De slag bij de Hondenkoppen (3)

Mogelijk Romeins kamp bij Kynoskefalai

[Derde deel van een stuk over de Tweede Macedonische Oorlog, ofwel het conflict tussen het Romeinse legioen en de Macedonische falanx. Het eerste deel was hier.]

Polybios zou meer over de slag hebben kunnen vertellen. Onvermeld blijft het ruitergevecht dat er moet zijn geweest en ook over de olifanten zegt hij weinig. Hij is dan ook vooral geïnteresseerd in de botsing van de Romeinse legioenen, die Afrika hadden veroverd, en de Macedonische falanx, waarmee ooit de Perzen waren verslagen. Wat volgt is een van de beroemdste militaire analyses uit de Griekse letteren: Polybios, Wereldgeschiedenis 18.25-32. De vertaling is van Wolter Kassies.

In onze tijd hebben de beide typen slagorde en de soldaten van beide volkeren verschillende malen in een beslissende strijd tegenover elkaar gestaan. Redenen genoeg om […] de verschillen na te gaan en ons af te vragen hoe het komt dat de Romeinen superieur zijn en in de krachtmetingen van de oorlogen de zege behalen. Zo kunnen we voorkomen dat we, door alles aan het Lot toe te schrijven, volstaan met het gelukkig prijzen van de overwinnaars, zonder de werkelijke redenen van hun overwinningen aan te geven, zoals mensen in hun domheid vaak doen. Op grond van onze kennis van de werkelijke oorzaken zijn we dan in staat onze lof en bewondering voor de legeraanvoerders met argumenten te staven. […]

Wanneer de falanx haar eigen karakter en kracht weet te handhaven, kan niets haar frontaal weerstaan of een stormaanval ervan tegenhouden; men kan zich hiervan op grond van talrijke redenen gemakkelijk vergewissen. Elke man beslaat in de gesloten opstelling voor de strijd met wapenrusting en al een ruimte van een meter. De lengte van de lansen was oorspronkelijk op zeven meter gesteld, maar door de aanpassing aan de praktijk is de lengte nu in feite zes meter. Trek daarvan twee meter af voor de afstand tussen de twee handen die de lans vasthouden en voor het achterste gedeelte, dat een tegenwicht tegen het voorste stuk vormt. Dan moet de lans vier meter uitsteken voor het lichaam van elke zwaargewapende, wanneer hij met de lans in zijn beide handen op de vijanden afgaat. De lansen van de mannen die in de tweede, de derde en de vierde rij staan steken dan verder uit dan die van de mannen uit de vijfde rij, wier lansen toch nog een kleine meter uitsteken voor de mannen die vooraan staan. […] Het is dus duidelijk dat bij iedere eerste man vijf lansen naar voren steken op een telkens met een meter teruglopende afstand van elkaar. […]

Ook de Romeinse soldaten nemen in volle wapenrusting een ruimte van een meter in beslag. Hun strijdwijze brengt met zich mee dat elke man afzonderlijk optreedt; hij beschermt zijn lichaam met zijn schild, keert zich steeds naar de richting waaruit de slag van een vijand hem bedreigt en vecht door met zijn zwaard zowel te houwen als te stoten. Het ligt dus voor de hand dat alle mannen, willen ze hun taak naar behoren verrichten, een open ruimte ten opzichte van elkaar moeten hebben en een afstand van op zijn minst een meter van voren en opzij.

Het gevolg hiervan is dat één Romein opgesteld staat tegenover twee mannen van de falanx en dat hij oog in oog staat met tien lansen om mee te strijden. Wanneer ze eenmaal slaags zijn geraakt, kan één man deze lansen niet tijdig kapotslaan; evenmin is het gemakkelijk zich er met geweld een weg doorheen te banen, want de mannen die achter hen staan kunnen de voorsten niet steunen als het erom gaat geweld te gebruiken of de kracht van het zwaard in te zetten. Op grond van dit alles kan men zonder meer inzien dat niets de frontale charge van de falanx kan weerstaan, mits zij, zoals ik in het begin al heb gezegd, haar eigen karakter en kracht weet te handhaven.

Hoe komt het dan dat de Romeinen de overwinning behalen en wat bezorgt degenen die de falanx opstellen de nederlaag? Het antwoord luidt: een oorlog kan op een onbeperkt aantal tijden en plaatsen uitgevochten worden, maar voor de falanx is maar één moment geschikt en één soort terrein, waarop zij volledig tot haar recht kan komen. Als er voor de tegenstanders een noodzaak bestond om zich neer te leggen bij de tijden en plaatsen die geschikt zijn voor de falanx, telkens wanneer er een beslissende slag ophanden was, zou het, zoals ik daareven heb bewezen, voor de hand liggen dat degenen die in falanx-formatie vechten altijd de zegekrans zouden wegdragen. Maar het is nu eenmaal mogelijk en zelfs gemakkelijk de strijd te mijden, dus waarom zou men dan nog zo bang moeten zijn voor die falanxopstelling? Verder heeft een falanx vlak en onbegroeid terrein nodig, dat geen enkel obstakel vertoont zoals greppels, ravijnen, samenvloeiingen van waterlopen, steilten en rivierbeddingen; ook dat is onbetwistbaar juist, want al dergelijke hindernissen kunnen de falanx belemmeren en uit haar verband brengen. Het is vrijwel onmogelijk terreinen van drie-en-een-halve kilometer te vinden, waar niets dergelijks aanwezig is, of in ieder geval komt zoiets zeer zelden voor; ook dat zal iedereen moeten toegeven. En stel nu eens dat men zo’n terrein heeft weten te vinden. Als de tegenpartij in een oorlog daar niet heen gaat, maar rond blijft trekken om de steden van de vijand en het land van hun bondgenoten te verwoesten, wat heeft de falanx dan voor nut? Blijft ze op het terrein dat voor haar geschikt is, dan kan ze niet alleen haar vrienden, maar ook zichzelf niet redden! De vijanden zullen de aanvoer van levensmiddelen gemakkelijk kunnen afsnijden, wanneer ze eenmaal zonder strijd het open terrein in handen hebben. Maar áls de falanx dan haar favoriete terrein verlaat en toch iets wil ondernemen, zal ze gemakkelijk te verslaan zijn. Trouwens, ook als iemand naar dat vlakke terrein toe gaat, maar dan niet zijn hele strijdmacht blootstelt aan de aanval van de falanx en aan dat ene vereiste moment, maar terwijl het gevecht gaande is een klein deel van zijn leger buiten de strijd in reserve houdt, dan kan men zich, op grond van wat de Romeinen tegenwoordig doen, gemakkelijk indenken wat er gaat gebeuren.

Argumenten zijn niet nodig om tot deze conclusie te komen, de feiten spreken voor zichzelf. De Romeinen maken hun linie namelijk niet even lang als die van de vijanden en vallen ook niet frontaal op de falanx aan met al hun legioenen tegelijk, maar ze houden sommige afdelingen in reserve, wanneer ze met andere slaags raken met de vijanden. Verder raakt de karakteristieke formatie van de falanx altijd uit haar verband, of de mannen nu de vijanden tegenover zich aanvallen en op de vlucht jagen of zelf op de vlucht worden gejaagd. Volgen ze de vluchtende vijand of vluchten ze zelf voor hun achtervolgers – altijd laten ze de rest van hun eigen strijdmacht in de steek. Is dat eenmaal gebeurd, dan hebben de reserves aan vijandelijke kant de beschikking over de ruimte en het terrein die zojuist zijn vrijgekomen. Ze hoeven dan geen frontale aanval meer te ondernemen, maar kunnen de falanx van opzij of in de rug aanpakken. Omdat het zo eenvoudig is de gunstige kansen van de falanx vóór te zijn en de positieve kwaliteiten ervan te neutraliseren, ligt het voor de hand dat het onderscheid tussen de beide systemen in feite groot is.

Verder moet de falanx onvermijdelijk door allerlei soorten terrein optrekken en er haar kamp opslaan, gunstige locaties tijdig bezetten, plaatsen belegeren en zelf een beleg doorstaan en zal ze zich geconfronteerd zien met plotseling opduikende vijanden. Dat alles maakt nu eenmaal deel uit van de oorlog en legt een groot of doorslaggevend gewicht in de schaal voor het behalen van de overwinning. Bij al die activiteiten is de opstelling van de Macedoniërs niet erg bruikbaar, soms zelfs helemaal niet, omdat de falanxstrijder niet in kleinere eenheden of individueel kan vechten; de Romeinse formatie daarentegen is juist zeer goed bruikbaar. Wanneer hij namelijk eenmaal in volle uitrusting de strijd aanbindt, kan iedere Romeinse soldaat zich even goed aanpassen aan elk terrein, aan elk tijdstip en aan iedere onverwachte aanval. Hij is even goed voorbereid en heeft dezelfde instelling of hij nu met allen samen, met een afdeling, in een manipel of individueel moet vechten. Omdat bij hen de verschillende onderdelen van het leger in veel ruimere mate bruikbaar zijn, bereiken de Romeinen dan ook in veel ruimere mate succes met hun plannen.

De toekomst behoorde inderdaad aan de legioenen. Het gemak waarmee Rome voor de tweede keer een supermacht had onderworpen, gaf de Senaat genoeg zelfvertrouwen om in de toekomst de terughoudendheid te laten varen waarmee destijds geprobeerd was de Tweede Macedonische oorlog te vermijden.

[Wordt vervolgd. Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

7 gedachtes over “De slag bij de Hondenkoppen (3)

  1. Robbert

    Fascinerende analyse inderdaad.
    Maar als Polybios onverkort gelijk had met z’n beschrijving van de nadelen van de falanx zou deze toch al veel eerder vervangen zijn door een flexibeler opstelling?

    1. FrankB

      Waarom? Oorlogsgeschiedenis zit vol met voorbeelden van vasthouden aan achterhaalde strategieën en tactieken.

  2. In de hoogtijdagen van de Macedonische macht was het leger in staat onder uiteenlopende omstandigheden overwinningen te halen. Dus ik met ergens iets in de analyse van Polybios. Alexander de Grote gebruikte zijn ruiterij vaak beslissend. Had Philip V zijn ruiterij verwaarloosd? Was en een rol voor de ruiterij bij de Hondekoppen? Ik ben daar nieuwsgierig naar.

  3. Dirk Zwysen

    ‘Omdat het zo eenvoudig is de gunstige kansen van de falanx vóór te zijn en de positieve kwaliteiten ervan te neutraliseren…’ …is de vraag terecht hoe de falanx ooit wél bepalend kon zijn?

  4. Ben Spaans

    Dus de enige wijzing in zo’n 180-90 jaar Macedonische falanx (geen paar honderd jaar, sorry) zou het inkorten van de lansen met 1 meter zijn geweest?

    Polybios verklaring lijkt inderdaad voornamelijk de nadelen te benadrukken.

    Gebruikte het leger van Cleoptra de falanx nog steeds?

Reacties zijn gesloten.