
Wat bij de totstandkoming van de traditie over Mozes lijkt te zijn gebeurd, is dat mondeling doorvertelde verhalen ergens in de Late IJzertijd zijn opgeschreven door iemand die er een datering 480 jaar voor koning Salomo aan toevoegde. Het lijkt mij op dit punt valide om te zeggen: we laten die chronologie wat ze is, want daarmee heeft een auteur ooit een voor hem belangrijk punt willen toevoegen dat losstaat van de voor hem liggende, oudere tradities. En die waren dus mondeling.
Nu is die mondelinge traditie, om eerlijk te zijn, eigenlijk de oudheidkundige jokerkaart. We schuiven er Mozes mee naar de verhalenvertellers, wier vertellingen niet langer reconstrueerbaar en controleerbaar zijn. Je zegt feitelijk iets als “ja, Mozes heeft vermoedelijk bestaan, maar nee, we kunnen er niet dichterbij komen”. Zo kun je ook het bestaan beredeneren van koning Arthur en Siegfried, die vermoedelijk wel hebben bestaan, of van Herakles en Berend Botje, waarvan het bestaan veel dubieuzer is. Eigenlijk is de constatering, hoe waar ook, dat Mozes aan de samenstellers van de Bijbel bekend was uit de mondelinge traditie, een verlegenheidsoplossing.
Toetsing van een sage
Gelukkig is de geloofwaardigheid van de mondelinge tradities wel een beetje toetsbaar, zij het niet via de bronkritiek. Ik begin met de simpele constatering dat er natuurwetten zijn, die grenzen stellen aan de mogelijkheden. Wandelstokken veranderen niet in slangen, water verandert niet in bloed en zeeën splijten niet in tweeën. Zulke verhalen zijn simpelweg onmogelijk en dat wisten de mensen vroeger ook.
Daarmee komen we bij het feitelijke toetsingsinstrument: het formalisme ofwel de vormkritiek. We kennen uit de oude wereld honderden verhalen die strijdig zijn met de natuurwetten, zoals dat over de twee kinderen die geofferd dreigen te worden maar op het moment sûpreme worden opgehaald door een vliegende ram met een gouden vacht. In zo’n verhaal is er altijd een noodsituatie die normaliter niet te verhelpen is, vervolgens is er een wonder en daarna loopt alles goed af. De crux is niet dat men destijds dacht dat dit soort dingen werkelijk waren gebeurd: de crux van dit verhaaltype is een waarschuwing voor het type probleem – in ons voorbeeld een waarschuwing voor het brengen van kinderoffers, wat de goden niet appreciëren.
Zo bezien verandert het verhaal van de Uittocht in een verhaal over onderdrukking en de goddelijke bestraffing van de onderdrukkers. Het verhaal biedt daarnaast – of in de eerste plaats – wat hoop aan degenen die de onderdrukking ondergaan.
Kortom
Ik schreef al dat de datering van Exodus een punt is van discussie. Een van de mogelijke dateringen is ten tijde van de Babylonische Ballingschap (586-539 v.Chr.), die door veel Joden zal zijn ervaren als onderdrukking. Het kan, misschien is het wel zo, maar we weten het niet omdat we het niet weten kunnen.
Hoe zou het verhaal zijn gegroeid? We komen niet verder dan dat er in de IJzertijd verhalen circuleerden over een leider genaamd Mozes, dat er verhalen waren over een Intocht (niet per se vanuit Egypte), dat er herinneringen waren van nomaden die door de Sinaï trokken en dat dit alles op zeker moment is gecombineerd met een onmogelijke chronologie. Verder is een indrukwekkend verhaal geschapen over de Uittocht, waarin mogelijk echo’s klinken van werkelijke rampen en epidemieën. Misschien is een Egyptische mythe over de bloeddorstige godin Hathor omgewerkt tot het verhaal over de dood van de eerstgeborenen, dat in Exodus een theologische dubbele bodem heeft over eerstelingenoffers.
Meer valt er niet van te maken. Ik weet dat er allerlei speculaties zijn van het type “de naam Mozes is niet Hebreeuws en ziet er Egyptisch uit” (maar wat bewijst dat?), of “als de Nijl in bloed verandert, is dat eigenlijk een algenplaag” of “de lichtende zuil die de Hebreeën door de woestijn loodste, was de uitbarstende Thera”. Los van het feit dat dit laatste zou betekenen dat de Hebreeën regelrecht de Middellandse Zee in werden geloodst, zijn zulke speculaties uitsluitend bedacht om iets dat oudheidkundigen niet wetenschappelijk en overtuigend kunnen bewijzen, alsnog te geloofwaardig te doen lijken. Andere speculaties, zoals dat er herinneringen zijn aan de Hyksos-tijd, verdampen in het licht van wat inmiddels bekend is over die periode.
Dit is, volgens mij, tot waar de oudheidkundige kennis reikt. Een joodse of christelijke gelovige, die naast het oudheidkundige bewijs de openbaring erkent als bron van informatie, kan en mag vanzelfsprekend méér aannemen voor waar. Dat zal ik de gelovige niet kwalijk nemen. Maar voor anderen geldt: oudheidkundigen weten weinig over Mozes, en de zojuist genoemde speculaties, die dienen om een niet wetenschappelijk bewijsbaar verhaal alsnog te onderbouwen, zijn uitingen van pseudowetenschap.
Zelfde tijdvak
Toetanchamon en Nefertitidecember 30, 2015
Het zoroastrismedecember 22, 2023
Myceense religiedecember 4, 2014

Detail: ik denk dat de Peutingerkaart het heeft over “de kinderen van Israël “.
“Een joodse of christelijke gelovige, die naast het oudheidkundige bewijs de openbaring erkent als bron van informatie…”
Ik denk dat openbaring nou juist meer is, of vooral iets anders, dan louter informatie. Informatie behelst feiten, data en meetbaarheden. Als gelovigen dat proberen te harmoniseren met wat ze ‘openbaring’ noemen, slaan ze de plank mis. Maar Bertus Aafjes had ook een punt: ‘Dichters liegen de waarheid’.
Hangt er van af hoe we “informatie” definiëren. In de wiskunde betekent het nog iets een tikkeltje anders, bv. “een reeks stochastische variabelen die zich over een eindig alfabet Γ uitstrekken en een stationaire verdeling hebben.” Ik weet vrij zeker dat noch JonaL noch mensen die openbaringen accepteren noch nieuwsmedia dergelijke reeksen opstellen. Een leraar ook niet die leerlingen informatie verstrekt over covalente bindingen.
“Zo bezien verandert het verhaal van de Uittocht in een verhaal ….”
En dat “tweede” verhaal vind ik een stuk interessanter dan het gezeur of het allemaal echt zo gebeurd is. Degene(n) die het als eerste opschreven bekreunde(n) zich er immers ook niet om. Verstandige gelovigen (en dat zijn iig in Nld de meesten) kijken er op dezelfde manier tegen aan.
Ik ben het in grote lijnen met je eens. Ik weet ook niet of Mozes heeft bestaan. Je vergeet nog een belangrijk punt en dat is dat de farao de Israelieten opdroeg de steden Pithom en Raamses te bouwen. Nu zijn deze steden gebouwd door Ramses II (1279-1213) dus zou Ramses II de farao van de Uittocht zijn. Alleen: hij is niet verdronken, zijn mummie is bewaard (of en zou zijn lijk uit de zee of lagune hebben kunnen vissen, zoals ook Graaf Willem II verdronken is, waarbij zijn lijk is teruggevonden). Van zijn zoon Merne-Ptah is bekend dat hij in de Levant de Israelieten tegen kwam als volk, Eerste buitenbijbelse ref naar Israelieten.
Zelfs de hooggeleerden gaan nog soort van serieus…jongens, aanvaardt nou eens gewoon, er was geen Mozes, geen Exodus, ook niet soort van een beetje -op en neer trekken tussen Egypte en Kanaän telt niet, dat er wel eens slaven hun meesters in Egypte ontvluchtten ook niet.
Met slaven worden dienaren bedoeld: ‘abed’, zoals in de naam Abed Nego, een theofore naam. En met Mozes wordt mss = kind bedoeld, ook theofoor maar de godheid wordt niet genoemd, zoals bij Ra-mose: kind van de Zon, Jah-mose: kind van de Maan, Thot-mose: kind van Thot, Amon-mose: kind van Amon etc. etc. En Mozes bestond wel degelijk in de hoofden en harten van mensen. Via Mozes is de egyptologie tot ons gekomen en dus de papyrus Ebers, de tempel van Debod en nu weer het boek van de Hemelkoe, waarover eminent egyptoloog Hornung in 1997 publiceerde in de reeks Orbis Biblicus et Orientalis, die geheel online staat: AWOL – The Ancient World Online: Open Access Monograph Series: Orbis Biblicus et Orientalis
https://share.google/okXxOvLZnYWux8emB
Maar Hathor, de godin van de liefde, is niet de bloeddorstige Sechmet.
Dat maakt Mozes nog steeds niet ‘echt’ wat u ook niet lijkt te durven claimen.
Deze dame laat in een recente video nog eens zien waar de schoen wringt, aan de hand van de halsbrekende toeren van een apologeet (de stiefmoeder van Mozes was Hatsjepsoet…?😵💫) https://youtu.be/0XInd6rGMcA?si=OmvuB4L3jGvSB-7s
De twee Mozes-stukjes heb ik graag gelezen.
Een verlaat bericht bij het Mozes Blog 1 en 2.
Wat ik wil toevoegen is de aanpak, die Karel van der Toorn toepaste. Hij start met de crises van de 12e eeuw a.c.
Sterke klimaatsveranderingen zorgden voor droogte in het Oosten van de Middellandse zee. Resultaat: nomadische groepen/stammen zoeken minder droge gebieden op. Vanuit de Midian ten oosten van de Golf van Akaba, de Sinaï ten westen en Negev naar het noorden, naar het vrijwel onbevolkte heuvel-bergland van Israël en Juda.
Bevolkingscijfers van zeg 1200-950 a.c. (Zie Israël Finkelstein b.v. The Forgotten Kingdom) Aramees sprekende nomaden op drift van oost naar west, arriveren in de omgeving van Damascus, bereiken het overjordaanse en het noorden van Kanaän.
Tot slot de kustbewoners van Palestina, misschien al eerder op drift (zie Merneptah Stèle) uit hun vijf steden verdreven (Filistijnen) zoeken deels hun heil in het berggebied.
N.B. Jaweh is vgl van der Toorn geen Kanaänitische godheid.
El is de oppergod van de Amoritische stammen, de ex-kustbewoners hebben Kanaänitische goden als Baäl, Asjera etc.
Het verhaal van de bijbel over de nakomelingen van de aartsvaders, uittocht, verlossing, dwalen, verovering, intocht in het beloofde land etc. is kennelijk zo’n goed verhaal dat het nog wijd en zijd aangehaald wordt.
Als historisch verslag is het echter ‘fake’. Deze oorsprongsmythe heeft m.i. wel allerlei associaties en is weliswaar sterk religieus ingekleurd.
a) Mozes >> Midian b) Sinaï >> Jaweh verschijnt daar! c) beloofde land >> groen vruchtbaar d) Babylonische ballingschap e) nomadische achtergrond:
varkensvlees >> onrein etc.
De verdere uitwerking van de Deuteronomistische geschiedenis is overigens meer dan de moeite waard zie:
Van Karel van der Toorn: ‘Wie schreef de Bijbel?’ (vertaald 2009) en
‘Israelite Religion’. (2025)