Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (4)

[Deze bespreking van het beroemde stripverhaal verscheen eerder op Frontaal Naakt. Het eerste deel is hier.]

Frank Millers 300is dus een navertelling van een politieke sage. Maar er is een verschil: Miller gaat veel verder dan Herodotos. Waar de laatste de tragiek benadrukt van twee gelijkwaardige volken die met elkaar in conflict raken, is de gelijkwaardigheid bij Miller ver te zoeken. Aan de ene kant toont hij heldhaftige Spartanen, echte kerels en “the world’s one hope for reason and justice”; aan de andere kant presenteert hij Aziaten, slaafse en verwijfde types levend “in a sea of mysticism and tyranny”. Het is licht versus donker, mannelijkheid versus verwijfdheid, vrijheid versus slavernij, Europa versus Azië. Het is zelfs blank versus zwart: hoewel Grieken en Perzen verwante Indo-Europese volken zijn, geeft Millers inkleurster Lynn Varley de laatsten een negroïde huidskleur mee.

Zó heeft Herodotos het nooit gepresenteerd. Zijn Grieken vechten beter dan de Perzen, maar laatstgenoemden zijn niet verwijfd. Millers Xerxes is daarentegen een androgyne verschijning, voorzien van talloze juwelen en beroofd van de fraaie baard die hij, blijkens afbeeldingen, heeft gehad. Nergens claimt Herodotos dat de Grieken een superieur gevoel voor “reason and justice” hebben en voor elke tirannieke daad van een Perzische bestuurder weet hij er ook wel een te noemen van een despotische Griek.

Millers afwijkingen van Herodotos komen voort uit zijn tweede inspiratiebron: de Europese stichtingsmythe die is ontstaan aan het begin van de negentiende eeuw. Het gaat te ver op deze plaats een uitgebreide beschrijving daarvan te geven, maar het komt erop neer dat men ideeën als vrijheid en onafhankelijkheid projecteerde op de oude Grieken, en meende dat de Europese samenleving daaraan haar voorsprong op andere culturen te danken had.

Dit zou amusante flauwekul zijn, maar in de tweede helft van de negentiende eeuw begon dit zogenaamde filhellenisme minder sympathieke kanten te ontwikkelen. Het is vergelijkbaar met de ontwikkeling van het nationalisme: tot 1850 beschouwden de Europeanen de verschillende volken als muzikanten in hetzelfde orkest, maar met de doorbraak van het liberalisme deden concurrentie-ideeën en naijver hun intrede. De vriendelijke rivaliteit die na de Napoleontische oorlogen had bestaan, veranderde in een felle competitie om het bezit van overzeese koloniën. Men was niet langer vooral trots op de eigen cultuur, maar had vooral een hekel aan andermans cultuur. En zo gebeurde ook met het filhellenisme. De Europeanen waren niet meer vooral trots op de Griekse achtergrond, maar kregen een hekel aan oude culturen die niet Grieks waren.

Dat de Babyloniërs en Egyptenaren al twee millennia voor de Grieken in steden leefden, literatuur schreven en kunstvoorwerpen maakten werd na pakweg 1850 steeds meer ervaren als ongemakkelijk feit. Dat de Perzen als eersten een wereldrijk schiepen paste ook al niet in het plaatje van Griekse superioriteit. Dat de Joden het monotheïsme hadden uitgevonden werd weggemoffeld. Classici benadrukten steeds polemischer hoe anders, hoeveel origineler, hoe belangrijk de Grieken waren en het waren niet de geringste geleerden die onderscheid maakten tussen de slaafse, ondemocratische mentaliteit van de Semitische volken uit Azië en de vrijheid van de Grieken, waaraan de Europeanen alles te danken zouden hebben. Lange tijd werd aan het gymnasium ook Hebreeuws gedoceerd, maar voor deze Semitische taal was sinds de tweede helft van de negentiende eeuw geen plaats meer.

Deze ontwikkeling kwam niet uit de lucht vallen. Sinds de instorting van de antieke economie in de zesde eeuw en de daaropvolgende opkomst van de islam hebben oost en west onwennig met elkaar samengeleefd. De wederzijdse stereotypering is even oud en het was niet te vermijden dat het filhellenisme beïnvloed zou raken door eeuwenoude Europese vooroordelen over het Nabije Oosten, niet in de laatste plaats omdat ook aanbeden Griekse filosofen als Aristoteles en Ploutarchos zulke vooroordelen hadden gehad.

Het filhellenisme bestaat nog altijd en zolang het gymnasium mag blijven voortbestaan zal onze Europese stichtingsmythe niet verdwijnen. En mocht de Onderwijsinspectie op een mooie dag besluiten dat het filhellenisme, net als het creationisme en soortgelijke mythen, thuishoort in de godsdienstles, dan nog zal het moderne Griekenland de Europese stichtingsmythe blijven uitdragen. (Zou Frank Miller echt niet in de gaten hebben gehad dat “Stelios” een nieuw-Griekse naam is?) Een catastrofe is het niet. De beschaving –wat dat ook moge wezen– mag dan wel ouder zijn dan de Griekse cultuur, het filhellenisme is nu eenmaal onze Europese mythe en als zodanig geeft ze enige samenhang aan onze samenleving. Dat is immers de functie van een mythe.

Toch is er een schaduwzijde: de ontkenning dat er buiten Europa ook waardevolle beschavingen zijn. Millers venijnige typering van Perzië is daardoor beïnvloed en daarin is hij zeker niet uniek. Momenteel vindt in Londen een grote expositie plaats over het Perzische wereldrijk (“Forgotten Empire: The World of Ancient Persia”) en een toch serieuze krant als The Guardian goot fiolen van toorn leeg over deze tentoonstelling, die politiek gemotiveerd zou zijn. De Perzen waren immers “history’s original villains”. Dat dit als vanzelfsprekend gepresenteerde negatieve uitgangspunt niet minder politiek gemotiveerd was, ontging de recensent.

[Wordt vervolgd]

2 gedachtes over “Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (4)

  1. MNb

    Nog geen twee jaar geleden werd ik gewezen op de nadelen van filhellenisme. Als Nederlands wis- en natuurkundeleraar heb ik de grootste bewondering voor Archimedes en co. Toen ik met vijf bollebozen (waaronder mijn zoon) en nog vier leraren op excursie was naar Kourou ween een hindoestaanse collega (dus van Indiase afkomst) mij erop dat ze in India en China in het verleden ook wel iets aan wis- en natuurkunde hebben gedaan.
    Met enige schaamte moest ik mijn onwetendheid daarover bekennen. Gelukkig kon hij mijn eerlijkheid waarderen. Het is wel een les die ik nooit meer zal vergeten.

  2. eduard

    Het is natuurlijk betreurenswaardig dat de strip van Miller en de daarop gebaseerde film zulke deprimerende stereotypen herkauwen, maar ik vindt het eigenlijk veel treuriger dat de BBC onlangs een zogenaamd wetenschappelijk programma over Xerxes’ invasie uitzond waarbij de geïnterviewde oudheidkundigen duidelijk weinig kennis van het oude Midden Oosten hadden, zodat ze eigenlijk genoemde stereotypen ondersteunden. Eén classicus dacht dat het tentoonstellen van het hoofd van Leonidas aangaf hoe zwaar aangeslagen de Perzen door hun overwinning bij Thermopylae waren, want het tentoonstellen van afgehakte hoofden van koningen zou in die tijd ongehoord zijn! Geen van zijn collegae heeft bij het maken van die documentaire ingegrepen. Wat me bij Miller en de film vooral stoort, naast het opvoeren van “niet-ariërs” als gemakkelijk en onbezwaard te verdelgen ongedierte, is de foeilelijke interpretatie van de prachtige Griekse uitrusting.

Reacties zijn gesloten.