
Het zou in de rede hebben gelegen als ik vandaag zou bloggen over Pinksteren, maar daar heb ik het al vaker over gehad (namelijk hier) en ik heb geen zin in herhaling. Nadat de auteur van Handelingen heeft verteld over die gebeurtenis, de komst van de Heilige Geest dus, presenteert hij een lange toespraak van Petrus, en vervolgens is er een beschrijving van het leven van de eerste christenen.
Ze wijdden zich trouw aan het onderricht dat de apostelen gaven, aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag. Allen die tot geloof gekomen waren, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten hun eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk.noot
Gedeeld bezit
Dit is een antieke utopie. Daarin herkennen we altijd enkele elementen. De eerste daarvan is het gemeenschappelijk bezit. De Griekse filosoof Aristoteles haalt bijvoorbeeld het spreekwoord “onder vrienden is alles gemeenschappelijk” aan, omdat een belangengemeenschap het fundament zou zijn van elke vriendschap.noot De Romein Cicero kent hetzelfde Griekse gezegde en legt uit dat je alles moet delen waar je zonder schade iets van kunt missen.noot Een joodse parallel is de Gemeenschapsregel uit Qumran.
Allen zullen al hun kennis, kracht en bezit inbrengen in de gemeenschap Gods om hun kennis te reinigen door de waarheid van Gods inzettingen, hun kracht in te zetten overeenkomstig de volmaaktheid van zijn wegen en al hun bezit volgens zijn rechtvaardige raad.noot
Gedeelde maaltijd, gedeelde idealen
Een tweede aspect is de gemeenschappelijke maaltijd. Die kennen we van de mysteriën van Mithras en de Qumran-gemeenschap, maar ook in de evangeliën gaat men nogal eens samen aan tafel. In een bekende passage, over het uitzenden van de apostelen, staat dat zij geen reistas hoeven mee te nemen en erop mogen vertrouwen dat ze eten en drinken zullen krijgen.noot In het jargon van de sociale wetenschappen: we hebben te maken met open commensaliteit, dat wil zeggen dat de leden van een gemeenschap altijd bij elkaar kunnen aanschuiven.
Tot slot is er altijd datgene wat zo’n gemeenschap verbindt: een ideaal, een discussie, een leer. Dat konden de ideeën zijn van een Aristoteles of van een Epikouros, of van een joodse plattelandsmessias, maar in elk geval was de discussie gestructureerd. De auteur van de Handelingen vertelt dus dat de eerste christenen zich trouw wijdden aan het onderricht dat de apostelen en daarvoor samenkwamen in de tempel. Dit lijken andere bijeenkomsten te zijn geweest dan die bij elkaar thuis, waarbij de gedeelde maaltijd centraal stond.
Samenkomen in een tempel was overigens ook de gewoonste zaak van de wereld. Iedereen wist die gebouwen te vinden en er was altijd publiek. Een mooie parallel is te vinden bij Dion Chrysostomos, die ergens opmerkt dat je bij de tempelpoorten altijd wel filosofen van de cynische school kon verwachten.noot
En tot slot: wat we lezen in Handelingen, is natuurlijk een utopie. Het christendom was een greedy institution en dat leidde tot wrijvingen. Een iets reëlere schets vinden we in de Didache, waarin we lezen dat als een christelijke leraar op visite komt, hij uiteraard kan aanschuiven aan tafel – maar niet langer dan twee dagen.noot
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Zelfde tijdvak
Misverstand: Joodse klerenmaart 26, 2020
Domitianus’ protegé: Velius Rufusnovember 20, 2021
De eerste wereldtaalseptember 26, 2017

Leuk stukje en een welgekozen citaat dat ik niet eerder met aandacht had gelezen, bedankt!
De parallellen met Aristoteles en Cicero lijken me minder betekenisvol dan de verschillen. Dat je je bezittingen in zekere mate deelt met je vrienden hoort in veel culturen bij de definitie van vriendschap. Wie echter tot de harde kern van Jezus’ volgelingen behoorde, liet zijn familie, zijn bezittingen en zijn middelen van levensonderhoud achter en werd een onderdeel van een alternatieve gemeenschap.
Een utopie met reële gevolgen, al was het maar omdat de vroegste christelijke gemeenschappen met die gedeelde bezittingen bijvoorbeeld ook slaven vrijkochten. Ook al was sociale verandering niet het doel, met die instelling tastten ze wel de aristocratische fundamenten van de Griekse en Romeinse cultuur van Aristoteles en Cicero aan.
Dat inzicht kun je trouwens al in de negentiende eeuw vinden bij tegenstanders van het christendom als Renan en Nietzsche. Die herleidden de Parijse Commune en andere opstanden uit hun eigen tijd tot het egalitarisme van de vroegste christenen.
Ach ja die egalitaire christenen…tasten de aristocratische fundamenten van de Griekse en Romeinse maatschappij aan…
En toen kwamen de Middeleeuwen (in het ‘Westen’)…een tijdperk vol egalitairisme en een aristocratische cultuur ontbrak geheel…🤔
Ik had het dan ook over de vroegste christenen, niet over het christendom in het algemeen. Elke kerkgeschiedenis leert dat die idealen onvermijdelijk botsten met de heersende sociale en politieke orde en daar meestal snel aan aangepast werden – zie ook de opmerking van Fried Deelen hieronder.
Dat neemt niet weg dat het visioen van een alternatieve gemeenschap, zonder privébezit en in gelijkheid voor God, op gezette tijden en in verschillende gedaanten bleef terugkeren, bijvoorbeeld bij waldenzen, franciscanen en in het protestantisme bij de wederdopers, die in Münster voor korte tijd een staat zonder privébezit vestigden.
Die bewegingen monden in de praktijk nogal eens uit in dystopieën, de Wederdopers in Münster zijn daar het bekendste voorbeeld van.
De Kerk heeft de feodale orde (laten we dat zo maar even noemen) actief bevordert en ondersteunt.
Ik denk dat het probleem hier is: “de” feodale orde en “de” kerk. Terwijl ik precies begrijp wat je bedoelt en denk dat de bewering ook waar is, is ze dat tegelijk ook niet.
Dat is geen verwijt. Het is de spanning in n’importe welke historische analyse. Ik werk op dit moment aan de stukjes over de Europese historische canon (waarover ik eerder blogde) en merk bij elke alinea dat, du moment dat ik het belang van een bepaald thema wil uitleggen, ik te kort door de bocht moet gaan.
Het is, denk ik, inherent aan onze neiging betekenis te geven aan het verleden dat we het verraden. Nu ik dit schrijf, denk ik: een opmerking van deze strekking moet ik toevoegen aan de verantwoording. En zo zien we weer hoe leuk een blog als deze is, althans voor mij. 😉
Het wáár en níet wáár van een bewering als een soort Schrödingers Kat…?🤔
‘De Kerk’ is hier natuurlijk de het kerkelijk instituut/apparaat dat tegen de heersers vaak koningen aanschurkte en zich steeds meer op de Bisschop van Rome oriënteerde. Tegelijk kan dat apparaat ook wel als ‘officiële oppositie’ tegen de wereldlijke macht worden gezien. Onofficieel. Maar de bestaande orde werd actief ondersteunt.
Wat ingewikkeld allemaal…
Door het een utopie te noemen en er een standaardthema van te maken, zeg je feitelijk dat het nooit plaatsgevonden heeft. De Didache wijst eerder op het tegendeel: het gemeenschappelijke leven -gebed, maaltijden, bezit- bestond nog, maar de eerste breuken waren zichtbaar. Er moesten inmiddels maatregelen tegen misbruik genomen worden.
Ik denk niet dat ik dat beweer, dat het feitelijk niet heeft plaatsgevonden. Ik beweer dat een situatie wordt beschreven in utopische termen. Dat lijkt me toch iets anders.