Liefde op het derde gezicht: Plinius de Jongere

Wat resteert van een inscriptie die Plinius vermeldt (Milaan)

Ik zal in de vierde of vijfde klas van het gymnasium gezeten hebben toen ik kennis maakte met de brieven van de Romeinse senator Plinius de Jongere. Terwijl ik zijn Latijnse volzinnen probeerde te ontcijferen, heb ik wel honderd keer de man vervloekt die mijn mooie jeugdjaren verziekte. Dat ik niet meer weet of ik in de vierde of in de vijfde aan dit proza werd blootgesteld, moet een vorm van verdringing zijn.

Ook bij de tweede kennismaking kreeg ik geen al te beste indruk van deze auteur. In het kader van mijn studie oudheidkunde (een combinatie van oude geschiedenis, een paar woorden klassieke talen en een schep archeologie) moest ik de integrale correspondentie doornemen. Ik was er inmiddels aan gewend dat antieke schrijvers in de regel nogal zelfvoldaan zijn en Plinius bleek geen uitzondering. Integendeel. Neem nou Brief 5.19, waarin hij een vriend vraagt of deze in zijn Alpenvilla onderdak kan bieden aan een tuberculeuze slaaf die niet genezen was teruggekeerd van een cruise naar Egypte. Het is moeilijk waardering op te brengen voor dit ogenschijnlijk verlichte personeelsbeleid, want iemand publiceert een epistel als dit alleen om aan de grote klok te hangen hoe goed hij wel niet is. Wat nog aan sympathie voor Plinius restte, verdween na kennisneming van de hypocriete wijze waarop hij zijn pachters behandelde, zijn neerbuigende bezorgdheid om zijn echtgenote Calpurnia en zijn dubieuze carrière aan het hof van de tirannieke keizer Domitianus.

Valt er dan niets goeds over deze auteur te vertellen? Ja, toch wel: ook een ijdeltuit kan iets te melden hebben. Je moet Plinius nageven dat zijn brieven ergens over gáán, iets wat je van de correspondentie van mooischrijvers als Fronto, Symmachus en Sidonius Apollinaris moeilijk kunt volhouden. De waarde van Plinius’ correspondentie als historische bron valt nauwelijks te overschatten. En zo leerde ik hem in derde instantie zowaar waarderen.

Hij verkeerde in de hoogste kringen en vertelt daarover veel interessants. Na een jeugd waarin de meest opmerkelijke gebeurtenis de uitbarsting van de Vesuvius was, genoot hij onderwijs van de meest vooraanstaande docenten van zijn tijd; zijn dienstplicht vervulde hij daarna als accountant van een legioen in Syrië. Zijn verdere loopbaan verliep langs traditionele wegen: quaestor, volkstribuun, praetor, prefect van de militaire pensioenkas. Dit was een normale carrière, maar onder abnormale omstandigheden, want Rome werd in deze jaren geregeerd door de paranoïde Domitianus. Terwijl Plinius enerzijds vuile handen maakte, wist hij anderzijds bevriend te blijven met verschillende leden van de oppositie. Om te overleven moet hij een speciaal instinct hebben ontwikkeld om door iedereen vriendelijk gevonden te worden; het etaleren van zijn goede zorgen voor zijn zieke slaven zou weleens deel uitgemaakt kunnen hebben van Plinius’ overlevingsstrategie.

De moord op de vorst aan wie hij zijn carrière had te danken, had voor hem dan ook geen nadelige gevolgen: onder de keizers Nerva en Trajanus behoorde Plinius nog steeds tot de rijkselite. In 100 was hij zelfs consul, het hoogst bereikbare ereambt in het Romeinse imperium. Vervolgens bekleedde hij enkele functies die we zouden kunnen vergelijken met de taak van een moderne interim-manager: zo was hij een paar jaar “curator van de bedding en oevers van de Tiber en van de riolering van Rome”. Dat was een zeer verantwoordelijke functie, want de afvalverwerking van de miljoenenstad was een geducht probleem in de jaren waarin Trajanus de loop van de Tiber liet kanaliseren en nieuwe havens liet aanleggen.

Het is geen spectaculaire carrière, maar Plinius deed er verslag van in tien boeken met brieven die, zoals gezegd, een historische bron vormen van onschatbare waarde. Hij heeft heel wat te vertellen: spookverhalen, berichten over rechtszaken, een rondleiding door een villa aan zee, een beschrijving van de vriendschap tussen een jongen en een dolfijn, het relaas van een Christenvervolging, twee verslagen van de Vesuviusuitbarsting, liefdesbrieven.

Het laatste deel bevat correspondentie met keizer Trajanus in de jaren 109-111, toen Plinius met bijzondere volmachten naar een door financiële problemen getroffen provincie in het huidige Turkije was gestuurd. Stap voor stap kunnen we volgen hoe hij de situatie analyseerde, maatregelen nam en uiteindelijk constateerde dat er een begrotingsoverschot was gegroeid. Tegelijk lezen we over de bestuurlijke spiegelgevechten die hij moest leveren: elk “ja” kon “nee” betekenen, rechtszaken werden weleens aangespannen om andere redenen dan in de aanklacht te lezen viel, soms was er regelrechte tegenwerking. De brieven tonen hoe Plinius zorgvuldig een imago van macht, beschaving en vriendelijkheid cultiveerde om zo draagvlak te scheppen voor impopulaire beslissingen.

Toen ik een boekje over Plinius’ optreden als gouverneur schreef, betrapte ik mezelf erop dat ik zijn minder prettige eigenschappen steeds meer met de mantel der liefde bedekte. Zeker, hij was een ijdeltuit die zijn weldaden aan de grote klok hing. Maar dat deed iedereen in zijn tijd; de vaak ellenlange inscripties waarmee werd aangegeven dat deze of gene een badhuis of een bibliotheek had geschonken, getuigen volop van deze antieke pronkcultuur. Het is waar, Plinius was geen held die zich tegen het regime van Domitianus verzette; maar er kleefde geen bloed aan de handen van de prefect van de militaire pensioenkas. Toegegeven, zijn oordeel over Calpurnia wekt niet de indruk dat hij haar als een gelijkwaardige partner zag. Maar daar staat weer tegenover dát hij zijn liefdesbrieven publiceerde: het zijn de oudste voorbeelden van het genre, wat wel iets zegt over het respect dat Plinius voor zijn echtgenote had.

Hij blijft natuurlijk een zelfingenomen kwast, maar we zullen het hem moeten vergeven omdat hij leefde in een tijd die rijk was aan zulke figuren. Zo gaat dat: als je je langere tijd bezighoudt met boeiende teksten als deze, ga je de auteur vroeg of laat sympathiek vinden. Liefde maakt blind, zelfs als het liefde op het derde gezicht betreft.

Een gedachte over “Liefde op het derde gezicht: Plinius de Jongere

  1. Sarah Desmedt

    Beste meneer Lendering,

    hoewel ik uw jeugdtrauma bij de lectuur van Plinius niet deel (ik heb Plinius graag gelezen in het middelbaar onderwijs en ik lees hem nu met mijn leerlingen in de 4de Latijnse), heb ik dit artikeltje graag gelezen en er de nodige inspiratie gevonden voor enkele examenvragen over Plinius. Bedankt dus!

    Sarah Desmedt
    leerkracht Latijn en Grieks (Brussel)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s