Plectrudis

Het graf van “hofmeierin” Plectrudis (St. Maria im Kapitol, Keulen)

Nu ik toch bezig ben met Radbod, doe ik deze foto er ook even bij. Die maakte ik vorig jaar in Keulen in de prachtige kerk van St. Maria im Kapitol. Inderdaad, een Mariakerk, gebouwd op het platform waarop ooit de Capitooltempel stond van de hoofdstad van de Romeinse provincie Germania Inferior. Wie de romaanse kerk binnengaat, klimt nog altijd eerst een trap op.

Je hoeft geen kunstgeschiedenis te hebben gestudeerd om te zien dat dit graf niet afkomstig is uit de Vroege Middeleeuwen, maar het is wel degelijk voor iemand uit de cirkel van Radbod: dit is het graf van Plectrudis, de echtgenote van de Frankische hofmeier Pippijn van Herstal, aanvankelijk Radbods tegenstander, maar vanaf 711 schoonfamilie. In ongeveer dat jaar sloten Radbod en Pippijn namelijk een huwelijksalliantie, waarbij Radbods dochter Theudesinde trouwde met een zoon van Pippijn en Plectrudis, Grimoald. Overigens was Theudesinda vermoedelijk al langer Grimoalds concubine.

Hoe dat ook zij, Plectrudis wordt in een bron uit de twaalfde eeuw, toen ook het graf hierboven werd gemaakt, genoemd als degene die deze kerk heeft gesticht. Het moet een zogenaamde “eigenkerk” zijn geweest, privé-bezit van het Merovingische koninklijk huis, en het lijkt aannemelijk dat in feite de antieke tempel is gerestaureerd en opnieuw ingewijd, nu voor de christelijke eredienst. Die kerk is dus in de elfde eeuw herbouwd en in 1049 ingewijd door paus Leo IX en keizer Hendrik III (ook de bouwheer van de fenomenale dom van Spiers).

Terug naar Plectrudis. De “hofmeierin” is niet alleen de stichtster van de St. Maria im Kapitol, maar verleende ook steun aan Willibrord, die het christendom predikte én de Frankische invloed vergrootte in het gebied dat later Brabant zou heten. Zo schonk ze Willibrord in 714 de abdij die ze had gesticht op haar landgoed Suestra, het huidige Susteren. Haar echtgenoot tekende de akte niet: Pippijn was doodziek.

Enkele weken later werd Plectrudis’ zoon Grimoald, op weg naar zijn zieke vader, in Luik vermoord. Pippijn overleed vrijwel onmiddellijk daarna, zodat het ambt van hofmeier in handen kwam van een zoon van Grimoald en Theudesinda, de minderjarige Theudoald. Onverwacht was Plectrudis nu de feitelijke machthebber geworden en ze zag zich geconfronteerd met enorme problemen. Het westelijk deel van het Frankische Rijk, Neustrië, keerde zich tegen het noordoostelijk deel, Austrasië. Haar schoonfamilie, Radbod dus, was meer geïnteresseerd in herstel van het gezag in het Nederlandse rivierengebied. Toen het Austrasische leger in 715 was verslagen door het Neustrische leger, keerde Radbod zich zelfs tegen zijn aangetrouwde familie, zodat het er in 716 even op leek alsof hij Keulen zou innemen.

De stad werd verdedigd door Karel Martel, de zoon van Pippijns concubine Alpaida, en dus een stiefzoon van Plectrudis, die hem echter het liefst buiten de erfenis had gehouden. Na de nederlaag van Theudoald was Karel de enige die de Friezen kon tegenhouden, maar Radbods leger bleek sterker. (Voor zover bekend is dit de enige nederlaag die Karel Martel, die jaren later de Arabieren zou verslaan bij Poitiers, ooit heeft geleden.) Radbod sloeg het beleg nu op voor Keulen, maar liet zich uiteindelijk afkopen. Vermoedelijk kreeg hij ook garanties dat hij steden als Utrecht en Dorestad mocht behouden.

In de volgende maanden bouwde Karel Martel een nieuw leger op, waarmee hij de Neustriërs driemaal versloeg. Ook dwong hij Plectrudis zich terug te trekken in het klooster van St. Maria im Kapitol, waar ze moet zijn overleden. Er is in de kerk nog een tweede monument voor haar (beneden).

Stichtersmonument ter ere van Plectrudis (St. Maria im Kapitol, Keulen)

18 gedachtes over “Plectrudis

  1. Klein erratumpje/lapsus calami: Dit moet wellicht paus Leo IX zijn ipv XI, want deze laatste is een zestiende eeuwse ‘Medici’-paus…

    De eerste, de elfde eeuwer (‘IX’) kende ik niet, maar de tweede (‘XI’) wel (zij het niet persoonlijk…)

    Alleszins nogmaals bedankt voor die duizenden der uwer (inspiratieve, bijwijlen bevlogen) pennevruchten die ik al mocht tot met veel plezier tot mij nemen!

    1. en kijk, aldus ben ik er in geslaagd in de laatste zinsnede van mijn reactie eveneens een lapsusje te wurmen, al heb ik er dan niet zwaar moeten voor zwoegen…. 🙂

  2. Jeff

    Als St. Maria im Kapitol in ‘oorsprong’ een “eigenkerk” van het Merovingische koninklijk huis was, dan is een stichting door Plectrudis uit te sluiten. Er is wel een heel vreemde constructie nodig om beide beweringen te verdedigen.

    Er zitten nog wel wat meer problemen in de hier geschetste reconstructie. Zo is de stelling dat Theudoald een zoon is van Theudesinde en daarmee een kleinzoon van Radbod niet direct uit de bronnen af te leiden. Vanuit die bronnen kun je een minstens even sterk betoog opzetten dat het juist niet zo is.

      1. Jeff

        Plectrudis was geen Merovingische koningin. Ze was ’n (de) vrouw van Pepijn II (‘van Herstal’) die hofmeier was onder de Merovingische koningen.

          1. Jeff

            Jammer dat je je in deze reactie enkel beperkt tot een overbodige bevestiging van een simpel feitje.
            Liever had ik gezien dat je naar aanleiding hiervan iets van een opheldering zou geven in verband met de kwestie van die eigenkerk. Daar ging het hier toch eigenlijk over?

    1. A. Harmens

      Het begrip eigenkerk ligt sowieso ondet vuur tegenwoordig, zeker als het om kloosters gaat. Ik begrijp dat het een kloosterkerk is geweest, als Plectrude er zich terug moest trekken? Of lees ik iets verkeerd?

  3. FrankB

    Dit stukje illustreert mooi wat ik tegen de Middeleeuwen heb: Goede Tijden, Slechte Tijden in hofkringen, eveneens eindeloos maar dan wel gewelddadig. Het leidt nooit ergens toe. Alle betrokkenen gaan vanzelf dood en dan is er wel weer een andere familieruzie.
    De kerk en het graf zijn wel interessant.

    1. Robbert

      Ook tegen de Oudheid? Goede tijden, slechte tijden van keizers, eindeloos en gewelddadig.
      En tegen moderne tijden? Goede tijden, slechte tijden van politici, eindeloos en gewelddadig.
      Deze betrokkenen gaan ook vanzelf dood en de ruzies niet.

    2. En dat vind ik dan juist weer het interessante van die vroege middeleeuwen: al die figuren die voor ontzettend ingewikkelde toestanden zorgden, worstelden met het besturen van die koninkrijken, elkaar de hersens insloegen, onder het mom van het beschaafde christendom de meest vreselijke dingen deden, maar intussen ook onbewust een basis legden voor talen, landen, provincies die eeuwenlang hebben bestaan en vaak nog steeds bestaan. Alleen daarom al is het zo jammer dat er zo weinig aandacht is voor die periode. Ik lees nu het boek over de Franken van Van der Tuuk en het is erg verhelderend dat die mythische Karolingers als Karel Martel en Karel de Grote eigenlijk ook gewoon maar machtswellustelingen waren die er een harem op nahielden en hun eigen familie uitmoordden, maar intussen de heidenen als barbaren beschouwden die nodig eens gekerstend moesten worden.

      Overigens leuk dat deze stukjes net nu geplaatst worden, nou ik net dat boek bezig ben. Valt heel mooi samen 🙂

  4. Mag je het oude limesfort Utrecht een stad noemen in de vroege 8e eeuw?

    Ik ken geen enkele oude bron die dat doet, en archeologisch zijn er ook geen aanwijzingen. Een kerkelijk centrum binnen het fort, misschien een vorstelijke residentie? Meer kan ik er niet van maken.

    1. Jeff

      “Mag je het oude limesfort Utrecht een stad noemen in de vroege 8e eeuw?

      Ik ken geen enkele oude bron die dat doet, …”

      Tja, inderdaad nogal problematisch.
      Als je in de bronnen naar ‘urbs’ zoekt dan is de oudst bekende bron voor zover mij bekend een oorkonde die gedateerd wordt tussen 751 en 754, dus eigenlijk al net niet meer ‘vroege 8e eeuw’.
      Het is bovendien om meerdere redenen een zeer problematische oorkonde uit het Cartularium Radbodi (nr. 4).

      “Igitur apostolicus uir et in Xristo patri Bonifacius urbis Traiectensis episcopus, …”

      Het woordje ‘urbis’ staat wel in het Utrechtse Liber Donationum, maar in de Londense codex Tiberius C XI is op de plaats van dit woordje een leemte gelaten.

Reacties zijn gesloten.