
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het vijfde blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.]
Het confucianisme is een expliciet intellectualistische filosofie. Opvoeding en studie staan centraal. Confucius’ eigen onderwijs stond open voor mensen van alle rangen en standen. Eenieder die, ten teken dat het onderricht hem wat waard was, desnoods voor de meester maar een stukje gedroogd vlees ter betaling meebracht, kon van zijn onderwijs gebruik maken.
Tenminste: als iemand maar wilde leren. Als leerlingen niet graag leerden, stak hij er ook geen moeite meer in. Verder keek hij naar talent. Als hij een leerling één kant van een kwestie had getoond, en deze kon daarop niet zelf drie andere kanten benoemen, dan ging hij niet verder.
Een leven lang studeren
De confuciaanse studie richt zich met name op gedragsregels, en die vinden hun oorsprong in de religieuze rituelen van de Shang-dynastie en de Westelijke Zhou. Bij de Shang waren dit echter hofrituelen geweest, die dienden om de natuurkrachten gunstig te stellen. In de filosofie van Confucius staan deze voorschriften model voor het juiste gedrag voor alle mensen, ook voor degenen die zich niet aan het hof bevinden. Deze gedragsregels dienen bij Confucius om de samenleving als geheel te structureren.
Het praktiseren gaat niet vanzelf. Je moet omgangsvormen begrijpen, leren, oefenen, en blijven oefenen tijdens het praktiseren. Het gaat erom jezelf te cultiveren, door te trainen in de juiste omgang met je medemensen. Niet één keer, maar je hele leven lang. Dat geldt ook voor studeren: niemand is ooit uitgeleerd. Confucius zelf zegt in de Analecten:
“Op vijftien jaar leerde ik te studeren; op dertig stond ik stevig in het leven; op veertig had ik geen twijfels meer. Op vijftig kende ik het mandaat van de Hemel; op zestig kon ik de waarheid horen zonder ervan te schrikken; op zeventig kon ik mijn hart volgen zonder de regels te overtreden.”
Het leven is kortom een school waarin men niet snel raakt uitgeleerd. En het leren beperkt zich niet tot het bestuderen van rituelen en gedragsregels. De ideale confucianist houdt zich daarnaast ook bezig met de studie van literatuur. Vooral de canonieke literatuur zoals het boek van de Oden en het boek van de Documenten is belangrijk. Verder dient hij zich te bekwamen in de muziek, rekenkunde, kalligrafie. En ook sport mag niet ontbreken: met name boogschieten en wagenmennen.
Deze vaardigheden waren natuurlijk allemaal nuttig op zichzelf, maar ze hadden daarbij hun rol in het trainen van discipline, concentratie en zelfbeheersing. Muziek werd gezien als een middel om emoties te reguleren en de sociale harmonie te bevorderen. Rekenkunde leert harmonie en precisie. Kalligrafie en boogschieten vereisen concentratie en precisie. Wagenmennen traint de concentratie en het presteren onder druk. Zo dragen al deze disciplines bij aan de vorming van het karakter, en daarmee aan een harmonieuze ontwikkeling.
Teveel afleiding is uit den boze. Confucius waarschuwt herhaaldelijk voor het gevaar van seksualiteit: wie zich daar teveel op richt als jong persoon, laat zich afleiden van de studie en verspilt zijn tijd en capaciteiten. Dat geldt in ieder geval voor promiscue seks en hopeloze verliefdheden. We hoeven van Confucius onze natuurlijke neigingen niet te onderdrukken, maar excessen moeten we te allen tijde vermijden. Verder laat Confucius zich laatdunkend uit over lieden die zich te buiten gaan aan overbodige schranspartijen en luxe. En baantjesjagers en mooipraters, daar heeft Confucius een grondige hekel aan. Alles draait om de studie zelf, en het doel daarvan is de ontwikkeling van een goed karakter. Dat daarmee ook maatschappelijk succes bereikt kan worden is eerder bijzaak dan hoofdzaak.
Starheid?
Bovenstaand zou kunnen suggereren dat de leer van Confucius stijf en star is, een conservatief systeem dat mensen disciplineert, weinig open laat voor individuele vrijheid en plezier, en de bestaande hiërarchie bevestigt.
Er is meer aanleiding om dat te denken. Confucius toont zich regelmatig geschokt als de hofrituelen niet precies volgens de voorschriften verliepen, als bijvoorbeeld niet het voorgeschreven aantal dansers zou hebben opgetreden, of als de offervazen niet correct waren opgesteld. Dat was niet uit pedanterie, maar omdat afwijkingen vaak symbool stonden voor moreel verval, voor valse ambitie of gebrek aan respect. Zijn kritiek op machthebbers was dan scherp: wie de rituelen verwaarloosde, toonde daarmee een gebrek aan respect voor de orde die de samenleving bijeenhield.
Latere confucianistische scholen zetten die lijn voort en waren daarom vaak heel streng en formeel. Aan Chinese hoven die hun inspiratie haalden uit het confucianisme heersten niet zelden uiterst minutieuze gedragsvoorschriften, die zelfs zover gingen dat ze beschreven hoe iemand exact zou moeten lopen bij binnentreden, alsof ging het om een choreografie.
Ook de confuciaanse verering van de ouders gaat soms erg ver. Bij het overlijden van je ouders dien je volgens Confucius maar liefst drie jaar in de rouw te zijn: dezelfde periode als dat het kind volledig afhankelijk is van de ouders. Eenvoudige kleding, sober leven, geen feestjes, en geen plezier maken. Ook in de Analecten verzuchten de leerlingen dat dit wel heel erg lang is.
In de latere confucianistische cultuur kon de verering van de ouders extreme vormen aannemen. In sommige patriarchale gezinnen gezinnen werd de vader nooit tegengesproken, en richtten vader en zoon zelfs nooit rechtstreeks het woord tot elkaar, maar communiceerden zij via de moeder of een ander tussenpersoon.
In de confuciaanse traditie hebben vrouwen een ondergeschikte of zelfs minderwaardige positie. In de Analecten zijn ze vrijwel afwezig, en waar er over ze wordt gesproken is dat met misprijzen. Ook al volgt uit Confucius’ woorden geen rechtvaardiging om vrouwen te onderdrukken, hij reproduceerde zo wel de patriarchale wereld waarin hij leefde, en gaf geen aanleiding tot verandering. Integendeel. De confuciaanse samenleving is uitgesproken patriarchaal.
Toch is dit alles niet de kern van het confucianisme. Tenminste, als we naar de Analecten kijken. Daaruit komt duidelijk naar voren dat het Confucius uiteindelijk niet om de rituelen zelf gaat, maar om de betekenis daarvan en daarachter. En het gaat niet om de kennis zelf, maar om het praktisch nut daarvan. Daarbij wordt in de Analecten telkens gepleit voor twijfel, en zit de tekst ook vol zelfkritiek.
Wie deze tekst zonder verdere uitleg leest, wordt dat allemaal misschien niet meteen duidelijk. Maar wie hem begrip leest, leert een heel andere Confucius kennen dan bij oppervlakkige lezing: een Confucius die juist uitblinkt in mildheid en flexibiliteit.
Met die Confucius gaan we in de volgende afleveringen kennismaken.
[Deze gastbijdrage van Kees Alders wordt dus vanmiddag vervolgd. Dank je wel Kees!]

Marathon in Brescia
Amazones
Hekataios van Milete
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.