Karneades in Rome (2)

De zogenaamde Cato uit Otricoli (Torlonia-collectie, Rome)

[In de derde eeuw v.Chr. kregen de Academie van Plato en de Peripatetische school van Aristoteles gezelschap van nieuwe filosofische stromingen, zoals het Cynisme, de Cyreense School, het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het was onvermijdelijk dat er ook combinaties zouden komen. Dit is het slot van een stuk waarvan het begin hier was.]

Karneades in Rome

Sceptisch en pragmatisch als hij was, stelde Karneades dat het Romeinse Recht niet was gebaseerd op een natuurlijke orde, maar op praktisch nut. Het ‘natuurrecht’ is volgens Karneades een fictie. Mensen vinden geen wetten uit op basis van een hogere waarheid, maar uit overwegingen van praktisch nut. De natuur drijft alle levende wezens naar wat voor hen nuttig is, en dat is de werkelijke basis van het recht. Wetten verschillen dan ook van elkaar, net als de gewoonten van de volkeren die ze uitvinden. En ze veranderen naar gelang hun cultuur verandert.

Hiermee sluit Karneades aan op de gedachten van Epikouros over recht. Epikouros meende ook dat recht teruggaat op praktisch nut. Het verschil is dat Karneades, in tegenstelling tot Epikouros, de nadruk legde op de veranderlijkheid van het recht. Epikouros beschouwt de moraal als een individuele afweging, met als doel het maximaliseren van genot. Maar wat genot is, is volgens Epikouros afhankelijk van het mens-zijn, niet van de cultuur waar iemand in leeft. Op die manier streefde Epikouros naar een moraalfilosofie met universele morele uitspraken.

Lees verder “Karneades in Rome (2)”

De sofisten: Goed is wat sterk is

Plato (Altes Museum, Berlijn)

[In deze serie behandelt Kees Alders, webdesigner en auteur van het boek De wereld vóór God. Filosofie van de Oudheid de sofisten: de theoretici van de Griekse welsprekendheid en overredingskunst. Het eerste deel was hier.]

De meest markante sofisten die in Plato’s werk naar voren komen, hebben wellicht nooit echt bestaan. In Plato’s dialoog Gorgias treedt de sofist Kallikles naar voren, en in Plato’s hoofdwerk Politeia (de Staat) komen we de sofist Thrasymachos tegen. We zullen ze als ‘filosofen’ bespreken, want wat Plato ze laat zeggen is interessant genoeg.

Kallikles en Thrasymachos

Deze twee houden allebei ongeveer eenzelfde soort pleidooi. Hun stelling is dat het goede gelijk is aan dat wat het sterkst is. Ze stellen dat wie door list en bedrog, of gewoon door bruut geweld, zijn rijkdom en aanzien weet te behouden, uiteindelijk bepaalt wat de norm is, en daarmee uiteindelijk het meest bijdraagt aan de samenleving.

Wanneer zo iemand ontmaskerd of overwonnen wordt, dan komt dat dus niet omdat zijn moraal niet deugt, maar omdat hij kennelijk niet listig en sterk genoeg was. Zij prediken daarmee dus een soort sociaal darwinisme avant la lettre.

Lees verder “De sofisten: Goed is wat sterk is”

Kapitalisme

Een zestiende-eeuwse munt als gevelsteen (Zandhoek 14, Amsterdam)

In de Middeleeuwen gold het maken van winst als zondig. De scholastieke filosofen wezen erop dat het niet te rechtvaardigen is dat iemand die bijvoorbeeld een brood over heeft, aan een hongerende voor dat brood geld vraagt. (Vandaar dat de kerk leerde dat het armen was toegestaan brood te stelen.) Hoe de koopman, die toch weinig kwaads in de zin had, in de hemel kon komen, was een berucht filosofisch probleem.

De grote reformator Johannes Calvijn (1509-1564) negeerde het in zijn moraaltheologische geschriften: hij ging er niet van uit dat handel gerechtvaardigd moest worden, maar zocht naar wegen om de schadelijke effecten te beperken. Dit maakte de weg vrij voor het kapitalisme. Toen het Calvinisme tegen het einde van de zestiende eeuw voet aan de grond kreeg in de Lage Landen, ontstond daar de eerste zuiver kapitalistische economie.

Lees verder “Kapitalisme”