Chinese filosofie (2) Het “hemels mandaat”

Zhou-borstplaat (Musée Guimet, Parijs)

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; het eerste deel over China was daar, en hieronder staat het tweede deel.]

In de traditionele geschiedschrijving van het vroegste China viel de Shang-dynastie na een opstand van de Zhou rond 1046 v.Chr. De Zhou waren oorspronkelijk een vazalstaat van de Shang. Hun hoofdstad was Haojing, bij het huidige Xi’an in Shaanxi. Dit is westelijker en meer landinwaarts, en meer bergachtig dan Henan, en was daarom dunner bevolkt. Maar de grond is vruchtbaar, en het ligt strategischer dan de vlakten van Henan.

Het “hemels mandaat”

De opstand werd voorbereid door eerst allianties te sluiten met andere ontevreden vazalstaten. We lezen ook dat in de strijd Shang-strijders deserteerden om zich bij de Zhou aan te sluiten.

Volgens de geschiedschrijving van de Zhou was de opstand tegen de Shang-heersers rechtvaardig omdat de laatste Shang-vorst wreed en losbandig zou zijn geweest, en daarmee het morele mandaat verloor zijn rijk te besturen. Over de historische correctheid van dit oordeel kan je met recht twijfelen: het is in de geschiedschrijving immers gangbaar dat degene die de macht grijpt zijn voorganger typeert als tiran, die het verdient te worden afgezet. Maar vanuit filosofisch oogpunt is de claim voor deze tijd in die regio wel bijzonder.

De Zhou spraken niet meer over Di (“hoogste heer”), maar over Tian. Tian kunnen we het best vertalen als “de hemel”, maar staat als abstract begrip ook voor zaken als het lot en het geheel der dingen. In plaats van dat de oppergod dus persoonlijker, lokaal gericht en meer antropomorf werd, zoals we in andere beschavingen vaak zien gebeuren, werd in China de oppergod vervangen door een meer abstract begrip.

De Zhou betoogden dat wie deugdzaam was van de hemel het mandaat kreeg om te regeren: Tianming, het “hemels mandaat”. Dit mandaat is niet eeuwig, maar kan ingetrokken worden als het bestuur corrupt, tiranniek of incompetent wordt. Onrust, opstand en de daaropvolgende machtswisselingen zijn dan een logisch gevolg.

Natuurlijk konden de Zhou deze theorie goed gebruiken om hun eigen machtsgreep te legitimeren. Opvolgende dynastieën van de Zhou zagen echter zoveel in dit idee dat ze het zelf ook gebruikten als legitimatie voor hun eigen machtsgreep en bestuur.

Nog belangrijker: met deze theorie legden de Zhou een belangrijke basis voor de Chinese filosofie. Want wat is deugd? Deze interessante vraag komt centraal te staan in het Chinese denken, en de begrippen “Tian” en “Tianming” staan dus eveneens centraal in de filosofie.

Veranderingen onder de Zhou

De Chinese geschiedschrijving heeft moeite met chronologie, vooral waar het ideeën betreft. Dat komt doordat wanneer in het Chinese denken iets nieuws geïntroduceerd wordt, denkers steeds de neiging hebben te beweren dat ze enkel iets beweren dat al eeuwenlang als wijsheid onder de mensen circuleerde, en wat ze slechts gedienstig even voor hun toehoorders reproduceerden. Als de aldus verkondigde wijsheid ooit al weg geweest zou zijn, werd het zogezegd slechts opnieuw geïntroduceerd. Hiermee gaven denkers hun gedachten meer autoriteit, want wat oud en beproefd was, moest natuurlijk wel goed zijn.

Dit is anders dan bij de Grieks-Romeinse traditie, waarin originaliteit een wat grotere rol speelde. Een Archimedes kon met een luid Eureka! (“ik heb het gevonden”) een ontdekking te claimen als de zijne. In de westerse filosofische geschiedschrijving met zijn individualistische vooruitgangsdenken hebben we dan ook nog wel eens de neiging groepsinvloeden en tijdgeest te onderschatten, en het werk van individuele genieën te overschatten – de geschiedenis en filosofie van grote namen. Bij de geschiedschrijving van China ligt dat andersom: we weten vaak niet wanneer iets precies ontstaan is en waar en bij wie, omdat denkers zich eerder beroepen op hun discipline en kennis dan op hun originaliteit.

De Zhou pasten in die traditie. Zij verkondigden simpelweg dat ze hun rijk bestuurden zoals het altijd al door de verstandige vorsten bestuurd was geweest. Ondertussen introduceerden ze wel degelijk nieuwe ideeën, en pasten ze een aantal bestuurlijke vernieuwingen toe. Het zojuist genoemde voorwaardelijke Hemels Mandaat ter vervanging van een min of meer ongelimiteerde goddelijke rechtvaardiging is daarvan het eerste voorbeeld.

Een ander voorbeeld is de introductie van een feodaal stelsel. Net als het Shang-rijk was ook het Zhou-rijk niet gecentraliseerd qua wet en administratie, maar de lokale heersers waren voortaan ook niet meer zomaar bondgenoten met wisselende statuur. Lokale heersers werden onder de Zhou formeel “aangesteld”. Dat veel van hen afstamden van vazalvorsten uit de Shang-tijd, deed daar niets aan af. Er werd zelfs een piramidale structuur ingevoerd van zes lagen van macht. Verder werd bepaald dat de positie van machthebbers erfelijk zou zijn. Het rijk breidde zich door vazalstaten toe te voegen ook uit, eerst in westelijke richting, maar later ook in zuidelijke en oostelijke richting, waarbij het rijk ook aan de kust kwam te grenzen.

Bord met de tekst van een feodale schenking (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Een derde innovatie is het sterk terugdringen van mensenoffers en het lezen van orakelbotten. In plaats van mensen offerden de Zhou het liefst alleen dieren, en dat eigenlijk vooral bij uitzondering. Ze legden daarbij eerder de nadruk op het verfijnen van rituelen dan op het magische karakter van die rituelen. De functie van de rituelen verschoof van het beïnvloeden van de geesten naar het regelen van het openbare leven en het bewaren van de orde.

Verder zien we in de Zhou dynastie geschriften ontstaan die later een belangrijke rol zouden spelen in de klassieke Chinese cultuur. Dat is voor een volgende keer.

[Deze gastbijdrage van Kees Alders, auteur van De wereld vóór God, gaat morgen  verder. Bedankt Kees!]

Deel dit:

Een gedachte over “Chinese filosofie (2) Het “hemels mandaat”

  1. “In plaats van mensen offerden de Zhou het liefst alleen dieren, en dat eigenlijk vooral bij uitzondering. Ze legden daarbij eerder de nadruk op het verfijnen van rituelen dan op het magische karakter van die rituelen. ”

    Ik heb geen idee van het ‘waarom’ van deze veranderingen, maar persoonlijk zie ik het als het oprukken van beschaving.

Reacties zijn gesloten.