Veertig dagen vóór Hemelvaart

Armeense afbeelding van de hemelvaart (Noravank)

Als de techniek een beetje werkt, gaat dit blogje op donderdagmorgen automatisch online. Ik heb dit stukje wat langer geleden voorbereid omdat ik momenteel in Spanje ben, ter voorbereiding van een boek dat ik aan het maken ben over de laatste jaren van Julius Caesar. Zoals ik al eens schreef, kende ik de regio rond Lleida nog niet, en daarom ben ik nu dus daar. Althans, als alles volgens plan is verlopen, maar de treinen en bussen functioneren hier doorgaans goed.

Hemelvaart

Ter zake: het is Hemelvaartsdag. Dat is een wat ongemakkelijk christelijk feest. Immers, als het graf leeg was en Christus was opgestaan, en als Christus goddelijk was, waarom was hij er dan niet meer? Het logische antwoord is dan: omdat hij ten hemel is gevaren. Het problematische is dat slechts één auteur deze gebeurtenis vermeldt, namelijk de auteur van de Handelingen van de Apostelen, het vervolg op het Evangelie van Lukas. En één bron is geen bron.

Lees verder “Veertig dagen vóór Hemelvaart”

Dauwtrappen

Op blote voeten door het bedauwde gras lopen: het “dauwtrappen” dateert uit pakweg de achttiende eeuw. De oorsprong ligt echter vroeger. Net als andere feesten die afhankelijk zijn van de jaarlijks verschuivende paasdatum, valt Hemelvaart (veertig dagen na Pasen) in de lente. En dat roept associaties op met oude lente- en vruchtbaarheidsfeesten.

Het begin

Maar toch. Het mag dan logisch zijn een lijn te veronderstellen tussen het achttiende-eeuwse dauwtrappen en de Germaanse lente- en vruchtbaarheidsfeesten, daarvan kan niets aangetoond worden. Los daarvan is er de retorische vraag of in het geheugen van de achttiende-eeuwers nog iets van een dergelijk Germaans feest was blijven hangen. De aanname dat het dauwtrappen heidense wortels had, lijkt een verzinsel uit de Romantiek. Zo schreef onderwijzer en amateur-historicus Jan ter Grouw in hoofdstuk 7 van zijn vuistdikke De volksvermaken (1871):

Zonderling gebruik! ’t herinnert ons aan het heenstromen onzer voorvaderen naar de heilige wouden om vreugde te bedrijven, nu eens op de algemeene godsdienstfeesten, dan weer op de bijzondere feestdagen van den beschermgod van gouw, heem, marke of dorp. Toen die wouden er niet meer waren, en ’t volk wel gekerstend maar niet veranderd was, bleven toch de oude gewoonten voortduren.

Ter Grouw vermeldt voor deze claim geen bron. Je kunt weliswaar veronderstellen dat de dauwtrapgewoonten niet uit de lucht zijn komen vallen, maar je kunt tevens stellen dat het begin van de lente überhaupt uitnodigt tot feestelijkheid. Marianne van Zuijlen (Meertens Instituut) maakt in een artikel korte metten met een veronderstelde oeroude oorsprong van het dauwtrappen:

Over de achtergrond van het massaal naar buiten trekken van de mensen is geen betrouwbare informatie beschikbaar.

Frustrerend, maar het is niet anders.

Bijgeloof, huwelijk en vermaak

Bij het dauwtrappen zijn drie niet duidelijk te scheiden begrippen van belang: bijgeloof, het vinden van een huwelijkspartner en vermaak.

Wat bijgeloof betreft: ooit geloofde men dat de ochtenddauw een magische, helende en beschermende werking had. Vandaar dat het met blote voeten moest worden betreden. Dauw zou helpen tegen huidaandoeningen, met name dauwworm, voetschimmel, zomersproeten, ouderdom en andere onreinheden. Bovendien zou dauw de schoonheid bevorderen. Ze zou het meest effectief zijn met Walpurgis (1 mei) en Sint-Jan (24 juni), beide data die in verband staan met lente en vruchtbaarheid. Het dauwtrappen werd oorspronkelijk op 1 mei gehouden, daarna op de eerste zondag in mei.

Dauwtrappen in de achttiende eeuw

Het dauwtrappen was tevens een gelegenheid waarbij jongens en meisjes elkaar ontspannen konden ontmoeten en eventueel een huwelijkspartner konden vinden. Deze functie is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Dicht bij die functie ligt ook het volksvermaak. Joost Hiddes Halbertsma schreef in de Overijsselsche Almanak van 1836:

Op den morgen van Hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever- en brandewijn-flesschen in den zak, en na zich onder de boomen en prieëlen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan.

Dat men wel vóór de vroegmis terug moest zijn, heeft niets te maken met het feit dat de kerkelijke viering in het verlengde zou liggen van het dauwtrappen, maar het was wel zo gepast. Bij het moderne dauwtrappen is het vaak nog gewoonte om na het gebeuren het café te bezoeken. Halbertsma vervolgt:

Ook de meisjes zijn bij dit dauwtreên! Nu, dit laat zich begrijpen; de meisjes blijven niet graag t’huis, en de knapen willen haar wel bij zich hebben.

Tenslotte citeert Ter Gouw de Gelderschen Volksalmanak van 1858 met de niets aan de fantasie overlatende zin: “Rumoer en spektakel – tegen den avond het halve dorp dronken.”

Processies

De eerdergenoemde Marianne van Zuijlen verklaart het ontstaan van het dauwtrappen, naast het bijgelovige aspect, uit de gewoonte om met Hemelvaart processies te houden. Deze processie zouden dan weer hun oorsprong vinden in smeekprocessies die in de vijftiende eeuw gehouden werden voor het bezweren van zware epidemieën.

Op bepaalde plaatsen vonden dan rondritten en brooduitdelingen voor de armen plaats. Wat later ontstonden er echter carnavalachtige toestanden. Nog steeds zijn er in het oosten en zuiden van ons land dauwtrapevenementen, bijvoorbeeld in Mariahout en Liempde, die een processieachtig karakter hebben en waarbij de plaatselijke fanfare een grote rol speelt.

Dauwtrappen en antroposofie

Het hedendaagse dauwtrappen is dus al met al een “invented tradition”, waarbij commercie een grote rol speelt. Slogans als “mindful dauwtrappen” zijn geen uitzondering. Gezelligheid staat voorop en in plaats van de benenwagen nemen velen de fiets. Een levensbeschouwelijke stroming die wat dauwtrappen betreft terug wil gaan naar het begin is de antroposofie en specifiek haar christelijke tak, de Christengemeenschap, met haar nadruk op de jaarfeesten en de vier elementen. De lente zou de maand van het water zijn en de gedachtegang is poëtisch:

De kringloop van het leven wordt in stand gehouden door de kringloop van het water, dat in mei zijn eigen hemelvaart begint [verdampt, opstijgt en als regen weer neerslaat – HO]. In de voorchristelijke natuurreligies beleefden de mensen dit geheel van beweeglijke en veranderlijke levenskrachten als vrouwelijk. Ze personifieerden dit levensgeheel als de levenschenkende “godin”, die vooral in mei werd vereerd.

Aldus Tineke Croese in het Antroposofie Magazine, maart 2016. Natuurlijk is ook dit een “invented tradition”, maar wel een die serieus de oorsprong en zin van het gebruik zoekt.

[Een postume bijdrage van de vorig jaar overleden Hans Overduin.]

Tijdmanagement

Klok

Ik ben deze dagen bezig met het maken van de brochure met de nieuwe cursussen en reizen van Livius. Dat is een ongelooflijk vervelend werkje, want ik moet rekening houden met meer zaken dan menselijkerwijs mogelijk is, zoals de wensen van acht docenten en de mensen die de negen vestigingen beheren, alsmede de mogelijkheden negen zalen te huren. Het is een soort  simultaanschaak, met dit verschil dat wat je op het ene bord doet, altijd invloed heeft op minimaal twee andere borden. Ik zou de vormgeefster van de brochure nog vergeten: met haar heb ik een afspraak wanneer ik de tekst van de brochure moet aanleveren: zij is, om de metafoor te handhaven, de onverbiddelijke schaakklok.

Alles komt neer op controle. Dus stuurde ik afgelopen woensdag iedereen een mailtje met het verzoek te kijken of het rooster klopte, aangezien ik maandag de brochure naar de vormgever moest sturen. Omdat ik het op woensdag vroeg, hadden de mensen donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag om in hun agenda te kijken. Dat leek me genoeg.

Lees verder “Tijdmanagement”