Ik kom nogal eens in Nijmegen. Elke keer dat ik er met de trein aankom, kijk ik heel even naar het dak boven het perron. Onopgemerkt door de reizigers staat de overkapping daar gewoon mooi te zijn.
Ik weet het: andere stations hebben soortgelijke, even functionele en even elegante constructies. Waarom ik er in Nijmegen op let en elders niet, ik heb geen idee.
Op maandagavond moest ik naar Hoorn. De NS zetten een te korte trein in. Des te erger omdat het autoverkeer stil stond in de Coentunnel en allerlei forenzen hun auto bij Sloterdijk neerzetten om met de trein te gaan. De trein was dus te vol en ik kon niet mee. Een latere trein nam me mee naar Zaandam, maar die arriveerde daar te laat om nog te kunnen overstappen op de trein die ik daar naar Hoorn had willen nemen. Een taxi dus maar.
Door ervaring wijs geworden reis je twee treinen van te voren, maar het haalt dus niks uit.
Er is veel aan te merken op ’s Neêrlands spoorwegbedrijven, en veel van die kritiek is ontzettend terecht, maar er valt op het spoor ook weleens iets leuks te beleven. Twee ontmoetingen, eerder deze week.
Op maandag reisde ik vanuit Amsterdam naar Gouda. Ik probeerde wat te werken op mijn laptop maar had daarmee weinig succes, aangezien er een klas pubers bij me neerstreek. Op mij hebben zulke uitgelaten groepen altijd hetzelfde effect, namelijk dat ik er zelf ook blij van word. Ik heb dezelfde ervaring als ik een bruidspaar zie lopen. Een aanstekelijk soort blijdschap. Daarmee ben ik trouwens niet de enige: toen we op de trouwdag van mijn goede vriend Richard bij de Stopera foto’s maakten van hem en zijn echtgenote, zag ik bij elke passerende fietser een glimlach doorbreken.
[Ik heb momenteel een stukje in de pen over twee leuke ervaringen deze week in de trein. Ik wil namelijk ook weleens schrijven over fijne, mooie of ontroerende dingen op het spoor. U krijgt dat stukje morgen of overmorgen, want helaas weten de spoorwegen het altijd te verknallen. Dus ik blaas – om een spoorwegmetafoor te gebruiken – eerst even wat stoom af.]
Mijn ouders leerden me te spreken met twee woorden en ze hielden me voor dat het niet netjes is te vloeken. Dat is maar goed ook, want anders zouden vanavond de meest afschuwelijke vloeken hebben geklonken door het Apeldoornse station, waarvan de echo’s tot woensdag zouden hebben weerklonken en die de forenzen ’s ochtends diep, diep zouden hebben verontrust. En het gaat ook om iets dat diep verontrustend is.
(generiek plaatje – deze foto is van een andere reis met de trein naar Heerlen)
Je hebt weleens minder heldere momenten. Instemmen met een vergadering op zondagmiddag in Heerlen is onverstandig. Althans als je met de trein moet, want in het weekend zijn er dan werkzaamheden. Is het niet bij Utrecht, dan is het wel tussen Den Bosch en Eindhoven. Daar heb ik vandaag dus mee te maken. Een echte les valt hier niet te trekken, of het moet zijn dat je maanden van tevoren bij het plannen van een vergadering al rekening moet houden met NS-werkzaamheden.
Kortom, ik ben vroeg op pad gegaan en ben nu in een extra vroege trein op weg naar Boxtel. Daar zal ik achttien minuten moeten wachten op de stoptrein naar Eindhoven, en in die stad kan ik dan tweeëntwintig minuten wachten tot de trein richting Heerlen aankomt. Totale reisduur: drie uur en dertien minuten. Normaal gesproken gaat het zo’n drie kwartier sneller, maar ik neem mijn verlies. Ik zal voortaan geen afspraken meer maken zonder te kijken of er werkzaamheden zijn.
Dit plaatje heeft weinig te maken met Den Haag CS maar illustreert de fysieke opluchting die je voelt als je een trein verlaat.
Ik heb altijd gedacht dat de dood nog enkele jaren vóór me lag en dat de wereld waarin ik dit schrijf en waarin u dit leest is “het leven” is. Ik moet nog sterven, dacht ik. Het moet echter anders zijn: blijkbaar ben ik al dood en bevind ik mij in de hel. Ik bedoel de trein.
Het was weer raak vandaag: door een wisselstoring rijden er minder treinen tussen Schiphol en Amsterdam Zuid. Tegelijkertijd blokkeert een defecte goederentrein het spoor bij Baarn. Dat laatste betekent dat ik niet over Amersfoort en Apeldoorn naar Zutphen kan, het eerste betekent dat ik niet de rustige trein over Utrecht en Arnhem kan nemen. Een medeforens SMSte me al dat er problemen waren, dus ik was voorbereid. En inderdaad: de online reisplanner – die een mens niet nodig zou moeten hoeven hebben omdat je op de trein moet kunnen vertrouwen – toonde vooral treinen die niet reden.
Het jaar mag dan nieuw zijn, de problemen met het openbaar vervoer blijven dezelfde en ik schrijf mijn wanhoop ook in 2016 weer van me af. Vorig jaar hadden de Nederlandse Spoorwegen het lumineuze idee om goedkoop kaartjes te verkopen via onder andere de Blokker. De consequenties? De treinen waren afgeladen. Ik probeerde – u leest het hier – op 22 oktober van Leeuwarden naar Zutphen te reizen in een trein die zó vol was dat in Meppel mensen op het perron moesten blijven staan en dat de conducteur in Zwolle ervoor waarschuwde dat wie overstapte, geen plaats zou vinden in een vervolgtrein. Niet dat het mogelijk was over te stappen (wat ik wel moest), want ik kon door de drukte niet bij de deur komen en kon de trein pas verlaten in Lelystad.
Een gezonde organisatie, ja zelfs een halfzieke organisatie, leert van haar fouten. De Blokker-actie had er een moeten zijn van “eens maar nooit weer”. Dat de Nederlandse Spoorwegen de actie nu herhalen, betekent óf dat de organisatie doodziek is óf dat men een sadistische hekel heeft aan de reizigers. Of allebei.
Op maandagavond strandde ik in Arnhem: iemand had zelfmoord gepleegd op het spoor bij Wolfheze en het alternatief dat de NS aanboden (omreizen via Nijmegen en Den Bosch, met de nachttrein van Utrecht naar Amsterdam) zou hebben betekend dat ik mijn bed niet voor drie uur zou zien. Dus nam ik een hotel in Arnhem, waar ik de avond afrondde met het mailen van mensen met wie ik dinsdagochtend afspraken had.
Een oude Amsterdammer (gevelsteen, Korte Prinsengracht 05, Amsterdam)
Onlangs werd ik vijftig en ik weet: ik ben niet jong meer. Zoiets merk je aan een paar grote en een boel kleine zaken, maar ik vond het te vroeg om mezelf oud te vinden. Anderen zien dat anders, zo ontdekte ik.
Ik moet vanmiddag naar Gent. De waarheid gebiedt echter te zeggen dat ik niet precies weet hoe ik voor die internationale reis moet betalen met de chipkaart die de vervoersbedrijven ons hebben opgedrongen. Inchecken, naar Roosendaal sporen, uitchecken, op dat station een nieuw kaartje kopen, aansluiting missen, instappen in het boemeltje naar Antwerpen, daar een nieuw kaartje kopen – zoiets herinnerde ik me van de vorige keer. Ik ben de enige niet die het niet langer weet (lees maar).
Ik weet het, vaste lezers van deze kleine blog, ik weet het. U wacht al weken op onze running gag, mijn maandelijkse mopperstukje over de spoorwegen in het algemeen en het forenzenleed in het bijzonder. U zult echter nog wat moeten wachten, want ik schrijf u vandaag vanuit de trein van Buchara naar Tasjkent, die met een mooi arabisme Shark heet, “oostwaarts”. Ik neem aan dat er ook een vanuit Tasjkent westwaarts rijdende Garb of – zoals de Oezbeken het wel zullen uitspreken – Gorb is.
Alles klopt aan de Shark. Het begint al als je aankomt in het station, waar het perronpersoneel over brede snorren gezag uitstraalt. Indrukwekkende uniformen ook: conducteurs zoals conducteurs eruit moeten zien. Er worden op het perron ook drankjes en kranten verkocht, wat bij mij meteen herinneringen opriep aan het oude station Roozendaal, waar in de jaren tachtig (toen ik daar als dienstplichtige vaker overstapte dan me lief was) nog iemand langs de rijtuigen kwam lopen en koffie, thee en limonade aanbood, die we dan aanpakten door het geopende raam.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.