Het einde van Sparta

Ik beschreef eergisteren hoe de Griekse legers in de vijfde eeuw waren geprofessionaliseerd en hoe er, naast de zwaarbewapende hoplieten, ook lichtbewapende peltasten waren gekomen. In het stukje van gisteren gaf ik aan dat het nu mogelijk werd tactisch onderdelen te verplaatsen, waardoor de krijgskunst veranderde. Ook vermeldde ik dat de Perzische koning Artaxerxes II Mnemon in 387 de Grieken had gedwongen tot het beëindigen van hun eeuwige oorlogen en Sparta had aangewezen als toezichthouder.

De Thebanen waren ongelukkig met die constructie en vochten, onder leiding van generaal Epameinondas, de regeling vanaf 382 aan. Vijf jaar later stichtten de Atheners een tweede Delische Zeebond, die de Spartanen behoorlijk in de problemen bracht, tot de Perzische koning in 371 opnieuw eiste dat zijn westerburen de vrede hernieuwden. Alleen de Thebanen weigerden daaraan gehoor te geven, waarop tienduizend Spartaanse hoplieten een inval deden Boiotië, “de dansplaats van Ares”, de landstreek waarin Thebe lag. Bij het dorp Leuktra kwam het tot een veldslag. Daarin bleek dat het leger van Sparta, zelfs al was het uitgebreid met peltasten en cavalerie, niet voldoende met zijn tijd was meegegaan. Het woord is aan Xenofon:

Lees verder “Het einde van Sparta”

De scheve falanx

Ik beschreef gisteren hoe de Griekse legers in de vijfde eeuw waren geprofessionaliseerd en hoe er, naast de zwaarbewapende hoplieten, ook lichtbewapende peltasten waren gekomen. Dit veranderde de krijgskunst. Het werd meer dan vroeger zaak tactisch met onderdelen te schuiven.

In een traditionele veldslag hadden beide legers in twee lange rijen tegenover elkaar gestaan. Als ze elkaar waren genaderd was het vooral aangekomen op brute kracht, waarbij de linie die de andere omverduwde, de slag had gewonnen. Hierop was enige variatie mogelijk geweest, zoals het versterken van de vleugels (Marathon), en niet zelden had er ruiterij gestaan aan weerszijden van de slaglinie, maar in principe hadden alle veldslagen plaatsgevonden volgens dit stramien: twee rijen die tegen elkaar duwden. Nu waren daar dus de peltasten bij gekomen. Daarbij bleef het niet.

Lees verder “De scheve falanx”

Peltasten

Een lichtbewapende Griekse soldaat, vroege vierde eeuw v.Chr., op een Apulische krater in het Archeologisch Museum van Zagreb. Peltasten droegen overigens kleren.

Professionalisering: misschien is dat wel het beste woord om de Griekse krijgskunst van de vijfde en vierde eeuw te beschrijven. Aanvankelijk beschikte alleen Sparta over beroepssoldaten, al was dat door “Spartaan” gelijk te stellen aan “soldaat” zodat er in feite geen andere beroepen bestonden. Het eigenlijke werk werd gedaan door staatshorigen (de heloten) en andere rechtelozen of halfgerechtigden. In de loop van de vijfde eeuw kregen ook de andere Griekse steden hun beroepslegers. Zo had de stad Argos een keurkorps van duizend man.

Opvallend waren de huurlingen. Niet dat die nieuw waren. Voordat Egypte door de Perzen was onderworpen, hadden de farao’s al Kariërs en Grieken in dienst gehad. Wahibre-em-achet bijvoorbeeld. Wel nieuw was de snelle toename van het aantal huurlingen in Griekenland zélf tijdens en na de Archidamische Oorlog (431-421) en de Dekeleïsche Oorlog (415-404). Onder hen waren ontheemden, anderen waren avonturiers, terwijl er ook mannen tussen waren als Xenofon, die politieke opvattingen hadden die slecht lagen bij hun stadsgenoten. Lees verder “Peltasten”

Thoukydides’ betrouwbaarheid

Thoukydides (Mozaïek uit Gerasa, nu in het Altes Museum, Berlijn)

Ik had het gisteren over enkele conflicten tussen Sparta en Athene. Dat waren er vier:

In een periode van drieënzeventig jaar stonden de twee mogendheden in tweeënveertig jaren wel en in eenendertig jaren niet tegenover elkaar. Hetgeen ons brengt bij de vraag die u al wilde stellen: als er een Eerste Peloponnesische Oorlog was, was er dan ook een tweede?

Het antwoord is nee. Er is wel een gewone, ongenummerde Peloponnesische Oorlog. Die vormt het onderwerp van het geschiedwerk van de Atheense historicus Thoukydides: hij beschouwde het tweede en derde conflict als geheel, dat volgens hem dus duurde van 431 tot 404. De jaren ertussen waren weliswaar vrede, maar Thoukydides beschouwde een tussenliggende expeditie van Athene richting Sicilië (415-413) als onderdeel van wat hij beschouwde als één Peloponnesische Oorlog. De vraag is of Thoukydides daarmee gelijk heeft.

Lees verder “Thoukydides’ betrouwbaarheid”

Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (5)

[Deze bespreking van het beroemde stripverhaal verscheen eerder op Frontaal Naakt. Het eerste deel is hier.]

Het valt Miller niet kwalijk te nemen dat hij een strip heeft gemaakt van een antieke politieke sage, aangelengd met de nodige moderne mythografie en een vleugje modern-Griekse propaganda. Het is kunstenaars toegestaan de waarheid wat bij te buigen. En zelfs als kunst een politieke boodschap heeft, kun je het als kunst analyseren.

Maar wat is er nu echt gebeurd in Thermopylai? Waarom konden de Grieken zich herstellen van de Spartaanse nederlaag en verdreven ze uiteindelijk de Perzen uit hun land? Moderne oudhistorici worden niet langer gehinderd door gymnasiale vooroordelen en lezen ook wel eens bronnen uit het Perzische rijk. Dat levert een genuanceerder beeld op en helpt ons “tussen de regels door te lezen” in het verslag van Herodotos.

Lees verder “Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (5)”

Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (4)

[Deze bespreking van het beroemde stripverhaal verscheen eerder op Frontaal Naakt. Het eerste deel is hier.]

Frank Millers 300 is dus een navertelling van een politieke sage. Maar er is een verschil: Miller gaat veel verder dan Herodotos. Waar de laatste de tragiek benadrukt van twee gelijkwaardige volken die met elkaar in conflict raken, is de gelijkwaardigheid bij Miller ver te zoeken. Aan de ene kant toont hij heldhaftige Spartanen, echte kerels en “the world’s one hope for reason and justice”; aan de andere kant presenteert hij Aziaten, slaafse en verwijfde types levend “in a sea of mysticism and tyranny”. Het is licht versus donker, mannelijkheid versus verwijfdheid, vrijheid versus slavernij, Europa versus Azië. Het is zelfs blank versus zwart: hoewel Grieken en Perzen verwante Indo-Europese volken zijn, geeft Millers inkleurster Lynn Varley de laatsten een negroïde huidskleur mee.

Zó heeft Herodotos het nooit gepresenteerd. Zijn Grieken vechten beter dan de Perzen, maar laatstgenoemden zijn niet verwijfd. Millers Xerxes is daarentegen een androgyne verschijning, voorzien van talloze juwelen en beroofd van de fraaie baard die hij, blijkens afbeeldingen, heeft gehad. Nergens claimt Herodotos dat de Grieken een superieur gevoel voor “reason and justice” hebben en voor elke tirannieke daad van een Perzische bestuurder weet hij er ook wel een te noemen van een despotische Griek.

Lees verder “Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (4)”

Sage, mythe, strip: Frank Millers 300 (3)

[Deze bespreking van het beroemde stripverhaal verscheen eerder op Frontaal Naakt. Het eerste deel is hier.]

Deze geromantiseerde geschiedschrijving is zo goed als Millers bron Herodotos, of beter: zo goed als wat Miller denkt dat Herodotos schrijft. En daarmee sluipen toch twee sages het verhaal binnen. In de eerste plaats is Herodotos zelf al een halve sagenschrijver, en in de tweede plaats is diens relaas opgenomen in een West-Europese stichtingsmythe die in de negentiende eeuw is ontstaan. Miller heeft dit niet herkend en presenteert daardoor zijns ondanks het strip-equivalent van een actiefilm. Daarmee is weinig anders verkeerd dan dat de stichtingsmythe enkele buitengewoon onprettige trekjes heeft.

Daarover straks, nu eerst Herodotos. Laat vooropstaan dat “de vader van de geschiedschrijving” een van de toegankelijkste auteurs is uit de Oudheid. De eerste lezer moet nog geboren worden die geen plezier beleeft aan de Historiën. (De titel is overigens wat misleidend omdat dat woord nadien “geschiedenis” is gaan betekenen, terwijl het in de tijd van Herodotos nog “onderzoeksverslag” betekende.)

De schrijver pakt uit met de geschiedenis van de volken rond het oostelijk Middellandse-Zeebekken in de periode tussen 600 en 480 en gaat daarbij aardrijkskunde, religie en antropologie niet uit de weg. Hij heeft behartenswaardige dingen te zeggen over de relaties tussen culturen, die hij beschouwt als gelijkwaardig zonder mensen het recht op zelfverdediging te ontzeggen. In feite is Herodotos de uitvinder van de antropologie, aardrijkskunde en geschiedschrijving, maar omdat die disciplines nog niet bestonden, schrijft hij zonder jargon, in spreektaal. (De Nederlandse vertaler, Hein van Dolen, werd bekritiseerd omdat hij dit laatste aspect handhaafde en Herodotos niet presenteerde als geleerde maar als verteller.)

Herodotos’ grootste verdienste is dat hij zijn verhaal baseert op wat wij journalistiek onderzoek zouden noemen. Hoor en wederhoor gevolgd door een persoonlijk oordeel, waarbij hij niemand naar de mond praat: dat is Herodotos’ methode. Zijn waarheidsliefde staat buiten kijf, maar dat neemt niet weg dat ook hij vooroordelen heeft, die latere auteurs hebben beïnvloed en verbazingwekkend hardnekkig zijn gebleken. We treffen ze ook aan in 300, want Miller volgt de meester op minstens drie manieren: in de feiten zelf, in de verklaring ervan, en in de vormgeving.

Om met de feiten te beginnen. Herodotos oppert dat Leonidas zijn Spartanen met opzet opdracht gaf achter te blijven in Thermopylai om zo grote eer te verwerven. Als dat waar is, was de nederlaag vooral belangrijk omdat ze de Grieken bevrijdde van een incapabele generaal, die zijn eigen eer belangrijker vond dan de kans met zijn driehonderd man ergens anders opnieuw te strijden. Zó stom zal de Spartaanse koning echter niet zijn geweest en we doen er beter aan Herodotos’ opmerking over Leonidas’ motief te negeren. Immers, geen der Spartanen overleefde het en niemand kan Herodotos hebben verteld wat Leonidas in zijn laatste uren heeft gedacht. De feitelijke oorzaak van de dood van de driehonderd is vermoedelijk veel prozaïscher: de omtrekkende beweging van de Onsterfelijken verliep sneller dan de Griekse terugtocht. De meeste Griekse onderdelen wisten nog te ontkomen, maar voor de Spartanen was het te laat.

Op het vlak van de vormgeving plaatst Herodotos Miller voor een probleem. De Griekse onderzoeker gebruikt stijlmiddelen waar de Amerikaanse tekenaar niets mee kan. Zo benadrukt Herodotos het heldhaftige karakter van de krijgers bij Thermopylai met homerische allusies. Bepaalde woorden en scènes uit Herodotos’ verslag zouden door een Griekse luisteraar of lezer meteen zijn herkend als een ontlening aan de Ilias, het heldendicht waarmee de Griekse literatuurgeschiedenis begint. Miller bereikt hetzelfde effect door zijn Spartanen af te beelden in heroïsche naaktheid en door Efialtes te portretteren als gebochelde gnoom. Het zijn beelden uit de hedendaagse mythologie der actiefilm –denk aan de actieheld die onkwetsbaar wordt door zijn overhemd uit te trekken– zoals Herodotos’ citaten teruggrepen op de sagen van zijn tijd.

Het meest wezenlijke punt is de verklaring van de feiten. Waarom hadden de Grieken uiteindelijk succes? Herodotos zoekt het in de tegenstelling tussen de Perzische en Griekse samenleving. Hij trekt geen seconde in twijfel dat de Perzen dapper vochten, maar ze leven in een monarchie en daarom zijn ze even sterk als hun koning. Is deze een capabel heerser als Cyrus (559-530) of Darius (522-486), dan zijn de Perzen onverslaanbaar en bouwen ze een imperium op dat zich uitstrekt van de Indus tot de Egeïsche Zee en van de Kara Kum-woestijn tot de Sahara.

Helaas is Xerxes, volgens Herodotos, minder vastberaden dan zijn voorgangers. Hij wordt weliswaar ergens “Zeus op aarde” genoemd, maar aarzelt of hij wel ten strijde moet trekken, vecht niet mee en staat niet boven haremintriges. Doordat de Perzen niet worden geregeerd door een echte kerel zijn ze geen partij voor de Grieken. Herodotos zegt het niet met zoveel woorden maar legt die conclusie in de mond van Xerxes, die op een gegeven moment van een dappere vrouw zegt dat ze vecht als vent terwijl zijn mannen strijden als wijven.

Herodotos’ Grieken zijn eigen meester. Ze worden weliswaar bestuurd door koningen (zoals in Sparta) of democratisch gekozen magistraten (Athene) maar ook die zijn gehouden aan de wet. Het gevolg is, volgens Herodotos, dat de Grieken in feite vrij zijn te doen en denken wat ze willen. Dat alles zouden ze verliezen als ze zich aan koning Xerxes zouden onderwerpen, en dus hebben Leonidas en zijn bondgenoten alle reden weerstand te bieden. Aan hun vrijheid ontlenen ze kracht, zodat ze in feite onverslaanbaar zijn, zelfs als ze incidenteel eens een nederlaag leiden, zoals bij Thermopylai.

Miller heeft deze analyse overgenomen. Hij heeft er geen moeite mee de Grieken als “the only free men the world has ever known” te presenteren en de Perzen als verwijfde “slaves of Xerxes”. Om het laatste te benadrukken laat Miller Xerxes vervoeren in een enorme draagstoel die door minstens honderd kromgebogen mannen wordt gedragen.

In feite valt op Herodotos’ analyse nogal wat af te dingen. Vergeleken met andere antieke wereldrijken lieten de Perzen hun onderdanen in rust leven. Cyrus stond bijvoorbeeld de naar Babylon gedeporteerde Joden toe terug te keren naar hun eigen land en daar hun God te aanbidden, een voor antieke maatstaven zeldzaam blijk van religieuze tolerantie en dus gewetensvrijheid. De Perzische koning was ook beslist geen god op aarde, zoals Herodotos en Miller het voorstellen. Hij was onderworpen aan de spreekwoordelijke “wetten van Meden en Perzen” en het is maar weinig overdreven te stellen dat het Perzische imperium de oudst-bekende rechtsstaat is.

Dat de Grieken zouden strijden om hun vrijheid te verdedigen, tja. Iedereen verdedigt zijn eigen land, en als dat toevallig vrij is, is het meegenomen. Daarnaast was er een leuke bonus: oorlog was in de Oudheid de voornaamste vorm van economische verkeer. De Spartanen hoopten op buit. Hun hebzucht ten velde was spreekwoordelijk en er is geen aanleiding te denken dat Leonidas’ mannen om andere dan de gebruikelijke redenen oprukten naar Thermopylai.

Dit alles laat onverlet dat Herodotos’ verslag van het feitelijk verloop van de oorlog tussen Grieken en Perzen min of meer accuraat is, al zullen we in de voorlaatste alinea nog een cruciale omissie tegenkomen. Het is zijn verklaring voor het uiteindelijke Griekse succes die tekortschiet. Dat is in feite een politieke sage.

[Wordt vervolgd]