Herodotos: een beetje wetenschapper wil bevestiging middels een andere methode.

    “een vergelijking op zichzelf onvoldoende is”
    Atheïsme/materialisme is twee keer ontstaan in de menselijke geschiedenis. De eerste keer is ongeveer 2500 jaar geleden in India:

    https://en.wikipedia.org/wiki/Charvaka

    De conclusie dat wij westerlingen deze denkwijze dus hebben overgenomen van de Indiërs is wel heel eenvoudig te weerleggen – vergelijk (!) met de geschiedenis van het getal nul.

  3. Peter Verhaak

    Met het leggen van wetmatige (oorzaak-gevolg) verbanden is toch door Popper, die dit als historicisme betitelde, vrij grondig afgerekend. Nauwkeurige beschrijving, en dit naar een hoger niveau tillen, is een haalbare kaart waarbij je al snel bij het derde model uitkomt. Volgens mij is dat ook wat Paul Schnabel indertijd voor ogen stond.

    Peter Verhaak

    1. Als ik het wel heb – maar dit is materie waarmee ik me dertig jaar geleden bezighield – viel Popper een positie aan die momenteel niemand verdedigt. Anders gezegd: hij heeft zijn gelijk gehaald. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk wetmatigheden waar een historicus rekening mee moet houden, zie de demografie. (Al kan de specialistische Dorknoper nu mopperen dat dat geen geschiedenis is maar een ander vakgebied.)

      Schnabel typeerde zijn visie als een vernieuwing, terwijl het was wat historici allang doen. Dat stoorde me – en stoort me nog altijd. 😉

    2. Otto Cox

      Je kan best iets over oorzaak-gevolg relaties zeggen, alleen niet (of bijna niet) over wetmatige verbanden. En het is zelden zo dat één oorzaak leidt tot één gevolg. Het zijn meestal meerdere omstandigheden die tot een ontwikkeling/gevolg leiden. Zo heeft het Gutenbergmuseum in Mainz op het oogenblik een aarige tentoonstelling over de verschillen in ontwikkeling van de boekdrukkunst in Oost-Azië en in Europa. Het succes van Gutenberg is te verklaren door de gelijktijdige beschikbaarheid van technische ontwikkelingen (kennis van metaalbewerking, beschikbaarheid van papier), schrift (een overzichtelijk aantal letters) en maatschappij (middenklasse met handelaren, vraag naar teksten). In China waren de technische voorwaarden aanwezig (inclusief zetsel met losse karakters) maar maakte het schrift de productie gecompliceerd en was de vraag beperkt. Er werd wel gedrukt maar in heel kleine oplagen. Zo geeft beschrijven plus vergelijken een aardig inzicht in oorzaken (en gevolgen). Alleen is het niet reproduceerbaar, dus je kan er geen wetmatigheid aan ontlenen.

  4. Jan K. Van Kooten

    Besnijdenis was toch geen uniek verschijnsel in Egypte en bij de Kolchiers. De Joden kenden ook besnijdenis vanaf het eerste millennium voor Chr.?

Reacties zijn gesloten.