Twee toepassingen van het SI-stelsel (Broodhuis, Brussel)
Het alweer achtste blogje in de reeks over de Europese canon is gewijd aan de eerste helft van de negentiende eeuw: de contouren van onze eigen cultuur en eigen tijd worden zichtbaar.
De meter
Periode: 1795
Alternatieven: Allgemeines Landrecht, Meridiaan van Parijs
Ik eindigde mijn voorvorige blogje met de Verlichting en mijn vorige blogje met de revoluties die Frankrijk en de rest van Europa ondersteboven kantelden. In de decennia rond 1800 werden allerlei verlichte denkbeelden geïntroduceerd. In Pruisen werd bijvoorbeeld het recht gesystematiseerd – het Allgemeines Landrecht, later gevolgd door soortgelijke codificaties elders in Europa.
Afname van het zilvergehalte in de Romeinse munten van Augustus tot de crisis van de derde eeuw; elke staaf geeft een keizer aan (klik=groot)
Ik blogde eind vorig jaar al over de Crisis van de Derde Eeuw. Het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, beschrijft die iets anders, maar behandelt dezelfde factoren. De nadruk ligt daarbij op het militaire aspect. De Sassanidische Perzen waren vervaarlijk, net als nieuwe Germaanse federaties, zoals de Franken. De Romeinse suprematie was niet meer vanzelfsprekend. (Zelf zou ik het cliché dat de Romeinen weleens een “verpletterende nederlaag” leden, niet hebben gebruikt.)
Omdat er na de dood van keizer Severus Alexander in 235 geen algemeen aanvaarde dynastie meer was, was de macht onzeker. Het keizerschap degenereerde tot militaire despotie en we duiden de jaren tot 284 wel aan als de tijd van de Soldatenkeizers. De grens tussen keizer, tegenkeizer en usurpator was vloeiend. Keizer Gallienus zou het leger hebben hervormd door grote mobiele eenheden te formeren, bestaand uit betrekkelijk veel cavalerie en infanterie uit de aloude legioenen. Postumus’ aanpassing van de grensverdediging, die zo mooi is gedocumenteerd in de Lage Landen, blijft opmerkelijk genoeg onvermeld. Ik kom hierop in een volgend blogje terug. De militarisering van de samenleving had gevolgen:
Het handboek waarover ik elke week even schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, is oorspronkelijk samengesteld in de jaren tachtig. In die tijd was economische geschiedenis in de mode. Begrijpelijk, want er zijn interessante vragen te stellen. Hoe kan het bijvoorbeeld zijn, zo vroeg de Italiaanse oudhistoricus Arnaldo Momigliano zich eens af, dat we zoveel verschijnselen verklaren vanuit handelscontacten, terwijl handel vrij marginaal was? De Blois en Van der Spek wijzen er terecht op dat 80-90% “van de bevolking betrokken was bij de productie, bewerking en verplaatsing van landbouwproducten”. (Het antwoord op Momigliano’s paradox is vermoedelijk dat oudhistorici hebben onderschat hoe mobiel de antieke bevolking was. Niet alleen kooplieden gingen op reis.)
Een andere vraag, actueel in de jaren tachtig: hoe modern of primitief was de antieke economie? Of, om die vraag te herformuleren: als de Griekse en Romeinse economie onderontwikkeld was, ten opzichte waarvan was ze dat dan? Nog anders gezegd: je kunt pas uitspraken doen over de antieke economie als je betekenisvol kunt vergelijken – en dan is de eerste vraag of de moderne economische theorie het daarvoor benodigde instrumentarium wel levert.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.