Perzen, Grieken en pseudohistorici (2)

Kroisos (Louvre, Parijs)

Er is veel te zeggen voor de stelling dat Herodotos van Halikarnassos geen historicus is in onze zin van het woord, maar er is een belangrijk punt van overeenkomst: Herodotos had in de smiezen dat geschiedenis niet “one damn’ thing after another” is, geen kroniek (zoals), maar dat het draait om verklaringen. Historici – ik bedoel eigentijdse – onderscheiden diverse soorten verklaringen, waaronder de oorzakelijke waarin Herodotos in is geïnteresseerd. Daarin was hij een kind van zijn tijd. Vóór Herodotos zochten de Ionische Natuurfilosofen al naar aitia en na Herodotos systematiseerde Aristoteles wat er zoal over oorzaken te weten viel.

Drie soorten oorzaak

Omdat Herodotos leefde op het moment dat het begrip nog niet was uitgekristalliseerd, valt te verwachten dat hij niet zo systematisch is. Dat zien we mooi in de ouverture van de Historiën, het verhaal van Kroisos, koning van Lydië in West-Turkije, waarin Herodotos alle thema’s van zijn werk aangeeft. Om te beginnen is er in dit verhaal een vorm van causaliteit die we kunnen aanduiden als “actie – reactie”. De Perzische koning Cyrus had een zwager van Kroisos van de troon gestoten, dus moest Kroisos reageren. Kroisos’ leger steekt daarop de grensrivier Halys over, wordt verslagen, en nu is het Cyrus die reageert door over de Halys te komen en Kroisos aan te vallen. Actie en reactie.

Lees verder “Perzen, Grieken en pseudohistorici (2)”

Het einde van de Bronstijd

De Late Bronstijd! Ik had retorisch willen vragen welk oudheidkundig thema toch fascinerender kon zijn, maar dan gaat u natuurlijk “Cicero” roepen of “Atheense tragedies”, of iets anders, want het zou matennaaierij zijn op retorische vragen geen flauwe antwoorden te geven. Maar goed: weinig onderwerpen uit de Oudheid zijn fascinerender dan de Late Bronstijd.

Reden één: de puzzelstukken beginnen in elkaar te grijpen. Naast archeologie hebben we teksten, Mesopotamië sluit aan op Egypte, er het vroegste (Mykeense) Griekenland heeft contact met Cyprus en de Hethieten. We zien in de brieven menselijke emoties, we hebben handel over enorme afstanden – denk aan het tin dat vanaf de Atlantische kusten naar het oostelijk bekken van de Middellandse Zee kwam – en we hebben staatsverdragen. Alles is er, althans in aanzet.

Lees verder “Het einde van de Bronstijd”

Een andere “ander”

Wie de Griekse teksten leest over de Skythen of de Romeinse teksten over de Germanen, stuit al snel op passages waarvan je je afvraagt wat daar aan de hand kan zijn. Zo zijn er Germanen die het haar op hun voorhoofd lang dragen en op hun achterhoofd kort. De Germaan is dan de anti-Romein, levend in een omgekeerde wereld. Hij is de Ander. Hetzelfde geldt voor de Skythen en nog een hele trits volken rondom de Grieks-Romeinse wereld.

Over “de constructie van de Ander” is veel geschreven. Op zich gaat het om een simpele constatering: u en ik, we definiëren wie we zijn door (onder meer) aan te geven wat ons onderscheidt van onze naasten. Ik ben niet mijn zus, want ik woon in Amsterdam en zij woont op Curaçao. Ook ben ik mijn buurman niet, want hij woont aan de voorkant van het huis terwijl ik uitkijk op de achtertuin. Elk “ik” veronderstelt een ander, zo simpel.

Lees verder “Een andere “ander””

De ongrijpbare David Bowie

In een wat overmoedige bui kocht ik Bowie. De getekende biografie, van Michael Allred en Steve Horton, ingekleurd door Laura Allred. Als de kop die ik dit stukje meegeef de indruk wekt dat het drietal Bowie presenteert als ongrijpbaar genie dat zijn fans steeds een stap vóór was, dan vrees ik dat ik u moet teleurstellen. Ze hebben überhaupt geen grip. Misschien is dat een compliment aan Bowie, dat hij zelfs na zijn dood iedereen te slim af is, maar uiteindelijk is dit boek geen bevredigende lectuur.

Vertaling

Het komt misschien ook doordat ik in mijn haast de Nederlandse vertaling had gekocht. Die is op zich prima – laat daarover geen misverstand bestaan – maar schept ook afstand tot een wereld die u nu eenmaal kent in het Engels. U moet op Mars hebben geleefd als u niet weet hoe de woorden

Van alle shows die we tot nu toe hebben gespeeld zal deze ons het langste bijblijven omdat het niet alleen de laatste van de tour is…

eigenlijk hebben geklonken en als u niet weet wat erop volgde. P. Moretti laat die oplawaai gelukkig onvertaald, maar in feite is het omzetten in het Nederlands, hoe respectabel ook, een obstakel. U kent Bowie, u kent zijn universum, u kent het in het Engels.

Geen biografie maar een kroniek

Zou ik Bowie. De getekende biografie in het Engels hebben gelezen, dan was Bowie. Stardust. Rayguns & Moonage Daydreams me vermoedelijk ook tegengevallen. Het is namelijk niet de biografie de het voorgeeft te zijn. Het is een kroniek. Het boek begint op het moment dat Bowie een einde maakt aan Ziggy Stardust, waarna als een flashback de carrière van 1962 tot 1973 wordt doorgenomen, met een epiloog tot ’s mans dood in 2016. Er gebeurt veel en het staat keurig netjes vermeld, vaak met de datum erbij. Op 17 oktober 1972 dronk David Bowie in het Beverly Hills Hotel thee met Elton John.

Vaak commentaar erbij. Op 17 juni 1972 (overigens de dag waarop ook in Washington iets opmerkelijks gebeurde) fotografeerde Mick Rock hoe David Bowie tijdens een concert in Oxford bij de finale van Suffragette City met z’n tanden gitaar speelde op de gitaar van Mick Ronson en dat is een van de meest iconische beelden geworden uit de rockgeschiedenis. De beroemde foto is keurig nagetekend. Op 19 juni molde Bowies eenjarige zoon de platencollectie van zijn vader. Op 25 juni speelde Roxy Music in het voorprogramma van Bowies optreden in Surrey en ontmoette Bowie Brian Eno. Feit op feit op feit.

Prachtige tekeningen

Zo’n opsomming is op zich nuttig en de tekeningen zijn geweldig mooi. Zeker de portretten zijn raak en het is natuurlijk een boeiende troupe: Freddy Mercury, Mott the Hoople, Lou Reed, Marc Bolan, Iggy Pop, Christopher Lee, Alice Cooper, Ringo Starr en natuurlijk Angela Bowie. Personage na personage na personage.

U voelt het probleem al: Allred en Horton hebben geen keuzes gemaakt. Nou vooruit, ze hebben ervoor gekozen Bowies drugsgebruik te verzwijgen, maar verder is alles aanwezig. David Bowie als acteur? Zit erin. David Bowie als producent? Zit erin. Bowies gevoel voor mode? Zit er in. Het hippe Londen rond 1970? Verwerkt. Speelfilm? Check. Beelden van de eerste maanlanding? Natuurlijk. David Bowie als icoon van homo-emancipatie? Vink maar af. Obligate nagetekende krantenkoppen? Uiteraard. Feit op feit, personage na personage: het is er allemaal.

Hamlet zonder prins

Het enige wat er niet in zit, is David Jones zelf. Hij wordt geen moment een rond karakter. Misschien is het omdat hij zelf voortdurend van rol wisselde, rollen die hij nodig had om de rock & roll te scheiden van zijn echte zelf. Allred en Horton geven het eenmaal aan, maar het blijkt nergens uit het verhaal.

Wellicht hebben ze de verkeerde periode centraal gesteld en was de spanning tussen Jones’ eigen identiteit en zijn publieke persona beter tot haar recht gekomen als ze de late jaren zeventig centraal hadden gesteld, toen Bowie worstelde met de cocaïne, naar Berlijn vluchtte om eraan te ontkomen, scheidde van Angie en (helaas) zichzelf uitvond als de disco-parodie van Let’s Dance. Ik vermoed dat die jaren geschikter waren voor biografen die willen benadrukken waarom Bowie zijn Ziggy’s Stardust, zijn Halloween Jacks, zijn Thin White Dukes, zijn Pierrots en Blind Prophets zo nodig had.

Wat Allred en Horton nu bieden, is een beschrijving van buitenaf: een opsomming van losse, onverbonden gebeurtenissen. Het is prachtig getekend; dáárvoor moet u het boek zeker lezen. Ze hebben echter geen grip op de stof gekregen, de man blijft ongrijpbaar, onkenbaar – in feite de alien die David Bowie speelde. En hoewel hij daar dus aanleiding toe heeft gegeven, denk ik dat dit toch ook het falen is van de biografen.

De ondergang van het Romeinse Rijk

Een van de aardigste boeken die ik de afgelopen jaren heb gelezen, is The Fate of Rome van Kyle Harper. Ik schreef al eerder over het boek, dat groot is in een klein genre.

Een klein genre

Dat kleine genre is “ondergang van het Romeinse Rijk”. We hebben relatief weinig geschreven bronnen, hoewel er met de gestage publicatie van papyri en Aramese teksten wel wat bij komt, en het archeologisch materiaal is nog onvoldoende verkend. De voorkeur ging immers lange tijd naar de klassieke periode. Lees verder “De ondergang van het Romeinse Rijk”

Latijnse, heidense literatuur

Manuscript van Caesars Gallische Oorlog (Biblioteca Nazionale, Napels)

Als u iets wil weten over een antieke auteur, pakt u uw telefoon of tablet en zoekt het op. De Wikipedia biedt u een eerste inleiding tot Ploutarchos en als u wil  weten wat de Wijze van Chaironeia dacht over vleesconsumptie, vindt u zijn essay met een paar klikken in het Grieks, Engels of Frans. Simpel. Nog geen kwart eeuw geleden was het zo makkelijk nog niet en moesten geïnteresseerde lezers zich behelpen met boeken. Er bestonden destijds diverse kennismakingen met de antieke literatuur; zo herinner ik me dat er eens twee tegelijk verschenen, een van Hein van Dolen en een van Ilja Pfeijfer. Allebei niet meer leverbaar want zulke werkjes zijn inmiddels even overbodig als een stoker op een elektrische trein.

Dat wil niet zeggen dat het boek helemaal geen bestaansrecht meer heeft. Voor de tweede lijn van de wetenschapsvoorlichting, waarin we uitleggen hoe we weten wat we weten en tonen waarom een wetenschappelijke opleiding zin heeft, zullen we vooralsnog boeken nodig hebben. Een fijne vorm is de persoonlijke selectie, waarin een ervaren lezer aangeeft wat hij of zij mooi vindt én – en dat is cruciaal – waarom. (Concreet voorbeeld: ik heb net een 842 pagina’s tellend monster over het Aramees liggen; een dunner boek waarin een professor Gzella uitlegt waarop ik moet letten, zou ik minder angstaanjagend vinden.)

Lees verder “Latijnse, heidense literatuur”

Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie

Ik ken Theo Toebosch al jaren persoonlijk. We doen vergelijkbaar werk en zouden elkaar dus vroeg of laat wel tegen zijn gekomen, maar het helpt natuurlijk wel dat we nog geen 700 meter van elkaar af wonen. Ik heb al eerder over zijn boeken geschreven, zoals dat over het vroegste Amsterdam, dat over de familie Josephus Jitta en dat over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Allemaal heel lezenswaard – en dat zou ik ook zeggen als ik hem niet kende.

Zijn boek Grondwerk gaat over de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Ik ben heel blij dat het bestaat want het zijn de verhalen die elke betrokkene half kent en helemaal wil kennen. Iedere Nederlandse oudheidkundige kent Reuvens en weet dat hij twee eeuwen geleden de eerste was die zich ook in het Nederlands “archeoloog” liet noemen, maar je wil eigenlijk eens precies weten wat die reus zoal vermocht.

Lees verder “Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie”

De historische Jezus

Sarcofaag uit het mausoleum van de Anicii (Louvre, Parijs)

Het is zondag, de dag waarop ik meestal iets blog over het Nieuwe Testament en probeer uit te leggen dat deze kleine bibliotheek, ongeacht de betekenis die ze heeft voor het christendom, ook met vrucht valt te lezen als verzameling joodse teksten. En omdat ik tevens bezig ben met een reeks filmpjes over oudheidkundige boeken, moet het vandaag maar gaan over een boek over de beroemdste jood van allemaal.

Wetenschap en obscurantisme

Al in de achttiende eeuw begreep men dat de Christus van de kerk en de historische Jezus niet dezelfde zijn. Ik blogde lang geleden al eens over de Jefferson-bijbel, een van de geestigste pogingen om het probleem op te lossen. Niet de best-doordachte overigens. Pas de Duitse geleerden die de Tweebronnenhypothese opstelden brachten het onderzoek werkelijk verder: achter de drie eerste evangeliën gingen maar twee bronnen schuil, aangeduid als P en Q. Waarbij P een aanduiding was voor het evangelie van Marcus, die geacht werd een leerling van P(etrus) te zijn, en waarbij Q een uitsprakenverzameling was.

De volgende complicatie was nu dat de ene bron betrekkelijk laat was en de andere, tja, wel wat leek op een collectie boerenspreekwoorden. In de praktijk besloten Jezus-vorsers vaak te nemen wat ze leuk vonden en weg te laten wat ze niet konden gebruiken. Dat gebeurt nog volop: ik blogde al eens over de kwakgeschiedenis van Reza Aslan en Ronald van Raak, die ondanks zijn obscurantisme jarenlang lid was van de Tweede Kamer. Echt, de pseudowetenschap is niet met Baudet en Van Haga parlementfähig gemaakt.

Lees verder “De historische Jezus”

Krijgsgeschiedenis

Een Byzantijnse ruiter (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

Krijgsgeschiedenis, je haat het of je houdt ervan. De een zegt: “krijgsgeschiedenis verhoudt zich tot gewone geschiedenis zoals marsmuziek zich verhoudt tot muziek”. De ander zegt: “als de oorlog de vader is van de dingen, is de krijgsgeschiedenis de vader van de geschiedvorsing”.

De waarheid ligt natuurlijk in het midden. Geschiedenis gaat over mensen en mensen maken oorlog, dus krijgsgeschiedenis hoort bij de geschiedenis, en er zijn slechte en goede boeken over oorlog. Het boek dat ik zelf het beste vind, is Soldiers and Ghosts van Lendon, omdat het toont hoe culturen eigen waarden hebben die een rol spelen bij de oorlogsvoering. En omgekeerd: een verloren of gewonnen oorlog draagt bij aan de verdwijning of verbreiding van die waarden.

Lees verder “Krijgsgeschiedenis”

Tweemaal Egypte

In de bloedstollende reeks “Zit een oudheidkundige met de rug naar een boekenkast” vandaag twee fijne boeken over het oude Egypte. Ik heb het even te druk om een blogje te krabbelen, dus u kijkt maar naar het filmpje, waarin ik uitleg dat we naar Egypte – en naar de hele Oudheid – kijken met een negentiende-eeuwse bril en dat het goede van deze boeken is dat ze precies dat aspect centraal stellen.

Lees verder “Tweemaal Egypte”