De EDCS: een databank voor inscripties

Een damnatio memoriae van Maximianus Thrax uit Sétif

Mijn zakenpartner heeft het weleens over de “inscriptietoeter”. Daarmee waarschuwt hij me als hij op een opgraving een oud inschrift ziet. Die moet ik dan fotograferen. Ik moet inmiddels duizenden van die dingen hebben vastgelegd en die foto’s gaan dan naar de EDCS.

De EDCS is de digitale Epigraphik-Datenbank van oudheidkundige Manfred Clauss en de onlangs overleden IT-specialist Wolfgang Slaby. U vindt haar hier. Voor wie in inscripties is geïnteresseerd, is het een enorme verbetering. Vroeger moesten oudheidkundigen die een inscriptie wilden raadplegen, zich behelpen met het Corpus Inscriptionum Latinarum ofwel CIL. Dat was een boekenkast vol onhandelbaar logge, in wit kunstleer gebonden folianten, waarin alle bekende Latijnse inscripties stonden. Duizenden, tienduizenden. Soms met een tekeningetje erbij. Er zijn soortgelijke boekenreeksen voor het Grieks en de Semitische talen en voor kleine corpora als de Achaimenidische Koningsinscripties.

Het idee om de inscripties digitaal aan te bieden, is al meer dan een halve eeuw oud. In 1973, dus al twintig jaar voor “the thousand days that built the future” en vér voordat woorden als “internet” en “surfen” populair werden, opperde de Franse oudhistorica Mireille Corbier om alle Latijnse inscripties te digitaliseren. De EDCS is de implementatie van dat idee.

Er zijn momenteel ruim 550.000 inscripties in opgenomen: het oude CIL en allerlei andere, later ontdekte teksten. Er komen er nog zo’n 5000 per jaar bij. Mijn eigen, kleine bijdrage bestaat uit fotografie en een heel, heel enkele keer een nieuwe inscriptie. In het Algerijnse Sétif heeft een plaatselijke heerser in de negentiende eeuw bijvoorbeeld twee parken gedecoreerd met – ik meen – ruim tweehonderd Romeinse inscripties, en toen ik de foto’s daarvan opstuurde, bleken er allerlei nog onbekende tekstjes bij te zitten.

Elke inscriptie is in de EDCS beschreven met dateringen, een reeks trefwoorden en informatie over bijvoorbeeld het materiaal. Je kunt zoeken op provincie, op woonplaats, en uiteraard ook op woorden en woordcombinaties. Sinds 2021 worden ook Griekse inscripties toegevoegd, vooral uit de westelijke provincies van het Romeinse Rijk; voor de oostelijke provincies bestaan namelijk al Griekse databanken. De EDCS is bovendien gekoppeld aan een stuk of vijftig andere databases, waardoor het mogelijk is vakliteratuur en foto’s van andere websites te consulteren.

Een andere recente verbetering aan de EDCS betreft de spelling. De oude talen – en trouwens, ook de meeste moderne talen – kenden geen voorkeurspelling. De Afrikaanse steden die zichzelf in hun Latijnse inscripties Lepcis en Karthago noemden, heetten in Latijnse teksten uit Italië weleens Leptis en Carthago. Om alle vermeldingen voor een gebruiker in één keer vindbaar te maken, worden momenteel van alle inscripties versies gemaakt in zowel de eigenlijke als een gestandaardiseerde spelling.

Het aardige is dat elke toerist een bijdrage kan leveren, wat de EDCS tegelijk maakt tot een mooi voorbeeld van citizen science. Foto’s zijn heel welkom, want die bieden veel meer informatie dan de tekeningen van weleer.

Sommig onderzoek kan bliksemsnel. Ik heb eens in één avond de mortaliteitsstatistieken van de Mainz doorzocht. Zulk onderzoek zou iemand vroeger een paar dagen hebben gekost. Hartstikke leuk dus. Maar soms ontstaan misverstanden. Een kennis van me constateerde ooit een opmerkelijk taalfeitje en schreef daarover een stukje, om prompt een plagiaatbeschuldiging te krijgen van iemand die dat taalfeitje ook had ontdekt, er jaren aan had gewerkt en het had gepubliceerd in een proefschrift. Niet iedereen heeft al voldoende in de gaten hoe de digitalisering het onderzoek heeft veranderd.

Enfin. De inscriptietoeter ging in 2003, toen ik mijn eerste digitale camera had, voor het eerst af. Ik heb nog ruim duizend oude foto’s, die ik nooit eerder naar de EDCS heb opgestuurd. Die ben ik, op verloren momenten, een voor een aan het bekijken. Ik heb er inmiddels zeven gevonden die nog nooit eerder ergens zijn gepubliceerd, dus dit is geen betekenisloos werk. En je haalt, en passant, je mooiste vakantieherinneringen weer op.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

Deel dit:

8 gedachtes over “De EDCS: een databank voor inscripties

  1. Han Borg

    Geweldig, zo’n databank als de EDCS. En je hebt volkomen gelijk: het maakt het opzoeken van data een heel stuk gemakkelijker. Toch durf ik er een kanttekening bij te maken.
    In de bibliotheek van ieder zichzelf respecterend oudheidkundig instituut trof je vroeger, naast het CIL en de IG, ook de vele delen van de ‘Pauly’ aan. De lemma’s in deze de hele oudheid omvattende encyclopedie bevatten onschatbare informatie over van alles en nog veel meer. “Paulys Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft” (ook wel Pauly-Wissowa geheten) omvatte tientallen jaren kennis over de oudheid, en was voor romantici zoals ondergetekende toch wel een heerlijke ‘Fundgrube’. De onlangs overleden Groningse onderzoeker dr. Ed van der Vliet schafte zich destijds nog een volledige uitgave van dit enorme werk (vele meters boekenplank) aan.
    Als student Oude Geschiedenis keek je ook ieder jaar weer uit naar de nieuwste uitgave van “l’Année Philologique”, waarin alle tijdschriftartikelen over oudheidkundige onderwerpen die in dat ene jaar waren uitgekomen stonden beschreven. Volledigheid werd nagestreefd, maar kon natuurlijk niet bereikt worden. Dit laatste werk wordt nog steeds uitgegeven, maar dan digitaal. En ook de ‘Pauly-Wissowa’ is -meen ik- digitaal beschikbaar. Maar de geur van die boeken…ik mis het.

    1. Met de huidige, digitale infrastructuur kun je vinden wat je zoekt. Het voordeel van de ouderwetse boeken was dat je daarnaast vond wat je niet zocht. En dat was vaak een verbreding van je kennis. Ik ben bang dat de digitalisering leidt tot meer specialisme en minder relevantie.

      De bibliotheek van de Vrije Universiteit nodigde ooit iedereen uit voor de feestelijke opening van een nieuwe zaal waar studenten achter computers konden kruipen. De stoffige boeken die daar stonden, waren weggehaald. Dat betrof dus onder meer de volledige Migne. Echt, de barbarij was rond 1990 al integraal onderdeel van de universiteit.

      1. Han Borg

        Voor mijn afstuderen (in 1985) kreeg ik van mijn familie de vijfdelige ‘kleine Pauly’ cadeau. En -echt waar!- die sla ik nog wel eens open.
        Serendipiteit speelde inderdaad een belangrijke rol in het raadplegen van die grote naslagwerken: de ongezochte vondst heeft me op menig leuk/interessant onderwerp gebracht.

  2. Adriaan Gaastra

    Ik kende de online database niet, dus ik heb deze meteen maar even uitgeprobeerd. Ik vroeg me wel af wat voor definitie van inscriptie gehanteerd wordt. Ieder aanbrengen van tekst op steen minus graffiti? Kleitabletten, papyrus en perkament sowieso uitgesloten, neem ik aan. Of gaat het niet alleen om het soort materiaal, maar ook om het soort tekst dat is aangebracht?

  3. Dirk Zwysen

    Dit is nu een voorbeeld van hoe digitalisering de wetenschap vooruit helpt. Het boek daarentegen is gemakkelijker mee te nemen, werkt altijd en bovendien is het ook een aangenaam object. De simpele, rode Loeb-uitgaven staan mooi in een boekenkast.
    Bij het vertalen is een computer bij de hand nuttig om te assisteren met morfologie (Alpheios). Ondanks online alternatieven grijp ik vaak terug naar het Latijnsch woordenboek van Müller (1929), onlangs voor geen geld op de kop getikt. Het ruikt ook zo heerlijk. De mens zou de mens niet zijn als er geen onderzoek was gedaan naar bibliosmia, de geur van oude boeken. De vanille-achtige geur komt bijvoorbeeld vrij door de afbraak van lignine. Zie https://youtu.be/aUaInTfrDnA?feature=shared

  4. Robbert

    Ja die geur, dat is het. Digitalisering is een ramp en een zegen. Zei ik zegen? Gelukkig zijn er jongelingen zoals de Zwysens en de Lenderings die ermee overweg kunnen.

Reacties zijn gesloten.