Geld, cultuur en welzijn (2)

Reconstructie van een inscriptie (op naam van Plinius de Jongere) met een schenking aan de stad Como (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

[Tweede deel van een recensie, geschreven door Dirk-Jan de Vink, van Daniel Hoyer, Money, Culture, and Well-Being in Rome’s Economic Development, 0-275 CE (2018). Het eerste deel is hier.]

Te rade bij sociale wetenschappen

Een klacht van de auteur is dat kwantificerende oudhistorici en maatschappelijk georiënteerde oudhistorici langs elkaar heen werken. Om tegenstellingen te overbruggen gaat hij zelf te rade bij de sociale wetenschappen, in het bijzonder economie en politicologie. Verder maakt Hoyer – zeer beperkt – uitstapjes naar pre-industriële grootmachten als het Chinese Keizerrijk en het Indiase Mogolrijk.

De auteur betrekt nadrukkelijk het welzijn van mensen bij zijn onderzoek. Dat wil zeggen: de mate waarin zij in hun behoeften kunnen voorzien, hun gezondheid, levensverwachting, toegang tot kennis, inclusiviteit van de samenleving en de mate waarin mensen invloed hebben op hun eigen leefomstandigheden. Een interessante vraag in dat verband is: welke omstandigheden bepalen dat mensen een betere kwaliteit van leven ervaren? Door deze insteek maakt het boek een moderne indruk.

Giften als versnellers van economische groei

In het grotere plaatje dat we krijgen voorgeschoteld, gaat het Romeinse kapitaal rond in een elitaire wereld van ‘ons kent ons’. Dat is een groot verschil met de moderne tijd, waarin kapitaal vooral anoniem is. Cultureel bepaald gedrag is een belangrijke verklarende factor voor economisch succes. Denk aan de bereidheid om samen te werken, om hoge functies te aanvaarden of anderen te laten delen in je welvaart.

Hoge functionarissen en rijke kooplieden deden schenkingen aan overheden en collegia, een bonte verzameling van beroepsverenigingen en begrafenisfondsen. Als eenmalige gift in de vorm van geld, land of goederen. Of in de vorm van een fonds. De magistraten kregen de opdracht om het fonds te laten renderen, bijvoorbeeld via de opbrengst van een stuk land. Andere opties voor investering van het fondskapitaal waren de productie van bijvoorbeeld aardewerk, textiel, verfstoffen of vissaus. Schenker en ontvanger kon dezelfde magistraat zijn. In elk geval voltrok het schenken en ontvangen zich in dezelfde elitaire bovenlaag.

Kortom, de elite werd heel rijk en deed daar ostentatief iets voor terug; niet gespeend van eigenbelang. In de Keizertijd verschuift het ‘prosociale’ (een term die Hoyer graag gebruikt) naar de provincie. Allen daar is nog ruimte voor onderlinge competitie van de bovenlaag, aangezien de keizer in de hoofdstad een ongenaakbare positie innam.

Kapitaalmarkt

Bij gelddonaties moeten we eerder aan kredieten en borgstellingen denken dan aan contant geld. Dit systeem van begunstiging levert het bewijs voor het bestaan van een tamelijk geavanceerd monetair systeem, redeneert Hoyer. En voor het bestaan van een kapitaalmarkt. Wat de vooraanstaande lieden voor hun giften terugkregen waren roem, prestige en – uiteindelijk vaak – financieel gewin. Investeringen in de stedelijke infrastructuur en institutionele kaders kwamen namelijk vooral ten goede aan de elite. Zo was het cirkeltje weer rond.

Veel regelgeving rondom schenkingen was er niet. Het is denkbaar – een speculatie – dat onder het mom van giften ‘onoorbare investeringen’ werden gedaan, al of niet in eigen (geheimgehouden) ondernemingen.

Het willen scheiden van overheid en privaat, is een moderne neiging, doceert Hoyer. In het Romeinse Rijk lopen die twee door elkaar heen. Het politieke systeem heeft iets weg van een franchise, waarbij de lokale elites grote vrijheden genieten en profiteren van aanzienlijke hoeveelheden ‘free floating resources’. Urbanisatie gaat hand in hand met lage transactiekosten en economische voorspoed. De centrale overheid in de provinciehoofdstad en Rome is klein van omvang en richt zijn uitgaven vooral op de instandhouding van het militaire apparaat. In de provincie geniet de elite veel vrijheden – maar rusten er ook sociale plichten op de superrijken.

[Wordt vervolgd]

9 gedachtes over “Geld, cultuur en welzijn (2)

  1. Dieter Verhofstadt

    Ik vrees dat een conclusie over wat de Romeinse economie nu zo succesvol maakte, te ambitieus is. Het lijkt me al moeilijk genoeg om haar karakter precies te beschrijven, dat men ook nog eens een oorzakelijk verband moet bewijzen tussen de karakteristieken en het succes.
    Je ziet vaak dat naarmate de steekproef toeneemt, de onzekerheid over oorzaak en gevolg initieel ook toeneemt, waarna de echte wetenschap het overneemt van de geloofsovertuiging. In casu de vreemde dans van de covid-economie, correlaties tussen vaccinatie- en besmettingsgraad, parameters die de impact beïnvloeden … het is ontstellend hoe weinig we lijken te weten.
    In haar tijdsgewricht is de Romeinse economie eerder uniek. Je kan onderscheidende kenmerken als een vroege vorm van kapitalisme wel inschatten als wezenlijk werkzaam maar dat is toch een sterke moderne Westerse bias.

  2. FrankB

    Terwijl ik het met DieterV eens ben wil ik toch opmerken dat Hoyer een nuttige werkhypothese opstelt. Men kan in die enorme verzamelingen (zie deel 1) op zoek naar data die er niet mee rijmen.

  3. Martin van Staveren

    Welzijn: “de mate waarin zij in hun behoeften kunnen voorzien, hun gezondheid, levensverwachting, toegang tot kennis, inclusiviteit van de samenleving en de mate waarin mensen invloed hebben op hun eigen leefomstandigheden.”

    Toegang tot kennis heeft iedereen, in de zin dat iedereen van alles mag lezen, maar kennis verwerving (= begrijpen) hangt af van je eigen geestelijke capaciteiten. En dan ook nog “inclusiviteit van de samenleving”; wat heeft dat met welzijn te maken? Het is bekend dat er nog steeds sociale klassen zijn die feitelijk niet veel contact met elkaar hebben, en dat heeft veel te maken met de gap tussen hoog opgeleid en laag opgeleid.

    1. Martin van Staveren

      Ik heb destijds een paar artikelen van Noah Carl gelezen, die zagen eruit als normale statistische analyse, alleen komen daar dan wel eens conclusies uit die in sommige kringen ongewenst zijn. Voor de wokes is ideologie belangrijker dan wetenschappelijke analyse. Het is maar wat je onder “niet pluis” verstaat.

  4. Martin van Staveren

    Statistisch onderzoek kan resultaten opleveren waaruit blijkt dat bv in bepaalde gevallen “discriminatie” in feite een realistische, dus wetenschappelijke opinie is, en dat valt dan slecht bij mensen die een hekel hebben aan racisme. Dus in zekere zin is zo’n controverse onvermijdelijk. We weten nog dat FvD ophef veroorzaakte door over ras & IQ te spreken, terwijl er statistieken zijn die inderdaad zulke verschillen laten zien. Maar als je het daarover hebt, zit daar dan iets achter? Over de relatie tussen IQ en succes (achievement) wordt ook al 100 jaar gestreden, terwijl er wetenschappelijk gezien geen twijfel over is dat IQ sterk samenhangt met succes in het leven, wat niet verbaast. Maar het betekent ook dat je pech hebt als je dom geboren bent. Dus eigenlijk is dit een politiek thema, en zo zien de wokies het ook.

  5. Ben Spaans

    Ik ben er niet zo van overtuigd of een hoog IQ of ‘intelligentie’ wel zo duidelijk correspondeert met ‘succes’. En wat dat eigenlijk betekent. Ik ken verscheidene mensen die zeker als ‘intelligent’ tot ‘hoogintelligent’ kunnen gelden maar wiens sociale positie ‘zwak’ is (ondergetekende ook?). Toegegeven, het blijft anekdotisch bewijs natuurlijk.

    Noah Carl lijkt inderdaad een formidabele babbel te hebben. Lijkt ‘links’ toch wel als belangrijke tegenstander te zien. Maar ook niet ‘extreem’-rechts te zijn.

    Het probleem met erfelijkheid in sociologische discussies toe te laten blijft natuurlijk het probleem/risico van consequenties daaraan verbinden…wat willen ‘we’ dan, wat is acceptabel…

Reacties zijn gesloten.