Een naam boven alle namen

naam

Een tijdje geleden kondigde ik een reeks aan waarin ik zou uitleggen dat de opkomst van het (monotheïstische) christendom en de neergang van het (polytheïstische) heidendom minder eenvoudig in elkaar hebben gestoken dan men wel aanneemt. Door het overlijden van mijn vader heb ik wat onregelmatig geblogd en ben ik niet verder gekomen dan de constatering dat het jodendom, waaruit het christendom is voortgekomen, in de praktijk niet scherp was afgebakend van andere religies en daarenboven zélf ook de optie had van een tweede godheid. Die had dan namen als “de Uitverkorene”, “Mensenzoon”, “Michaël” (“wie is als God?”), “Metatron”, “Lichtvorst” of “Woord van God” en hoewel die namen verschillen, kwam het er, zo beschreef ik, steeds op neer dat God een soort vizier had die de wereld regeerde.

Henochitische literatuur

Dit was geen mainstream-jodendom, maar totaal obscuur was het ook niet: het is geattesteerd in het land van Israël én de Diaspora, in rabbijnse teksten én de Dode Zee-rollen. Eén van de plaatsen waarin het denkbeeld is gedocumenteerd, is de zogeheten Henochitische literatuur. In 3 Henoch ofwel Sefer Hechalot (“Het boek der hemelse paleizen) krijgt Metatron goddelijke gewaden te dragen, Gods kroon én de naam van God. Als “kleine JHWH” is hij degene die de wereld bestuurt.

Lees verder “Een naam boven alle namen”

God en zijn vizier

metatron
Alan Rickman in “Dogma”

Ik vertelde gisteren dat de Joden weliswaar een monotheïstische norm hadden maar dat er in de dagelijkse praktijk een zekere openheid naar buiten toe was: soldaten met amuletten van vreemde goden, mensen die zichzelf als Jood identificeerden én hun erkentelijkheid lieten blijken aan de vreemde god Pan. De tempelautoriteiten zullen er weinig mee op hebben gehad, maar de mensen maakten hun eigen keuzes.

Je zou de voorbeelden uit mijn vorige stukje kunnen beschouwen als een erkenning van het polytheïsme “naar buiten toe”. Er was ook een intern-joodse vorm van polytheïsme – al zouden we er misschien het woord “ditheïsme” voor moeten munten: het idee dat er een tweede godheid was. Dit denkbeeld, waartegen de rabbijnen vanaf de late tweede eeuw n Chr. stelling nemen, was in de voorafgaande eeuwen weliswaar ongebruikelijk, maar niet volstrekt marginaal.

Lees verder “God en zijn vizier”