Voor-westerse geschiedenis (7) het “image of limited good”

Alles wat kracht kostte, was te herleiden tot spierkracht (Louvre, Parijs)

Toen ik deze reeks “voor-westers” doopte, was dat enerzijds om aan te geven dat het gaat over een wereld die er was vóórdat het idee van West-Europa ontstond en anderzijds omdat ik het heb over iets wat voorafgaat aan de historische gebeurtenissen – noem het de voorwaarden, de factoren of de omstandigheden die het menselijk handelen beperken en beïnvloeden. Er is nog een derde reden om de periode af te bakenen van de algemene geschiedenis van de westerse wereld: het energiebeheer. Simpel geformuleerd was vrijwel alle energie in de voor-westerse wereld te herleiden tot voedsel. En dat is hoogst problematisch.

Onoverkomelijke grenzen

Neem het geval van de boer die meer wil produceren, dus meer land moet bewerken en dus meer zal moeten ploegen. Dat vergt extra energie en die energie zal de boer moeten halen uit zijn voedsel. Hij zou die beperking kunnen oplossen door een rund of dromedaris voor de ploeg te spannen, maar ook dat dier zal eten. Een aanzienlijk deel van wat méér geproduceerd zou kunnen worden, verdwijnt dus in het arbeidsproces.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (7) het “image of limited good””

Het museum van Oudenburg

Het Romeinse fort Oudenburg rond 325 na Chr.

In de jaren zeventig van de tweede eeuw na Chr. plunderden Chauken (*Hauhae ofwel “hooghemers”, zeg maar de bewoners van de wierden in Groningen) het Vlaamse kustgebied. Daar woonden de zogeheten Menapiërs: een oeroude naam die de Romeinen bleven gebruiken voor de bewoners van een gemeente die ze bestuurden vanuit Doornik. We zouden niets van de Chaukische plundertocht hebben geweten als de Romeinse generaal die tegenmaatregelen trof, Didius Julianus, in 193 niet een paar weken keizer zou zijn geweest, waardoor we beschikken over zijn biografie. Er waren al wat forten langs de Noordzee, maar nu maakten de Romeinen echt werk van de kustverdediging. In deze context moeten we het fort plaatsen van Oudenburg.

Een fort uit de vierde eeuw

Het plaatje hierboven toont hoe het er uitzag in de vierde eeuw: een zes meter hoge muur die inmiddels was opgetrokken uit steen, een brede gracht en torens waarop de soldaten geschut konden plaatsen. Binnen de muren waren een badhuis, een lazaret, een stafgebouw, werkplaatsen, voorraadschuren, een huis voor de commandant en de gebouwen waar de soldaten overnachtten. Er leefden ook vrouwen in het fort, maar hun status is onduidelijk.

Lees verder “Het museum van Oudenburg”

De waarde van mythen

Afdruk van een zegel met een scène uit een van de mythen van Mesopotamië (Louvre, Parijs)

Ergens in de zesde eeuw v.Chr. begonnen de mensen te twijfelen aan de goden. Misschien deden ze dat eerder ook, maar daarover hebben we geen geschreven bronnen. Een joodse auteur haalde uit naar “goden van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden”, die weliswaar een mond en ogen hadden maar niet konden spreken of zien.noot Psalm 115.4-5. Een van zijn tijdgenoten, de Griek Xenofanes, constateerde dat de Ethiopische goden platte neuzen hadden en een zwarte huid, terwijl de Thraciërs zeiden dat hun goden blauwe ogen en rood haar hadden. Als dieren zouden kunnen tekenen, insinueerde Xenofanes, zagen hun goden eruit als runderen, paarden of leeuwen.noot Xenofanes, fragment 16. Een derde tijdgenoot, Pythagoras, beweerde dat de dichters Homeros en Hesiodos in de Onderwereld werden bestraft omdat ze feitenvrije verhaaltjes over het goddelijke hadden opgehangen.noot Vgl. Diogenes Laertios, Levens van de filosofen 8.21.

Rationalisering

Tja, die verhaaltjes. De mensen hielden van hun mythen, maar het was waar: die aloude vertellingen waren wel erg vreemd. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos toonde een manier om er desondanks mee verder te gaan: sommige mythen vielen te lezen als beschrijvingen van de natuur. Ik heb op deze blog al eens verteld dat hij een mythe over Poseidon als schepper van het Tempe-ravijn combineerde met het feit dat deze godheid “aardschokker” werd genoemd, en dat Herodotos redeneerde dat de mythe ging over een aardbeving.noot Herodotos, Historiën 7.129. Deze manier om mythen te lezen is in de achttiende eeuw in West-Europa weer opgepakt, en je hoort nog weleens beweren dat mythen dienden om de natuur te verklaren.

Lees verder “De waarde van mythen”

X Fretensis, het varkenslegioen

Grafsteen van een legionair van X Fretensis uit Kyrrhos

De trouwe lezers van deze blog hebben gemerkt dat ik ben begonnen met een reeksje over de Romeinse legioenen. Zoals een geschiedenis van de Verenigde Staten geschreven kan worden geschreven aan de hand van Cullum’s Register, met daarin de namen van de mannen die het land hebben opgebouwd, zo is de geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk voor een fors deel regimentsgeschiedenis.

Ontstaan

Het Tiende Legioen was natuurlijk een oudje. Het bestond al vóór Julius Caesar naar Gallië trok en lijkt na de campagne rond Munda in 45 v.Chr. te zijn gedemobiliseerd. In de burgeroorlogen na Caesars dood tekenden allerlei oud-soldaten opnieuw bij, sommigen vechtend voor Octavianus, anderen voor Marcus Antonius. Zo waren er twee Tiende Legioenen; ik blogde daar al eens over. Eén van die twee Tienden diende aan de Straat van Messina en nam deel aan Octavianus’ expeditie tegen Sextus Pompeius op Sicilië. Dit legioen heette sindsdien Fretensis, “van de zeestraat”.

Lees verder “X Fretensis, het varkenslegioen”

De Gallische boerderij

Een Gallische boerderij: reconstructie in de Archéosite, Aubechies.

Een tijdje geleden kocht ik het Dictionnaire de la langue gauloise van Xavier Delamarre en dat heb ik zowaar gelezen. Al eerder blogde ik over de manier van reconstructie, over zomaar wat woorden, over kledingstukken en enkele bekende plaatsnamen. Vandaag neem ik u mee naar een Gallische boerderij.

Om te beginnen hebben we een weide ofwel clunia. Het woord leeft voort in het Iers en enkele andere Keltische talen, en omdat er Griekse en Litouwse parallellen zijn, kunnen we nog wat verder naar terug en een heel oud woord *klopni reconstrueren, wat zoiets betekent als “bewaterd veld”. Plaatsen die naar Gallische weiden zijn vernoemd zijn het Franse Cluny en Clugnat, het Oostenrijkse Clunia, het Britse Clowne en Clunton en nog zo het een en ander van Spanje tot Hongarije.

Lees verder “De Gallische boerderij”

Misverstand: het Gallische everzwijn

Everzwijn (een varken is minder behaard, heeft een krulstaart en een stompere neus)

Mijn eerste geschiedenisles kreeg ik in de eerste klas van de lagere school. We lazen een verhaaltje over twee Germaanse jongens, Baldo en Olwin, die op berenjacht gingen. Van dat beeld, dat ze tweeduizend jaar geleden in onze contreien leefden van de jacht, in dierenhuiden gekleed gingen en bier dronken uit runderhoorns, klopt weinig. Archeologen hebben immers weefgewichten en aardewerk opgegraven. Die voorwerpen bewijzen dat de mensen deden aan landbouw, textiel konden maken en wel iets geavanceerder drinkgerei hadden.

Verkeerde beelden als deze blijven echter terugkeren. Een voorbeeld is het denkbeeld dat men destijds joeg op everzwijnen, bekend uit Asterix. Wie niet méér leest over de Oudheid – en dat zijn de meeste Asterixlezers – zal de rest van zijn leven blijven denken dat everzwijnen een substantieel deel vormde van de voeding van de oude Galliërs en Germanen. Nu zullen antieke jagers zeker weleens met everzwijn zijn thuisgekomen, maar er zijn hier nogal wat problemen.

Lees verder “Misverstand: het Gallische everzwijn”

Dierenbotten uit Carnuntum

Na afloop van een jachtpartij in het amfitheater worden de kadavers geruimd. Eén beer geeft zich nog niet gewonnen. Dit reliëf komt uit Kibyra en is nu in de Archeologische Musea van Istanbul.

Even ten oosten van Wenen ligt Carnuntum. Een Romeinse legioenbasis zoals er wel meer zijn: een groot fort, een rivierhaven, een stad ernaast, een residentie voor een bestuurder, heiligdommen. Het Veertiende Legioen Gemina, hier gestationeerd, had het allemaal. En wat zo aardig is: het is nauwelijks overbouwd, zodat de plek een archeologische vindplaats hors catégorie is.

Momenteel doen bioarcheologen onderzoek naar het amfitheater bij het fort, waar de botten zijn gevonden van de dieren die daar in de Late Oudheid in de arena zijn omgebracht. U denkt nu aan leeuwen, maar daarvan zijn geen resten gevonden. De archeologen hebben wel een door honden aangevreten panterbot aangetroffen, maar het is onduidelijk of de panter het in de arena heeft moeten opnemen tegen wilde honden of wolven, of dat het kadaver voor de honden is geworpen. Was de panter een exoot, de rest van de dieren was inheems: beren, herten, wolven, bizons en wat everzwijnen. Na de jachtpartijen in de arena gingen ze allemaal naar de slager, die het vlees verkocht en de botten dumpte. Zie het plaatje hierboven.

De slager slachtte verder varkens (daarover binnenkort meer), schapen, paarden, ezels, kippen, ganzen, hazen en een enkele geit. De opgravers vonden ook visgraten en de botjes van raven, kraaien en kauwen. Kortom, afgezien van de panter waren het allemaal inheemse dieren, wat misschien een aanwijzing is voor de regionalisering van de Romeinse economie in de Late Oudheid. Er was echter nóg een exoot.

Lees verder “Dierenbotten uit Carnuntum”

Romeins vlees

Het zal u geruststellen dat consumptie toch veilig is

Een tijdje geleden blogde ik over Romeins kannibalisme en ik wees erop dat in antieke steden nogal wat varkens en honden rondiepen, dieren die de gewoonte hebben afval te eten. Ze golden in het oude Nabije Oosten niet voor niets als onrein. Het was, zo schreef ik, dan ook “niet zo vreemd dat bijna de helft van alle bekende amuletten betrekking heeft op maagkramp”. Ik voegde toe dat de Romeinen geen verband legden tussen maagkramp en het eten van vlees dat, toen het nog op vier poten rondwandelde, afval had gegeten.

Daarop ontspon zich een discussie over het koken en bakken van vlees. Koken en bakken dienen immers om voedsel eetbaar dat eigenlijk niet zo goed eetbaar is, alsnog geschikt te maken voor menselijke consumptie. Ik legde de kwestie voor aan Manon Henzen van Eet!Verleden uit Nijmegen. Als Manon het niet zou weten, weet niemand het.

Lees verder “Romeins vlees”

De dwaas van Gerasa

Umm Qays, graf van de Germani

Als iemand me zou vragen wat het mooiste verhaal uit de oude wereld is, dan zou ik niet weten welk dat is, maar het verhaal van de dwaas van Gerasa uit Evangelie van Marcus scoort in elk geval hoog. Hier is het, in de Nieuwe Bijbelvertaling.

Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen. Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam hem meteen vanuit de grafspelonken een man tegemoet die door een onreine geest bezeten was en in de spelonken woonde. Zelfs als hij vastgebonden was met een ketting kon niemand hem in bedwang houden. Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest, maar dan trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk, en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen. En altijd, dag en nacht, liep hij schreeuwend tussen de rotsgraven en door de bergen en sloeg hij zichzelf met stenen.

Lees verder “De dwaas van Gerasa”