De Panter, de “vader” van Jezus

Panter, de “vader” van Jezus (Römerhalle, Bad Kreuznach)

Ik noemde vorige week dat het wat curieus is dat Jezus in het Marcus-evangelie als “zoon van Maria” wordt aangeduid, terwijl het Lukas-evangelie aangeeft dat Jezus’ vader Jozef nog in leven was toen Jezus twaalf was. Je zou daarom hebben verwacht dat Jezus ook door Marcus “zoon van Jozef” genoemd werd. Misschien hebben de twee auteurs verschillende informatie ontvangen en heeft Lukas, die het evangelie van Marcus kende, de strijdigheid tussen diens en zijn eigen informatie niet herkend. Ik weet het niet.

Je kunt je voorstellen dat in het oude Judea, waar geruchten de gewoonste zaak van de wereld waren, ook allerlei lasterpraatjes circuleerden. En de vader van Jezus was daarvoor een goed doelwit. Waarom heette Jezus niet gewoon “zoon van Jozef”? Waarom beweerden zijn volgelingen dat Maria als maagd zwanger was geworden? En hoe liet die maagdelijkheid zich rijmen met het feit dat Jezus enkele broers en minimaal twee zussen had? Was Maria, toen Jezus al twaalf was of ouder, nog eens hertrouwd en kreeg ze de andere kinderen van een andere echtgenoot? Het gezin van Jezus was, hoe dan ook, een punt waarop critici het christendom konden aanvallen.

Lees verder “De Panter, de “vader” van Jezus”

De EDCS: een databank voor inscripties

Een damnatio memoriae van Maximianus Thrax uit Sétif

Mijn zakenpartner heeft het weleens over de “inscriptietoeter”. Daarmee waarschuwt hij me als hij op een opgraving een oud inschrift ziet. Die moet ik dan fotograferen. Ik moet inmiddels duizenden van die dingen hebben vastgelegd en die foto’s gaan dan naar de EDCS.

De EDCS is de digitale Epigraphik-Datenbank van oudheidkundige Manfred Clauss en de onlangs overleden IT-specialist Wolfgang Slaby. U vindt haar hier. Voor wie in inscripties is geïnteresseerd, is het een enorme verbetering. Vroeger moesten oudheidkundigen die een inscriptie wilden raadplegen, zich behelpen met het Corpus Inscriptionum Latinarum ofwel CIL. Dat was een boekenkast vol onhandelbaar logge, in wit kunstleer gebonden folianten, waarin alle bekende Latijnse inscripties stonden. Duizenden, tienduizenden. Soms met een tekeningetje erbij. Er zijn soortgelijke boekenreeksen voor het Grieks en de Semitische talen en voor kleine corpora als de Achaimenidische Koningsinscripties.

Lees verder “De EDCS: een databank voor inscripties”

Narbo Via

Museum Narbo Via, Narbonne

Het gebouw van het nieuwe museum Narbo Via in Narbonne is sensationeel. Het is ontworpen door Foster + Partners, een zeer gerenommeerd architectenbureau. Toen het museum klaar was, kon het helaas vanwege de coronapandemie zijn deuren niet voor het publiek openen. Vanaf mei 2021 kon het museum bezoekers ontvangen, in december werd het gebouw officieel geopend.

Geen straat

Bij Narbo Via gaat het niet om een Romeinse straat, zoals de naam doet vermoeden. Als antieke straatnaam zou het sowieso voor Romeinen niet te begrijpen zijn, aangezien straten meestal werden vernoemd naar degene die de ze had laten aanleggen, zoals de Via Domitia naar Gnaeus Domitius Ahenobarbus. Soms werd het eindpunt van de straat aangegeven, zoals de Via Tiburtina, die naar Tivoli (Tibur) leidt. En in dat geval zien we een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van de naam van de stad. Het zou dus de Via Narbonensis moeten zijn, maar die zou dan in Narbonne moeten eindigen. In de ontwikkelingsfase heette het museum MuRéNA, “le Musée Régional de la Narbonne Antique”. Ik moet toegeven, dat Narbo Via toch iets pakkender is. Narbonne ligt aan de Via Domitia, wat bij de naamgeving ook een rol zal hebben gespeeld.

Lees verder “Narbo Via”

Heinrich Dressel

Monte Testaccio

“Ik ben er zowat blind door geworden”: er zullen weinig oudheidkundigen zijn die zó ver zijn gegaan als Heinrich Dressel. Geboren in Rome in 1846 als zoon van een medewerker van de Pruisische diplomaat, groeide hij op in Italië. In 1868, kort voor de Italiaanse annexatie van Rome, week hij uit naar Duitsland. Eenmaal toegelaten tot de Berlijnse universiteit, studeerde hij in 1871 bij Theodor Mommsen af op de bronnen van de Epitome de Caesaribus van Aurelius Victor, waarna hij een prijs kreeg voor zijn studie naar de bronnen van de Etymologieën van Isidorus van Sevilla. Deze studie werd aanvaard als proefschrift, waarna Mommsen de achtentwintigjarige geleerde inlijfde als medewerker van het Corpus Inscriptionum Latinarum. Als u dat werk niet kent: het is een complete boekenkast vol lijvige boeken, waarin alle bekende Latijnse inscripties staan.

Rome en Berlijn

In 1877 keerde hij terug naar Rome om daar verder te werken aan het Corpus. Daar werd hij in het volgende jaar benoemd tot hoogleraar. Na lange aarzeling keerde hij echter weer terug naar Berlijn, als directeur van het Pruisische penningenkabinet. Dat is volgens mij de adembenemende collectie van het Bode-museum, maar ik kan ernaast zitten. Hij verwierf de beroemde gouden penningen uit Abukir (een, twee, drie, vier).

Lees verder “Heinrich Dressel”

Theodor Mommsen

Mommsen (Humboldt-Universität, Berlijn)

Ik noemde een tijdje geleden Theodor Mommsen en realiseerde me dat ik nog nooit over hem had geblogd. Tijd om iets recht te zetten. Mommsen was in zijn tijd namelijk echt een beroemdheid en is eigenlijk nog altijd een van die grote negentiende-eeuwse geleerden die een mens behoort te kennen. Een biografietje dus maar.

Mommsen is in 1817 geboren in een door de Deense koning bestuurd deel van Duitsland. Omdat zijn vader predikant en niet onbemiddeld was, kreeg de jonge Theodor een professionele oudheidkundige opleiding: een studie klassieke talen en rechten in Kiel. Na te zijn afgestudeerd ontving hij een Deense beurs om Frankrijk en Italië te bezoeken, waar hij in Napels inscripties bestudeerde.

Lees verder “Theodor Mommsen”