In de alweer vijfde aflevering in de reeks over de Europese canon gaan we kijken naar de overgang van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd.
De Grote Ontdekkingen
Periode: Vanaf 1419
Vanaf 1419 organiseerden de Portugezen systematische verkenningstochten langs de westelijke kust van Afrika. Die werden steeds ambitieuzer. Bartolomeu Dias passeerde in 1488 Kaap de Goede Hoop, Vasco da Gama bereikte in 1497 India. In de tussentijd was Columbus namens de reyes católicos de Atlantische Oceaan overgestoken. Rond 1500 begonnen de Europeane nte begrijpen dat Columbus niet in India was aangekomen, zoals hij dacht, maar een nieuwe wereld had ontdekt.
Agarische exploitatie in Nederlands-Indië (Universiteitsbibliotheek Leiden)
Wie helpt? Ik zit even met een vraag. Onlangs blogde ik over de Romeinse economie, die natuurlijk vooral agrarisch was. Ik heb niet uitgebreid stilgestaan bij een volgens mij redelijk belangrijk aspect, namelijk de interactie van productiewijzen. Een antieke boer zou het liefst alleen voor zichzelf produceren. De vakterm is dat hij streefde naar autarkie, wat je ooit zou hebben vertaald als “zelfgenoegzaamheid”, maar dat woord heeft een andere betekenis gekregen. In elk geval: de antieke boer was een peasant, zoals de overgrote meerderheid van de mensen die de afgelopen twaalfduizend jaar op deze planeet hebben rondgelopen.
Nu was er een vervelende bijkomstigheid: de overheid. Die eiste een deel van de opbrengst. Zolang dit in natura gebeurde, viel daarmee te leven. Maar de Romeinse overheid eiste belasting in klinkende zilveren munt. Die heeft een autarke boer niet, tenzij hij iets gaat verkopen. Anders gezegd: hij moet gaan produceren voor de markt.
Een studente heeft plagiaat gepleegd in haar scriptie – wat in Vlaanderen een licentiaatsverhandeling heet. Haar docent, Arthur Godschalk, kan het bewijzen. Dat wordt dus een nogal ijzig gesprek. Hij heeft al eerder geconstateerd dat de jonge vrouw, Godelieve, eigenlijk alleen wat teksten heeft opgesnord op het internet. Die heeft ze gecombineerd met wat ze “de empirie van haar eigen leven” noemt en dat vindt ze voldoende om een master-titel te krijgen. Tot hier kan Godschalk zeker zijn van zowel de feiten als zijn beoordeling van de feiten. Plagiaat is plagiaat.
We zijn nu vijf alinea’s in Ontmaskering, een boek dat qua lengte ergens tussen novelle en roman in ligt en daarom door auteur Harry van de Bouwhuijsen “rovelle” is genoemd. In de zesde alinea begint de subjectiviteit het over te nemen. Godschalk vermoedt dat de ijzige sfeer in het gesprek over de licentiaatsverhandeling een voorgeschiedenis heeft. Godschalk heeft namelijk een artikel geschreven waarin hij opperde
dat de concentratie op de eigen Unieke Identiteit bij de huidige snowflake generation welhaast maniakale vormen lijkt te hebben aangenomen.
Dat is Godelieve niet bevallen en ze heeft van haar docent excuus geëist. Hoewel ze sindsdien niet meer op college is verschenen, denkt Godschalk te weten dat dit incident bijdraagt aan de ijzige sfeer tijdens het gesprek.
De ideeën van de negentiende eeuw zijn nog bij ons: de democratie bijvoorbeeld en de nationale staat zoals geschapen door de politici naar wie de straten zijn vernoemd in uw plaatselijke staatsliedenbuurt. Of de moderne wetenschap met helden als Maxwell, Mendel, Mendeleev alsmede Koch, Cantor en Curie. We groeien met de negentiende eeuw op, leven er nog in en denken dat het niet anders kan. Sommige ideeën hangen we op aan een persoon, zoals de evolutieleer van Charles Darwin, de psychoanalyse van Sigmund Freud en het complex aan ideeën van Karl Marx.
Socioloog, econoom, politicus
Karl Marx was enerzijds socioloog en econoom en anderzijds politicus. Als politicus is hij – of misschien beter: zijn erfgoed – voldoende omstreden om een eerlijke blik op zijn rol als wetenschapper lastig te maken. En let’s face it: hij had het nogal bij het verkeerde eind, want hij meende het einde van het kapitalisme te beschrijven terwijl hij in feite stond aan het begin.
Geen wonder dat schoolkinderen, als ze over Karl Marx moeten schrijven, nogal eens radeloos zijn (“naar mijn mening was die man helemaal niet zo slim”). Eén moeder vroeg me om haar zoon van veertien of vijftien, op wie ik erg ben gesteld, eens te helpen. En zo kwam het dat ik vorige week een treinreis heb benut om per Whatsapp een cursus marxisme te versturen. Kortom: hier zijn Marx en zijn historische context, gereduceerd tot vierendertig appjes.
Dans om het gouden kalf (Lange Niezel 25, Amsterdam)
Joris Luyendijk had gisteren een aardige column (hier) waarin hij schrijft dat
hoe meer je van de financiële sector begrijpt, hoe beter je doorkrijgt dat het echt niet alleen de banken waren die er een puinhoop van hebben gemaakt.
Vervolgens legt hij uit dat veel mensen met hun hypotheek enorme risico’s hebben genomen en dat het niet aangaat de bankiers de schuld te geven van dat roekeloze gedrag. Als de mensen beter hadden begrepen wat ze deden, zouden we nu aanzienlijk minder problemen hebben.
In het eerste deel van dit stuk legde ik uit dat het gangbare idee dat de opkomst van het christendom een einde maakte aan de antieke seksuele moraal, empirisch zwak is. Zowel voor de reconstructie van de antieke moraal als voor de christelijke ideeën zijn de bronnen te schaars, terwijl we ook niet voldoende begrijpen wat ze nu eigenlijk representeren. We weten onvoldoende wat mensen feitelijk deden en dachten, en nog minder hoe ze zich lieten beïnvloeden door de (in elk geval inconsistente) christelijke ideeën.
We krijgen pas duidelijkheid over het feitelijk gedrag van mensen vanaf de elfde, twaalfde eeuw. Vanaf dat moment beschikken we over de zogenaamde boete- of biechtboeken. Wanneer iemand aan een priester een zonde opbiechtte, moest deze de zogeheten penitentie vaststellen, een aardse straf die werd geacht de straf in het Hiernamaals overbodig te maken. In de biechtboeken staan, om het wat badinerend uit te drukken, de tarieven. Het aardige is nu dat er verschillende edities bestaan, steeds uitgebreid met nieuwe zonden. Het gros is ontstaan doordat gelovigen met vragen bij de pastoor kwamen. Hiermee hebben we dan voor het eerst een historisch equivalent voor het Vivaforum.
Dat lijkt, voor wie wil weten wat het feitelijk seksueel gedrag was, een stap vooruit, maar zonder complicaties zijn de biechtboeken niet. De auteurs zijn namelijk minder geïnteresseerd in seksualiteit dan in de inperking van het groeiende kapitalisme (volgens het Nieuwe Testament kon een overspelige vergeving krijgen, maar was er voor de rijken uitsluitend hoop als ze hun aardse goederen opgaven). Seksualiteit was voor de samenstellers van de biechtboeken geen hoofdthema. Dat kan zowel betekenen dat ze te weinig aandacht gaven aan iets wat voor gelovigen wél belangrijk was (zodat de waarde van het geschrevene gering is) maar het kan ook betekenen dat ze zonder eigen agenda een oordeel gaven (zodat de biechtboeken een redelijke afspiegeling zijn van de gangbare ideeën). Omdat we de informatie niet hebben waarmee we tussen deze twee opties kunnen kiezen, blijven de biechtboeken een lastige bron.
Niettemin, het is beter dan wat we hebben voor de tijd daarvoor: we weten tenminste zeker dat het gaat om mensen die een moreel oordeel zochten over reële situaties. Daardoor heeft het lezen van de biechtboeken iets voyeuristisch. Ik herinner me iemand die in spirituele nood verkeerde omdat hij en zijn echtgenote gemeenschap hadden gehad in een kerk. Hij zal opgelucht adem hebben gehaald toen de priester hem vertelde dat dit geen zonde was.
Pas in de boeteboeken uit de Late Middeleeuwen vinden we iets dat lijkt op de seksuele moraal die de christelijke kerken later zouden uitdragen. Zo wordt masturbatie pas in de veertiende eeuw vermeld als een zonde, terwijl homoseksuele handelingen vanaf de dertiende eeuw worden geproblematiseerd. Dit zegt – het wordt eentonig – niets over het feitelijk gedrag, maar bewijs wel dat de geestelijke autoriteiten een ontwikkeling in hun denken hebben doorgemaakt.
Het is bekend welke: ze waren Aristoteles gaan lezen. Eén van de principes in zijn denken is dat de natuur doelmatig is. Zo kan uit een eikel een eik ontstaan, en kan uit het mannelijk zaad een mens groeien. Wat bij de Macedonische filosoof een middel was om de veranderingen in de werkelijkheid te beschrijven, werd door de scholastieke filosofen echter opgevat als voorschrift, en zij keurden handelingen af die de doelmatigheid van de natuur doorkruisten. Het gevolg is dat homoseksualiteit, masturbatie en abortus voortaan golden als zonde.
Het veelgehoorde idee dat de opkomst van het christendom een einde maakte aan de niet-repressieve moraal van de oude wereld, is dus veel te kort door de bocht. Zeker, de nieuwe religie had enkele nieuwe seksuele regels, maar de bisschoppen konden ook verschillende standpunten innemen, want de Kerk had tot ver in de Middeleeuwen andere prioriteiten. En voor zover er een eenduidige moraal was, is de vraag of deze invloed heeft gehad op de praktijk. Het enige wat met zekerheid valt te zeggen, is dat we over de seksuele praktijk vóór de twaalfde eeuw onvoldoende weten om (veronderstelde) veranderingen te kunnen verklaren, en dat we na de dertiende eeuw alleen de verandering begrijpen in het denken van de geestelijkheid. Wat de mensen verder deden of laten, blijft verborgen.
[Als contrapunt bij het kapitalisme is de heilige Nikolaas van Myra onverminderd relevant. Het eerste deel van dit artikel is hier.]
Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat Nikolaas bisschop is geweest van de havenstad Myra tijdens de regering van Constantijn de Grote. Het is moeilijk in de legenden een historische kern te ontwaren, want veel ervan hebben parallellen in Filostratos’ Leven van Apollonios en behoren dus tot de verhalen die destijds in Turkije werden verteld over elke charismatische, al dan niet christelijke godsdienstleraar. Zonder parallel in die verhalentraditie is de anekdote dat Nikolaas een bisschop een klap heeft uitgedeeld, en dat kan daarom historisch waar zijn.
Een zestiende-eeuwse munt als gevelsteen (Zandhoek 14, Amsterdam)
In de Middeleeuwen gold het maken van winst als zondig. De scholastieke filosofen wezen erop dat het niet te rechtvaardigen is dat iemand die bijvoorbeeld een brood over heeft, aan een hongerende voor dat brood geld vraagt. (Vandaar dat de kerk leerde dat het armen was toegestaan brood te stelen.) Hoe de koopman, die toch weinig kwaads in de zin had, in de hemel kon komen, was een berucht filosofisch probleem.
De grote reformator Johannes Calvijn (1509-1564) negeerde het in zijn moraaltheologische geschriften: hij ging er niet van uit dat handel gerechtvaardigd moest worden, maar zocht naar wegen om de schadelijke effecten te beperken. Dit maakte de weg vrij voor het kapitalisme. Toen het Calvinisme tegen het einde van de zestiende eeuw voet aan de grond kreeg in de Lage Landen, ontstond daar de eerste zuiver kapitalistische economie.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.