
Zoals ik eerder aangaf, kan de geschiedenis van Centraal-Azië schematisch worden samengevat in “vier vegen”. De eerste daarvan is een noord-zuid-beweging: de migratie van de Indo-Europeanen waardoor de regio een eenheid werd. De tweede “veeg” is vanuit het zuidwesten naar het noordoosten en is de komst van de islam. Hiermee kwam de religieuze identiteit vast te liggen. De derde beweging was noordoost-zuidwest: de etnische grenzen werden getrokken toen de Mongolen kwamen. Tot slot was er een noordwest-zuidoost-veeg, toen de Russen het gebied in handen kregen en de staten werden gevormd. Ik heb in de eerdere stukjes (1, 2, 3, 4, 5) de eerste twee vegen geschetst en vandaag heb ik het over de islamitische tijd.
De islam was de dominante godsdienst in Iran, in Oezbekistan en in de oases in het zuiden van wat nu Turkmenistan heet. De Abbasidische kalief zond gouverneurs naar het gebied, die soms wat trouwer aan Bagdad waren, soms wat meer hun eigen koers voeren en uiteindelijk de heerser der gelovigen alleen nog in naam erkenden. Ondanks het afbrokkelende centrale gezag maakte het feit dat je overal terecht kon met Arabisch, de bloei van de wetenschappen en kunsten mogelijk.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.