
Nu ik werkende weg blijk te zijn begonnen aan een verslag van het eerste regeringsjaar van Alexander de Grote – ik vertelde over zijn vader, over zijn troonsbestijging, over zijn campagne op de oostelijke Balkan – kan ik net zo goed nog even verder gaan en vertellen over zijn campagne in het westen. In het zuiden van het huidige Albanië en het noordwesten van Griekenland lag het koninkrijk Epirus, waarmee het Macedonische vorstenhuis door huwelijksbanden was verbonden, en ten noorden daarvan woonden enkele Illyrische stammen. Die waren, net als de Thraciërs, aan Macedonië onderworpen, maar Alexanders staf achtte het verstandig te laten zien dat de nieuwe koning even geducht was als Filippos.
Alexander had in zoverre geluk dat een van de Illyrische stammen, de Dardaniërs uit het huidige Kosovo, het plan had opgevat Macedonië binnen te vallen. Dat bespaarde Alexander de moeite een voorwendsel te verzinnen om naar het westen te marcheren, maar haast was wel geboden. Stamhoofd Kleitos had zich verzekerd van de steun van een andere stam, de Taulantiërs, en had bovendien in het westen van Macedonië het fort Pellion bezet, dat gezocht moet worden in de omgeving van Korçë, in oostelijk Albanië.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.