[Dit is het tweede van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
Ik heb in het vorige blogje verteld dat de Germanen rond 100 v.Chr. voor het eerst opduiken in het overgeleverde deel van de Grieks-Romeinse literatuur en dat er in die tijd een zuidwaartse migratie plaatsvond vanuit Denemarken en de Noord-Duitse Laagvlakte. Dit is te bewijzen aan de hand van de historische taalkunde, waar ik nog even mee verder ga. Ik zal vertellen dat de regio waar men Germaans sprak, niet samenvalt met de regio die de Grieken en Romeinen “Germania” noemden. Ze valt trouwens ook niet samen met de Germaanse archeologische culturen, en ook daarover wil ik het hebben.
De grenzen van Germania
Als de zuidgrens van Germania hebben de Griekse en Romeinse auteurs altijd de Donau aangewezen. Dat was al zo ten tijde van Poseidonios van Apameia en voor zover ik weet heeft geen enkele antieke geograaf er ooit anders over gedacht. Ten zuiden van de rivier lagen Keltische staten als Raetia (zeg maar Baden-Württemberg) en Noricum (zeg maar Beieren): twee gebieden die voor zover ik weet niemand ooit Germaans heeft genoemd.
Romeins portret van een Germaan (British Museum, Londen)
Het is met de Germanen zoals met de Kelten: begripsverwarring. Soms verwijst de naam naar degenen die door de Grieken en Romeinen zo werden aangeduid. Soms is verwezen naar de bewoners van een bepaald gebied, “Germania”. Soms is verwezen naar de sprekers van een bepaalde taal. Ik sla nog het een en ander over, maar dit is duidelijk: zoals de Kelten zichzelf geen Kelten noemden, zo wisten de Germanen niet dat ze Germanen waren. Dit alles geldt overigens voor wel meer antieke volken.
Ik wil nu zes blogs wijden aan de Germanen. Ik wil vandaag iets vertellen over de herkomst van het idee dat er überhaupt Germanen bestonden en zal daarna ingaan op het onderzoek – eerst de historische taalkunde. Daarna behandel ik dan de geografie en archeologie, en is, hoop ik, duidelijk waarom de geografische begrenzing lastig is en er eigenlijk gradaties van Germaansheid zijn. Ik vermeld dan in een derde blogje wat historische gebeurtenissen (zoals de slag in het Teutoburgerwoud) vervolg met meer geschiedenis, en ik rond af met een schets van de Germaanse cultuur, met speciale aandacht voor religie.
[Dit is het tweede en laatste blogje over de Cyrenaica.]
Een tijd zonder geschiedenis
De Perzen veroverden Egypte in 525 v.Chr. en lijken daarna de Cyrenaica te hebben onderworpen. Uit de Historiën van Herodotos van Halikarnassos zouden we afleiden dat het gebeurde rond 513, maar zoals zo veel dateringen is ook dit jaartal niet zo zeker als het lijkt. Het is onduidelijk of de Achaimeniden daadwerkelijk de regio hebben beheerst: ze lag immers ver weg. Het is in elk geval waarschijnlijk dat de Cyrenaica haar zelfstandigheid herwon toen koning Xerxes de perifere rijksdelen opgaf. In elk geval moeten de steden van de Cyrenaica na de onafhankelijkheid van Egypte in 404 autonoom zijn geweest.
Zomaar wat serviesgoed uit de Periode van de Strijdende Staten (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)
[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
De late mohisten discussieerden, zoals we in het vorige blogje zagen, met vertegenwoordigers van andere scholen uit de Chinese filosofie. De debatten brachten hen er zo nu en dan toe hun standpunten aan te passen, maar dwongen hen ook om zich verder te verdiepen in theoretische vraagstukken. De Canons en de twee daarop volgende hoofdstukken in de Mozi zijn opmerkelijk door hun hoge vlucht in taaltheorie, kennisleer en logica. De fundamentele manier waarop de mohisten hier het denken onderzoeken wordt wel vergeleken met het werk van Aristoteles.
Zomaar een steenbok uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)
[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
We moeten het nog hebben over de late mohisten. Zij verschillen op een aantal punten van de eerdere mohisten en vormen daarmee een apart en opvallend hoofdstuk in de Chinese filosofie. Hun ideeën laten zien dat de mohistische school een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, en verschillende filosofische disciplines is gaan verkennen.
[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
We hebben in het vorige blogje gezien dat de Mozi met een aantal inleidingen, de tien doctrines en de teksten tegen Confucius een goed overzicht biedt van het mohisme. Daarmee hebben we de Mozi echter nog niet uitgelezen. We lezen verder.
[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde serie: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
Het mohisme moet in de Periode van de Strijdende Staten een belangrijke en invloedrijke stroming zijn geweest, ieder geval invloedrijk genoeg om confucianisten en taoïsten te motiveren de mohisten herhaaldelijk van repliek te dienen, in onder andere de Analecten en de Zhuangzi, twee sleutelwerken van het vroege confucianisme en het taoïsme.
De Alexandersarcofaag achter spiegelend glas (Archeologisch Musea, Istanbul)
Osman Hamdi was een van de belangrijkste Ottomaanse archeologen, en het is aan hem te danken dat de koninklijke graven in Sidon in 1887 niet zijn geplunderd maar redelijk professioneel zijn opgegraven. Het gaat om twee complexen; het een was door antieke vandalen geplunderd, in het ander stonden de sarcofagen van een dynastie die in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. regeerde over de Fenicische havenstad. De jongste van de stenen grafkisten staat bekend als de Alexandersarcofaag en was het graf van koning Abdalonymos (Abd-Elonim, “dienaar van de hoogste goden”). Deze koning van Sidon zou Alexander volgen tot in India.
Hamdi begreep meteen het belang van de vondst, borg alle sarcofagen en liet ze overbrengen naar het Ottomaanse Museum in Constantinopel, niet ver van het Topkapi-paleis. Daar staat de verzameling grafkisten nog altijd, al heet de instelling inmiddels de Archeologische Musea van Istanbul.
Gouden rhyton uit Ekbatana (Nationaal Museum, Teheran)
Een van de vele wonderlijke verhalen die de Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vertelt, is zijn beschrijving van Ekbatana, dat volgens hem de hoofdstad was van het Iraanse volk der Meden. Het gaat met zekerheid om de huidige stad Hamadan in het westen van Iran: beide plaatsnamen gaan terug op een oud-Iraans woord Hagmatana, “verzamelplaats”. Herodotos vertelt dat een zekere Deïokes, een onkreukbare rechter, de verschillende Medische groepen tot een eenheid maakte en een hoofdstad stichtte.
Ekbatana is vanwege de concentrisch gebouwde muren onneembaar. Ze zijn zo aangelegd dat iedere ringmuur slechts met zijn tinnen boven de volgende uitsteekt. Deze constructie werd vergemakkelijkt door het feit dat de vesting zich op een heuvel bevindt, maar het is voornamelijk het werk van mensenhanden geweest. In totaal zijn er zeven van dergelijke cirkels en in het middelpunt staat het paleis met de schatkamers. … De tinnen van de eerste vijf zijn fel beschilderd in verschillende kleuren: wit voor de eerste, dan zwart, de derde rood, de vierde blauw en de vijfde oranje. De twee binnenste muren zijn respectievelijk verzilverd en verguld. Dit vestingwerk diende om de koning en zijn onderkomen te beschermen. Op bevel van Deïokes moest het volk zijn huizen in een kring om de buitenmuur heen bouwen.noot Herodotos, Historiën 1.98; vert. Hein van Dolen.
[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?
Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.
Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:
De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.
Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.
Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.
Economische en sociologische inzichten
Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.
Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)
De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:
Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.
Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:
Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.
Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.
Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.
Over de sociale structuur zegt De Juliis:
We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.
Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.