
Voor wie Rome verliet, voerde de eerste mijl van de Via Appia langs een parkje waarvan men zei dat de legendarische koning Numa er nog eens met een bosnimf had gesproken, én door een joodse wijk. Joden mochten op de sabbat maar een beperkte afstand wandelen en vestigden zich daarom het liefst bij hun synagogen, zodat er in Rome verschillende joodse buurten waren, elk met een eigen gebedshuis en een eigen catacombe. De synagoge aan de Via Appia was genoemd naar Eleas of Elaias, maar het is onbekend wie of wat dat is geweest.
Het is echter wel bekend dat de bewoners van deze buurt vrij sterk geromaniseerd waren. Dat blijkt uit de inscripties in de catacombe even voorbij de tweede mijlpaal van de Via Appia: merendeels in het Latijn, niet in het Grieks of een meer oostelijke taal. Deze joden waren overigens niet bepaald rijk. De dichter Juvenalis (ca.60 – ca.135) vertelt hoe hij hier eens een vriend tegenkwam die aan het verhuizen was, en geeft en passant een beschrijving van de armoedige levensomstandigheden:



Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.