MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)

Het Meisje van Yde (©Drents Museum, Assen)

“Wetenschappers”, schrijft hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets dit weekend in haar wekelijkse column in De Volkskrant, “mogen best wat vaker voldoen aan de vraag om verzoeknummers”. Ze eindigt haar stukje met een kristalhelder, door de Vlaamse filosoof Jean Paul Van Bendegem bedacht voorbeeld: de fictieve discipline “Buitenlandse reizen”. Haar eerste beoefenaren

ontdekken dat reisgidsen een belangrijke factor zijn bij buitenlandse reizen. In de loop der jaren verdiept het onderzoek zich en ontstaan er groepen onderzoekers die zich helemaal specialiseren in de vormgeving van reisgidsen. Eén getalenteerde wetenschapper verdiept zich jarenlang in drukinkten.

Vervolgens krijgt hij het verzoek om een lezing te geven bij een culturele vereniging die een avond organiseert met als thema: “Wat heeft de wetenschap ons te zeggen over buitenlandse reizen?” De beste man vertelt een enthousiast verhaal over druktechnieken, de geschiedenis van inkt en allerlei fascinerende aspecten van drukinkt. Hoe boeiend dat verhaal ook is, na afloop zal het publiek zich volkomen terecht afvragen wat dit alles in hemelsnaam te maken heeft met buitenlandse reizen. En wat de wetenschap nu eigenlijk te zeggen heeft daarover.

Ik citeer dit wat uitgebreid omdat dit verschrikkelijk herkenbaar is. Mijn favoriete voorbeeld is het Meisje van Yde, een veenlijk uit het Drents Museum. Als ik vertel over de archeologische kant van de zaak, krijg ik gegarandeerd vragen over wat de Romeinse auteur Tacitus in zijn monografie over de Germanen over veenlijken heeft geschreven. De vragensteller schakelt dan dus over van archeologie naar filologie. Omgekeerd, als ik spreek over Tacitus’ beschrijving van Germaanse executies, dan krijg ik gegarandeerd vragen over het Meisje van Yde en andere veenlijken. De vragensteller schakelt dan dus over van teksten naar vondsten. Anders gezegd: het publiek herkent of erkent de grenzen tussen de academische vakgebieden niet. Het wil wél iets weten over het verleden, maar niet over het verleden zoals kenbaar met de beperkingen van de archeologen en evenmin over het al even beperkte perspectief van de classici. Wel buitenlandse reizen, zou Van Bendegem zeggen, maar geen drukinkt.

Dat mag dan mijn favoriete voorbeeld zijn, het is niet het enige. Per mail beantwoord ik zo’n twintig, vijfentwintig vragen per week en de meeste vragenstellers bekreunen zich niet om academische specialismen. Dat komt niet door gebrek aan kennis: de laatste maanden zijn er althans steeds meer vragen over de thema’s die actueel zijn door de DNA-revolutie, wat suggereert dat mijn correspondenten redelijk weten wat er speelt. Ze beperken zich in hun vragen ook niet tot de bioarcheologie: de ene keer moet ik een blik klassieke teksten opentrekken, de volgende keer doe ik een beroep op de sociale wetenschappen, de derde keer moet ik gegevens combineren.

Het is ook niet zo dat ik vooral mensen met “combinatievragen” aantrek, want leraren klassieke talen en docenten geschiedenis hebben dezelfde ervaring. Als classici betrokken raken bij de uitleg van Romeinse archeologie, zoals in Aardenburg, heb je trouwens kans dat er iets gebeurt dat spannender is dan wat je nu langs de limes krijgt toegeworpen. En omgekeerd: ik heb ooit ademloos geluisterd hoe een archeoloog de tekst van Marcus 14.3 benutte voor uitleg over Romeins aardewerk en afrondde met een observatie over de woordkeuze van de evangelist waar geen filoloog ooit op zou zijn gekomen. Archeologie en filologie zijn als onze twee ogen: je ziet alleen diepte door ze allebei te openen.

Kortom, ik kan Smeets’ conclusie van harte onderschrijven dat wetenschappers in hun voorlichting beter niet uitgaan van wat ze zelf in de aanbieding hebben. Van die benadering is het enige nut dat een onderzoeker op dit formulier hier of in dat verslag daar een vinkje kan zetten, zodat hij ergens bij een ambtenaar een puntje scoort. Met voorlichting heeft het echter weinig van doen als je begint bij het aanbod en niet bij de verwachtingen van het publiek.

Het advies het academisch specialisme achterwege te laten en in plaats daarvan de grote thema’s als uitgangspunt te nemen, geldt a fortiori in de humaniora, die zichzelf immers niet rechtvaardigen middels een kekke uitvinding of een levensreddend medicijn. Hun waarde is dat ze de maatschappij inzicht bieden in de wijze waarop haar denkbeelden in elkaar steken en zulk onderzoek kan achterwege blijven als de maatschappij ongeïnformeerd blijft. Voor wetenschappers die meer dan anderen hun inzichten moeten delen, geldt nóg meer dat het draait om de grotere vragen. Dat zijn, zoals Smeets afrondt, “de verzoeknummers die we als wetenschappers best eens wat vaker mogen doen.”

Eh… nee.

[Wordt vervolgd]

Naschrift

Discussie op slot wegens poging tot hack.

5 gedachtes over “MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)

  1. Jeroen

    Ik weet niet of die met die twee ogen, en dat diepte zien… of die van jou is, Jona; maar dat is een mooie formulering.

  2. Goed dat je een verband legt tussen wetenschapscommunicatie en generalisme. In elk museum zal iedereen zeggen dat je het zonder samenwerking niet redden kunt, maar de universiteiten spelen daarop nauwelijks in.

  3. jan kroeze

    Niet uitgaan van het aanbod zeg je, maar het komt ook voor dat mensen willen weten wat en hoe groot het aanbod is. De wetenschap kan wat mij betreft gerust een overzicht verschaffen van dat aanbod. Als je een fiets koopt kijk je waarschijnlijk naar een aantal modellen, en niet alleen wat de handelaar aanbiedt neem ik aan.

Reacties zijn gesloten.