
Het handboek waarover ik elke week even schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, is oorspronkelijk samengesteld in de jaren tachtig. In die tijd was economische geschiedenis in de mode. Begrijpelijk, want er zijn interessante vragen te stellen. Hoe kan het bijvoorbeeld zijn, zo vroeg de Italiaanse oudhistoricus Arnaldo Momigliano zich eens af, dat we zoveel verschijnselen verklaren vanuit handelscontacten, terwijl handel vrij marginaal was? De Blois en Van der Spek wijzen er terecht op dat 80-90% “van de bevolking betrokken was bij de productie, bewerking en verplaatsing van landbouwproducten”. (Het antwoord op Momigliano’s paradox is vermoedelijk dat oudhistorici hebben onderschat hoe mobiel de antieke bevolking was. Niet alleen kooplieden gingen op reis.)
Een andere vraag, actueel in de jaren tachtig: hoe modern of primitief was de antieke economie? Of, om die vraag te herformuleren: als de Griekse en Romeinse economie onderontwikkeld was, ten opzichte waarvan was ze dat dan? Nog anders gezegd: je kunt pas uitspraken doen over de antieke economie als je betekenisvol kunt vergelijken – en dan is de eerste vraag of de moderne economische theorie het daarvoor benodigde instrumentarium wel levert.
Een kwalitatieve benadering
Kortom, interessante materie. De handboekauteurs kiezen voor een kwalitatieve benadering. Ze noemen wat er zoal is geweest, maar onthouden zich van pogingen tot kwantificatie, afgezien van ruwe schattingen zoals de hierboven genoemde.
Ondanks het enorme belang voor de Romeinse economie, besteden De Blois en Van der Spek vrij weinig aandacht aan de landbouw, wat overeenkomt met de geringe belangstelling die de auteurs van onze geschreven bronnen ervoor hadden. Landbouw was een vanzelfsprekendheid die destijds geen vermelding behoefde. Wat we er wel over weten, komt van etnografische vergelijkingen zoals die van K.D. White en archeologisch onderzoek. De Blois en Van der Spek hebben het al snel over grootgrondbezit, waarover de geschreven bronnen wat meer vertellen.
Handel, ook over grote afstanden, en ambachten komen eveneens aan de orde. Een mooie opmerking over die laatste sector is dat ambachtslieden zich organiseerden in collegia en dat die ook een religieuze component hadden. Een mooie herinnering aan het feit dat de economie niet altijd opgevat is geweest als een zelfstandig veld. Handel was niet zelden ingebed in een ander deel van de toenmalige cultuur.

Wat De Blois en Van der Spek schrijven is allemaal onberispelijk maar, om eerlijk te zijn, een beetje saai. Een mooie vraag die onbeantwoord blijft (en waarvan ik weet dat eerstejaars die stellen) is waarom de Romeinse collegia nooit de macht hebben gekregen in de steden en waarom de middeleeuwse gilden dat wel deden, althans in Italië en Vlaanderen. Die vraag moet verband houden met de burgerschapsvraag: waarom ontstonden in middeleeuwse steden poorters die het ommeland aan zich dienstbaar maakten, en waarom kende het Romeinse Rijk niet zo’n tegenstelling? Ik heb geen idee maar het boeit me.
De Romeinse economie, kwantitatief
En nog iets. Ik zou zo graag weten of de Romeinse economie de mensen meer welvaart bracht dan de hellenistische, de Egyptische of de Mesopotamische. Wat was, met andere woorden, de koopkracht van het zilver? Ik weet dat Van der Spek interessant onderzoek heeft gedaan naar het Nabije Oosten, ik ga ervan uit dat zulk onderzoek ook voor Rome is gedaan, en het treft me als een verkeerd soort bescheidenheid dat Van der Spek het niet in zijn handboek verwerkte. Juist hier kan de student vertrouwd raken met onderzoek. Wat toch de reden is om te gaan studeren aan een universiteit.

Nog iets wonderlijks. Al sinds Ricardo weten we dat bevolkingsgroei leidt tot hogere graanprijzen en andersom. Dat is ook logisch, want zolang er weinig mensen zijn, hoeven boeren niet zoveel land te bebouwen en kunnen ze het land selecteren waar de rendementen het hoogst zijn. Als er meer mensen komen, zullen de boeren minder ideale gronden moeten bebouwen en verloopt de productie van voldoende graan moeizamer. Dan stijgt de prijs. Dit mechanisme is niet alleen gedocumenteerd voor de Nieuwe Tijd en voor de Late Middeleeuwen, maar ook voor de Romeinse economie. Ik had over de ingebruikname van steeds marginalere gronden, waarvoor archeologisch bewijs is, meer willen weten.
Vragen, vragen, vragen
Zo blijf ik achter met meer vragen. Ik weet dat er onderzoek is gedaan naar de vraag of de Romeinen, om zo te zeggen, eruit haalden wat erin zat. Anders geformuleerd: gingen ze efficiënt om met hun beperkte middelen? Hoe zit het met de interactie van de diverse economische systemen? De vraag blijft onbeantwoord, hoewel het articulatiedebat niet onbekend kan zijn geweest, zeker in de jaren tachtig niet. Leidden de taxes-and-trade waarover ik al eens schreef, werkelijk tot economische groei? Geen antwoord.
De Romeinse economie is duidelijk een onderwerp dat De Blois en Van der Spek liever bij een werkcollege behandelen. Maar het is zo wat moeilijk haar te vergelijken met andere voorindustriële economieën. Door daar niet wat nadrukkelijker mee te vergelijken, isoleer je de oude geschiedenis van de rest van de geschiedvorsing. Dat is jammer, maar het mag natuurlijk.
[Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

“als de Griekse en Romeinse economie onderontwikkeld was”
Wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Geen gecentraliseerde planeconomie? De Wet van Vraag en Aanbod niet, want die gold toen net zo hard. De hoogte van het Bruto Nationaal Product misschien?
Er moet nogal wat geoperationaliseerd worden en gegeven het gebruikelijke gebrek aan empirische data is dat nog een hele klus.
Is het echte probleem niet dat de auteurs classici zijn gebleven, trouw aan de bronnen, op zich geïnteresseerd in andere zaken, maar nooit voldoende gevormd in de sociale wetenschappen?
Dat zou best waar kunnen zijn.
“…waarom de Romeinse collegia nooit de macht hebben gekregen in de steden en waarom de middeleeuwse gilden dat wel deden, althans in Italië en Vlaanderen.”
Ik doe een poging.
In middeleeuws Vlaanderen vonden de gilden een bondgenoot in de graaf tegen de Franse koning, die maar moeilijk zijn gezag kon laten gelden. Er was geen staand leger, dus de koning moest voor elke veldtocht en bij elke opstand beroep doen op soms onwillige leenmannen, daarbij verder gehinderd door de voortdurende strijd met Engeland. Bovendien waren verschillende steden in Vlaanderen tamelijk rijk en ontwikkeld. Dezelfde evolutie kon zich op verschillende plekken afspelen.
Tijdens de Republiek was Rome de enige stad waar invloedrijke politiek kon worden bedreven. De kans dat collegia in andere Italische steden konden uitgroeien tot een factor met nationale impact, lijkt me klein. De machthebbers hielden de collegia nauwlettend in de gaten en in toom. Het is al eerder aangehaald dat Augustus ze, na Clodius’ herinstelling, opnieuw aan banden legde. De macht in het Keizerrijk lag uiteindelijk bij de legioenen en de generaals, al dan niet met het keizerlijke purper getooid. Het bestaan van een sterk centraal gezag dat beroep kon doen op een staand leger, later zelfs met afdeling in Rome, zal mogelijke democratische tendensen vanuit de collegia weinig kans op slagen hebben geboden.
Daarnaast denk ik ook dat de geletterdheid bij de middeleeuwse gilden wellicht hoger lag dan bij de Romeinse collegia.
Oftewel, kort samengevat, het kwam doordat het centrale gezag van Rome was weggevallen. Ik denk dat je wel op de goede weg bent.
Plinius vraagt keizer Trajanus of hij een collegium van vrijwillige brandweerlieden mag toestaan in een stadje in Klein Azië, ik meen Priene. Antwoord nee: geen risico met een kans op oppositie. Terwijl Trajanus’ bewind toch stabiel was.
Ja, de Romeinse overheid was soms bang voor collegia. Toch zijn ze volop gedocumenteerd.
Terzijde, maar ik lees het bij JonaL die Le Figoro citeert. De grote Franse historicus Le Roy Ladurie is overleden. Lang geleden heb ik zijn prachtige Montaillou. Village Occitan gelezen. Een microstudie van een klein dorp. Groot vertegenwoordiger van de Annales-stroming die al over het klimaat schreef lang voor dat dat in de mode kwam.
Over inflatie wordt niets gezegd. Maar reeksen van machthebbers verlaagden het percentage zilver in de munten.
Dat komt later, als we het hebben over de Crisis van de Derde Eeuw.