De economische crisis van de Derde Eeuw

Afname van het zilvergehalte in de Romeinse munten van Augustus tot de crisis van de derde eeuw; elke staaf geeft een keizer aan (klik=groot)

Ik blogde eind vorig jaar al over de Crisis van de Derde Eeuw. Het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, beschrijft die iets anders, maar behandelt dezelfde factoren. De nadruk ligt daarbij op het militaire aspect. De Sassanidische Perzen waren vervaarlijk, net als nieuwe Germaanse federaties, zoals de Franken. De Romeinse suprematie was niet meer vanzelfsprekend. (Zelf zou ik het cliché dat de Romeinen weleens een “verpletterende nederlaag” leden, niet hebben gebruikt.)

Omdat er na de dood van keizer Severus Alexander in 235 geen algemeen aanvaarde dynastie meer was, was de macht onzeker. Het keizerschap degenereerde tot militaire despotie en we duiden de jaren tot 284 wel aan als de tijd van de Soldatenkeizers. De grens tussen keizer, tegenkeizer en usurpator was vloeiend. Keizer Gallienus zou het leger hebben hervormd door grote mobiele eenheden te formeren, bestaand uit betrekkelijk veel cavalerie en infanterie uit de aloude legioenen. Postumus’ aanpassing van de grensverdediging, die zo mooi is gedocumenteerd in de Lage Landen, blijft opmerkelijk genoeg onvermeld. Ik kom hierop in een volgend blogje terug. De militarisering van de samenleving had gevolgen:

De leden van de traditionele hogere standen en de intellectuelen in de keizerlijke diensten waren bevreesd voor de opkomst van militaire specialisten uit de lagere rangen van het leger en haatten de soldaten om hun hebzucht en bandeloosheid.

Ik zou zelf “veronderstelde hebzucht en bandeloosheid” hebben geschreven, want die soldaten vroegen in een tijd van aanhoudende geldontwaarding gewoon de soldij waarop ze recht hadden.

Het huis van Jason Magnus

Belastingontwijking

Het punt is misschien meer dat in de loop van de tweede en derde eeuw een elite van exceptioneel rijke mensen was ontstaan die weinig zin had meer belasting te betalen. Jason Magnus uit Kyrene is het eerste voorbeeld dat me te binnen schiet: de eigenaar van een prachtige villa in de hoofdstraat van zijn stad en van talloze buitenverblijven in de omgeving. Hij zal de belasting wel hebben ontweken met de privileges die er voor rijke mensen nu eenmaal waren.

Soortgelijke mensen zijn bekend uit het hele rijk. Concentratie van grondbezit is niet alleen gedocumenteerd in Cyrenaica, maar ook in de Spaanse, Gallische en Britse provincies. Dat was althans bekend toen ik er voor het laatst naar keek. Misschien is er inmiddels ook bewijs voor andere regio’s. In elk geval: er waren rijke mensen die zich onttrokken aan de belastingen.

Geldgebrek

Waarmee we op een belangrijke kwestie zijn gekomen: de keizers hadden geen geld. De grensprovincies, waar altijd meer geld naartoe was gegaan dan eruit was gekomen, brachten inmiddels nog minder op. De Blois en Van der Spek schrijven:

De interactie van prijsstijgingen – die vooral na 274 voorkwamen –, muntverslechteringen en extra uitkeringen voor soldaten – waar eigenlijk geen geld voor was – leidden tot een transformatie van het Romeinse geldstelsel, dat meer op gouden munten ging leunen en minder op de totaal in waarde gedaalde zilveren munten, die in feite de waarde van kopergeld benaderden.

Eén oplossing voor het keizerlijk budget was om het probleem over te hevelen naar de provincies en de gemeentes, zodat de plaatselijke elites er voor opdraaiden. Die moesten dus nieuwe stadsmuren financieren, om eens iets te noemen.

Alleen: hun inkomsten namen nu net in deze tijd af. Deels door bendes dan wel rondreizende legers, deels doordat de koopkracht van het in waarde verminderde zilvergeld afnam. En dus nam de handel af. Dat is gedocumenteerd aan de hand van de scheepswrakken waarover ik al eens blogde. Een andere aanwijzing is de afname van de olijfoliehandel vanuit Andalusië naar de stad Rome. Minder handel betekende ook minder belastinginkomsten. Het resultaat was minder welvaart en dat herkennen we in de daling van het aantal inscripties.

Omdat de schepen grosso modo hetzelfde bleven, duidt de afname van het aantal scheepswrakken op een afname van het handelsvolume (klik=groot)

Metaalschaarste?

Een ander probleem was de uitputting van de mijnen, maar dit is omstreden. Een jaar of zes geleden beweerden onderzoekers dat ijslaagjes op Groenland zouden bewijzen dat er in de derde eeuw minder zware metalen in de atmosfeer waren, wat erop duidde dat er minder metaalmijnbouw was in Han-China en het Romeinse Rijk.

Destijds werd daarop hier en daar lacherig gereageerd. Deze conclusie was te duidelijk getrokken om een passage te bevestigen van de christelijke auteur Cyprianus, die ergens een gruwelijke beschrijving geeft van de naderende Jongste Dag waarin de mensen grijs geboren zullen worden en de aarde uitgeput zal zijn. Toen de ijslaagjes werden onderzocht van de Colle Gnifetti-gletsjer in de Alpen, een stuk dichter bij het Mediterrane gebied, vond men geen bewijs voor minder zware metalen. De jury is er nog niet helemaal uit en De Blois en Van der Spek wijden er terecht geen woord aan. Misschien in een volgende druk, als er duidelijkheid is.

Hoezo crisis?

Het is ook terecht dat De Blois en Van der Spek erop wijzen dat het niet alleen maar kommer en kwel was. Ooit zag ik een synthese van het archeologisch onderzoek met de titel “Crisis? What crisis?”

Tussen 235 en 249 buiten de oorlogszones nog steeds continuïteit … daar heerste geen echte crisissfeer.

Gebieden als Noord-Italië, Britannia en de Maghreb bloeiden nog volop. Opvallend is ook de bloei van Syrië, dat toch een grensprovincie was en meermalen is geplunderd door de Sassaniden. Nog een observatie: Gallië, dat vanaf 260 eigen keizers had, ontsprong de dans tot pakweg 274 en werd op dat moment, toen elders het herstel inzette, alsnog getroffen. De crisis was niet overal gelijktijdig.

Niks aan de hand in Hippo Regius, waar ze nog prachtige mozaïeken maakten (Archeologisch museum, Annaba)

Epidemie

Ik voeg aan de ilias van rampen nog iets toe dat De Blois en Van der Spek bij een herdruk absoluut met nadruk moeten noemen: de epidemie die de aanleiding vormde voor Cyprianus’ jeremiade. Die epidemie is een feit maar inmiddels weten we dat ze heeft geleken op ebola en veel erger is geweest dan aangenomen. Het aantal belastingbetalers nam scherp af.

De epidemie verklaart waarom, in een periode van graduele klimaatverandering (het einde van het Romeinse Klimaatoptimum) het midden van de derde eeuw het abrupte keerpunt vormde. Terecht schrijven De Blois en Van der Spek dat er tot 249 continuïteit was buiten de oorlogszones. De ebola-uitbraak maakte daaraan een einde. De tijd van de bestuurlijke crisis, die zich vertaalt in de vorm van soldatenkeizers, valt niet samen met de economische crisis.

Nog een laatste punt. Een epidemie is voor mensen een ramp maar voor de economie niet per se slecht. David Ricardo wees er al op dat minder velden bewerkt hoeven te worden om een kleinere bevolking te voeden, zodat boeren marginale akkers kunnen opgeven en zich kunnen beperken tot de betere gronden. De productiviteit neemt dus toe. Dit is bewezen voor bijvoorbeeld de Zwarte Dood in 1347. Het is opvallend dat gebieden die hard door de ebola-uitbraak lijken te zijn getroffen, zoals de Maghreb, daarna opbloeiden. Het was niet alleen maar kommer en kwel.

 [Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

Deel dit:

5 gedachtes over “De economische crisis van de Derde Eeuw

  1. Dirk Zwysen

    Ik leerde dat de handel ook stilviel doordat producten vaker lokaal werden geproduceerd, bijvoorbeeld glas in Gallië. De provincies moesten hun dure hebbedingetjes niet meer elders in het Rijk halen. De vraag naar regionale luxueuze materialen nam bovendien af door de slechte economische toestand. Er waren minder rijken. De Romeinen kwamen niet op het idee om voor de export te produceren, wat misschien toch niets had opgeleverd: waarom zou je immers betalen voor Romeinse luxegoederen die je net zo gemakkelijk kon roven? Er zouden ook geen incentives geweest zijn voor nieuwe producten of innovatieve productiewijzen.
    Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Lijkt me een visie die veel gewicht toekent aan de noodzaak van groei.

    “Hij zal de belasting wel hebben ontweken met de privileges die er voor rijke mensen nu eenmaal waren.”

    Gelukkig is dat in onze tijd niet meer mogelijk.😒

  2. Ben Spaans

    Hier een video over de ‘plaag van Cyprianus’ (door kanaal The Historians Craft) https://youtu.be/od66vzA1L24?si=B8-V_-pyZkx2rwWh
    Wat was het? (Vogel)griep? Ebola of een ‘ebola-achtig’ virus? De laatste mogelijkheid wordt vooral uitgedragen door Kyle Harper.

    Er is echter al een reactie tegen Harper geweest (de plaag was een paar jaar later en kwam via Gotische invallers de Balkan binnen.
    In de commentaarsectie wordt ook opgemerkt dat ebola (zoals het nu bekend is) niet zo’n geschikte kandidaat is voor een wijdverspreide epidemie – er is een felle dodelijke piek die snelle verspreiding over grote afstanden tegenwerkt.

  3. Bert van der Spek

    Dank voor je zeer nuttige analyse. Een paar opmerkingen.
    1. Het tweede deel ven het boek, over Romeinse geschiedenis, is geschreven door Luuk de Blois. Ik heb daar alleen hier en daar invloed op gehad. Misschien aardig te weten dat keizer Gallienus het onderwerp was van de dissertatie van De Blois aan de VU op 11 januari 1974, nu nu net een halve eeuw geleden. Promotor: G.J.D. Aalders HWzn en “op gezag van de rector magnificus, prof. dr. I.A. Diepenhorst”.
    2. Inflatie. Te gemakkelijk wordt in veel literatuur verondersteld dat afname van het zilvergehalte in munten betekende dat de munt in waarde daalde. Dan zou het met de gulden sinds 1967 slecht gesteld zijn geweest en met de euro nu ook. Maar, zegt men, in de oudheid hing de waarde veel meer dan nu af van de intrinsieke waarde van de munt. Dat is wel een beetje waar, maar niet geheel. Het belangrijkste bij ALLE geldsoorten is: vertrouwen. En, zo leerde Dominic Rathbone mij, zolang de Romeinse overheid de eigen munten vertrouwde, viel het met de inflatie wel mee.
    3. Een heel mooie introductie in het probleem van waardebepaling van Romeinse munten vindt men in het artikel “Monetary Policy in the Roman Empire” van Kevin Butcher in: R.J. van der Spek en Bas van Leeuwen, eds., Money, Currency and Crisis. In Search of Trust, 2000 BC to AD 2000. London: Routledge 2018, 165-184. Mick Mayhew legt het mooi uit voor de Middeleeuwen. De inleiding van Bas van Leeuwen en mijzelf, “Money and Trust”, gaat in op het punt van vertrouwen (en op wat geld nu eigenlijk is.). Excuus voor de zelfpromotie.

Reacties zijn gesloten.