Confucius 4: Confuciaanse relaties en verhoudingen

Chinees bronswerk uit de tijd van Confucius (Musée Guimet, Parijs)

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het vierde blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

In het China van de tijd van Confucius deed het er nogal toe waar je wieg stond. Afkomst bepaalde in hoge mate de kansen die je kreeg. Het recht op scholing en het recht op het bekleden van hoge functies hingen daarvan af. Macht was daarbij overerfelijk. Het maakte dus nogal wat uit of je van adel was of niet.

Confucius daarentegen pleitte voor een meritocratie. In zijn filosofie is afkomst minder belangrijk dan morele kwaliteit en scholing. Volgens Confucius is het voor ieder mens namelijk mogelijk zich te ontwikkelen. Sociale verschillen zouden volgens Confucius gebaseerd moeten zijn op deugd, inzet en bekwaamheid. Deze houding zou veel invloed hebben op de latere Chinese cultuur, en zou nog later indruk maken op denkers van het westerse Verlichtingsdenken.

We moeten echter niet de fout maken te denken dat Confucius voor volledige sociale gelijkheid pleitte. Ieder mens zou de kans moeten krijgen zich te ontwikkelen tot een hoogstaand mens, maar … tegelijkertijd dient iedereen in de sociale orde zijn plaats te kennen, en zich te gedragen overeenkomstig de rol die hij heeft. Het confucianisme focust dan ook heel erg op de sociale rollen in menselijke verhoudingen.

Eerbied voor ouders (Xiao)

We hebben in het vorige blogje al gezien dat in de confuciaanse filosofie xiao, oftewel eerbied voor ouders, een belangrijke deugd is. Het kind is zijn ouders altijd respect en eerbied verschuldigd. Maar daar staat tegenover dat de ouder het kind zorg en begeleiding moet geven. Deze plichten zijn onvoorwaardelijk: als één van de partijen haar plicht jegens de ander niet vervult, is dat geen reden voor de andere partij om te verzaken.

In het Boek der Documenten vond Confucius een dans waarin verhaald wordt van de legendarische Shun, die zijn vader én zijn boze stiefmoeder altijd met respect blijft behandelen, en de stiefmoeder geeft wat haar vanwege haar positie toekomt, zelfs wanneer diezelfde stiefmoeder hem bij zijn vader blijft belasteren en hem tracht te vermoorden. Uiteindelijk wordt Shun voor dit voorbeeldige gedrag beloond doordat de koning hem vanwege juist vanwege dat voorbeeldige gedrag uitkiest als zijn opvolger. Zijn stiefmoeder ziet uiteindelijk haar fouten in en toont berouw. Moraal: blijf altijd je ouders vereren en gehoorzamen, ook als zij dat eigenlijk niet verdienen. Zo behoud je de natuurlijke orde, en dat geeft stabiliteit en voorspoed.

De heerser

Confucius bespreekt verschillende soorten relaties die mensen met elkaar kunnen hebben, waar de ouder-kindrelatie er een van is. Een andere relatie is die van heerser en onderdaan, of als we modern willen doen: die van leidinggevende en ondergeschikte. Een ondergeschikte is een heerser loyaliteit verschuldigd, en een heerser is de ondergeschikte dan weer rechtvaardigheid verschuldigd.

Omdat Confucius in de Analecten heel veel voorbeelden geeft van politieke verhoudingen en hoe daarmee om te gaan kunnen we hier veel uit concluderen over hoe hij deze verhouding ziet. Om te beginnen ziet hij regeren als een vorm van zelfopoffering. De heerser kan alleen effectief heersen als hij zich totaal dienstbaar maakt aan de inwoners van het land. Wie anders doet, ondermijnt zijn eigen gezag. Dat steunt immers op de harmonie van de samenleving en de tevredenheid van de mensen die hij bestuurt.

Een heerser kan volgens Confucius geen orde en trouw afdwingen door middel van regels en straffen. Dat zorgt er alleen maar voor dat de mensen handig worden in het ontwijken van die regels. Bureaucratie ontaardt bovendien snel, en is er dan op uit mensen juist niet te geven waar ze recht op hebben. Een goede heerser heeft weinig wetten nodig maar geeft het goede voorbeeld. Hij vraagt van niemand meer dan van zichzelf, en hij gaat uit van vertrouwen.

De goede heerser bevordert degenen die integer en bekwaam zijn. Wie achterblijft, moet worden onderricht. Wanneer de heerser een misdadiger betrapt, dient hij niet blij te zijn, maar verdrietig en barmhartig. In een goed bestuurd land is niet zoveel misdaad.

Beter dan recht te spreken, is het voorkomen dat er rechtszaken komen. Geschillen worden bij voorkeur opgelost door bemiddeling, en niet door rechtspraak.

Een goede leider geeft heldere orders, en verwacht niet meer dan waar hij om vraagt. Hij verkoopt zijn beslissingen door openlijk en eerlijk te benoemen wat hij daarmee wil bereiken, en niet door te doen alsof wat hij beslist noodzakelijk is: hij verschuilt zich niet.noot Ik moet mij inhouden om hier geen opmerkingen te maken over hedendaagse politici, maar ik denk dat de lezer zelf ook wel wat kan bedenken.

De onderdaan

Ten tijde van Confucius was democratie nog nergens uitgevonden en Confucius was ook zeker niet de bedenker daarvan. Confuciaanse onderdanen zijn altijd trouw en loyaal. Toch zijn ze niet conformistisch. Als een hoger geplaatste een fout maakt, dan zal de onderdaan hem daar op respectvolle wijze op te wijzen. Dat is geen recht, dat is een plicht! Zelfs als die onderdaan zichzelf daarmee schade aandoet of in gevaar brengt.

Ondergeschikten geven hun mening altijd “in harmonie”. Dus ze respecteren de instituties en zeden. Confucius zelf geeft zijn mening over heersers en hoger geplaatsten vaak niet direct, maar gebruik makend van metaforen en ironie, en soms van een veelbetekenend stilzwijgen, of van het stellen van een vraag waar instemming verwacht wordt. Beleefd, maar duidelijk. Eerbiedig, maar waardig. Dat is de opstelling die Confucius predikte én zelf praktiseerde.

Als ondergeschikten zich totaal niet in het bestuur kunnen vinden, dan kunnen ze stemmen met hun voeten: ze kunnen altijd vertrekken. Dit was in het China van Confucius ook voor eenvoudige mensen mogelijk. Het land behoorde aan de koning, en de boeren betaalden een deel van hun oogst om er te werken en te leven. Maar ze waren geen lijfeigenen. Een probleem waar Chinese heersers vaak mee worstelden was een te lage bevolkingsdichtheid: er was meer land dan arbeiders. Mensen waren elders dus meestal wel welkom. Als een land goed bestuurd wordt, stelt Confucius, dan trekken de mensen daar zelf naartoe.

Nota bene: land was natuurlijk niet alleen maar een economische factor, maar ook de standplaats van de gemeenschap en het graf van je voorouders. Veel mensen waren in die tijd vast ook wel gehecht aan hun woning, en hadden geïnvesteerd in de bebouwing van het land. Mensen verhuisden dus niet zomaar. Daarbij zou de politieke situatie een paar eeuwen na Confucius veranderen, waarbij boeren wel meer afhankelijk werden van hun heersers en niet zomaar konden vertrekken.

Andere relaties

Naast de relaties tussen ouder en kind, en heerser en onderdaan, noemt Confucius vaak de relatie tussen vrienden. Tussen vrienden zijn vertrouwen en oprechtheid van belang. Deze relatie kenmerkt zich door gelijkwaardigheid. Vrienden kunnen leren van elkaar, zowel van elkaars wijsheid en ervaring, als van elkaars fouten en zwakheden. Natuurlijk kiest de Confuciaanse mens alleen vrienden die oprecht proberen het juiste pad te bewandelen.

In het latere confucianisme worden deze drie relaties gesystematiseerd en worden er twee relaties toegevoegd om er een lijst van vijf van te maken: de relatie tussen de jongere en oudere broer of zus, en de man-vrouw-relatie.

[Deze gastbijdrage van Kees Alders wordt morgen vervolgd. Dank je wel Kees!]


Speculaties

juni 26, 2017

Naukratis (3)

mei 30, 2015
Deel dit: