
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het laatste blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.]
Confucius en het christendom
Het confucianisme is voor het westen “ontdekt” door Jezuïtische missionarissen in de late zestiende en zeventiende eeuw. Zij zagen het confucianisme als een soort natuurlijke, primitieve versie van het christendom, en promootten deze filosofie dan ook als zodanig (terwijl ze de andere grote filosofische systemen van het China van die tijd verwierpen). De Chinese riten zagen ze daarom als een mooie praktische ingang voor het christendom: waarom niet de christelijke rituelen een beetje aanpassen aan de Chinese gebruiken, om het via die weg meer acceptabel te maken?
Andere missionarissen, namelijk de dominicanen en franciscanen, zagen dit echter als heiligschennis. Binnen de katholieke kerk brak de zogeheten ritenstrijd uit, met als centrale vraag of Chinese bekeerlingen tot het christendom hun voorouders nog mochten vereren. Deze strijd woedde in de zeventiende en begin achttiende eeuw en werd uiteindelijk beslist door het Vaticaan in het nadeel van de jezuïeten, wat leidde tot een verwijdering van Europa en China.
Confucius en de verlichting
De confuciaanse filosofie had inmiddels echter wel Europese bewonderaars gekregen, met name met Gottfried Wilhelm Leibniz, die in het confucianisme een bewijs meende te zien voor een universele taal van logica, en een voorbeeld van het bestaan van een “natuurlijke religie”. Zijn werk over het confucianisme werd weer gretig gelezen door filosofen als Charles de Montesquieu, Voltaire en Denis Diderot.
Vooral het latere confucianistische principe van een staatsexamen als voorwaarde om aan de slag te mogen als ambtenaar sprak deze typische Verlichtingsdenkers aan. In Pruisen en later Engeland en Frankrijk werden uiteindelijk ook staatsexamens ingevoerd voor ambtenaren. Tijdens de discussies die leidden tot de invoering hiervan, is expliciet verwezen naar de nieuw ontdekte filosofie uit het Verre Oosten. Zodoende heeft het confucianisme een belangrijke rol gespeeld in het Europese denken over meritocratie.
Confucius in de moderne tijd
In het China van de twintigste eeuw brak Mao Zedong volledig met de oude confucianistische leer. De nieuwe filosofie van de communistische partij zou volledig vervangend moeten zijn voor al het oudere denken, dus ook en vooral voor het confucianisme. In plaats van de confucianistische canon was er het Rode Boekje.
Maar de filosofie heeft meer van dat soort klappen gekregen en overleefd. Wat de Qin-dynastie twee eeuwen v.Chr. met boekverbrandingen niet lukte, lukte Mao in de twintigste eeuw ook niet. In China en ook daarbuiten bleef het confucianisme levend, via geschriften en via rituelen.
Wie echter het hedendaagse culturele confucianisme wil begrijpen komt er echter niet met de bestudering van de oude meester zelf. De canonisering van de vijf kernwaarden dateert uit de Han-periode en is handig om meer inzicht te krijgen in het werk. Daarnaast zijn er andere denkers en filosofische stromingen die invloed hebben gehad op de vorming van het confucianisme. Met name Mencius had een grote invloed binnen de school. Van buitenaf oefenden de Yin en Yang filosofie, het boeddhisme en het taoïsme (daoïsme) dan weer hun invloed uit op de vorming en latere ontwikkelingen van de school.
Zeker zo belangrijk voor het confucianisme zijn de culturele gebruiken die eraan verbonden waren of mee raakten. Veel van de rituelen in confucianistische tempels zijn niet rechtstreeks tot Confucius te herleiden. Dat geldt ook voor veel van de sociale omgangsvormen en voorschriften, die desondanks wel confucianistisch genoemd worden.
Confucius en wij
In het westen anno nu worden de andere twee grote Chinese filosofieën, te weten het taoïsme (daoïsme) en het van oorsprong uit India komende Mahayana-Boeddhisme, doorgaans meer bestudeerd en hoger ingeschat, vooral in spirituele gemeenschappen. Ook de leer van Yin en Yang, die zich later met het confucianisme zou vermengen maar oorspronkelijk op zichzelf stond, wordt vaker aangehaald.
Het confucianisme van Chinese immigranten wordt in het Westen wel met argwaan ontvangen, als uiting van een conservatieve cultuur. Het arbeids- en studie-ethos van veel Chinezen wordt weliswaar met bewondering gadegeslagen, maar de sterke hiërarchische gerichtheid en vooral de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de ouders, doen de wenkbrauwen van westerlingen wel eens fronzen.
Maar dat zijn uiteindelijk vooral culturele uiterlijkheden. Ik denk dat het confucianisme in de oorsprong en diepte een heel interessante filosofie is, die ook nu nog actueel kan zijn, vooral als we kijken naar de vijf kernwaarden, en we deze in de geest van Confucius blijven bestuderen. De delen zes en zeven van deze serie zijn er wat mij betreft om uit te printen en ingelijst boven het bed te hangen. En politici en managers zouden het gedeelte over de heerser van deel vier er nog eens bij kunnen pakken. Dat geldt ook voor kiezers en ondergeschikten.
Het boeddhisme en het taoïsme (daoïsme) willen ons vooral leren hoe om te gaan met het bestaan als zodanig. Het confucianisme is praktischer, en leert ons medemenselijkheid, oftewel: hoe wij met mensen om dienen te gaan. En omdat wij, ook na duizenden jaren beschaving, daar nog steeds regelmatig ferm in tekortschieten, kunnen we van Confucius nog steeds veel leren.
[Dit was een gastbijdrage van Kees Alders. Later meer over de filosofie van China. Voor het moment: dank je wel Kees!]
Zelfde tijdvak
Joodse literatuur (3)mei 21, 2014
Woorden uit het Gallisch (slot)januari 23, 2024
De Iberiërs (3)april 24, 2026

Dank je wel Kees.
“De delen zes en zeven van deze serie zijn er wat mij betreft om uit te printen en ingelijst boven het bed te hangen”.
Heb ze op het toilet gehangen. Is beter, want als je slaapt lees je niet, terwijl je dat wel kunt doen wanneer een bolus maximus zijn uitweg zoekt. 😉