MoM | Oudheidkundes

Zomaar ter illustratie een Grieks theatermasker uit het Archeologisch Museum in Thessaloniki. Niet dat het iets met het onderstaande te maken heeft maar ik heb geen beter plaatje en ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “MoM | Oudheidkundes”

Acht jaar nieuwsbrief

Ik rondde zondagavond een nummer af van de Livius Nieuwsbrief, het maandelijkse overzicht van het online beschikbare oudheidkundige nieuws dat ik nu al zo’n acht jaar schrijf. Zonder dat er ooit reclame voor is gemaakt, heeft die inmiddels ruim 4000 abonnees: het is duidelijk dat ermee wordt voldaan aan een behoefte en als ik daaraan mocht twijfelen, dan werd ik wel op andere gedachten gebracht door de aardige reacties en de balans van af- en aanmeldingen. Ik zal er dus nog wel even mee doorgaan.

In acht jaar ­leer je wel patronen zien in het nieuws. Zo is Griekenland ondervertegenwoordigd in de berichtgeving. Er wordt daar veel archeologisch onderzoek gedaan maar de resultaten halen slechts zelden de internationale media, zodat het voor ons lijkt alsof er minder gebeurt dan in Bulgarije, waar elk persbericht Engelstalig is, zodat het land is oververtegenwoordigd. Om een hiermee verwante reden biedt Groot-Brittannië elke maand veel nieuws, waarin ik over het algemeen scherp selecteer, want werkelijk elke metaaldetectorvondst is een bericht bij de om haar kwaliteit zo goed bekendstaande BBC.

Lees verder “Acht jaar nieuwsbrief”

Renan, Renan, steeds Renan (4)

Ernest Renan, de ontdekker van het oude Fenicië

[Dit is het laatste van vier stukjes over een Franse geleerde die ik werkelijk overal lijk tegen te komen. Het eerste was hier.]

Ik heb nu driemaal geblogd over de Franse geleerde Ernest Renan, die, zoals zoveel van zijn tijdgenoten, dacht vanuit een sjabloon over oostelijke, Semitisch-sprekende, nomadische, religieuze volken en westelijke, Indo-Europees-sprekende, in steden wonende, meer filosofisch ingestelde volken. De sjabloon is onhoudbaar, maar Renan was niet de enige die meende dat er een karakterverschil bestond tussen Oost en West. Nog altijd zijn er kwakhistorici die denken dat de Griekse overwinning in de Perzische Oorlogen verhinderde dat het ontluikende, verondersteld vrije westen zou zijn gesmoord door het tirannieke, verondersteld mystieke oosten.

Wat Renans ideeën in positieve zin onderscheidde van deze in feite pre-wetenschappelijke opvattingen, was dat hij de sjabloon niet voor vanzelfsprekend aannam, maar kritisch doorlichtte. Ibn Rushd behoorde, als Arabischsprekende, tot de oosterse wereld, maar was toch een filosoof die de westerse wereld had helpen vormen. Omgekeerd kon Renan van Jezus van Nazaret stellen dat deze altijd in zijn joodse (Semitische) wereld was gebleven: daar paste de sjabloon volgens hem dus wel.

Renan beperkte zich niet tot óf Griekenland en Rome óf het Nabije Oosten: over beide had hij iets te melden. Hij beperkte zich bovendien niet tot één tijdperk: de Oudheid boeide hem evenveel als de Middeleeuwen, terwijl hij ook een beroemd essay heeft geschreven over het karakter van het nationalisme en daarnaast de eigentijdse discussie niet schuwde. Wat ik pas kort geleden ontdekte, was dat hij bovendien een van de eerste archeologen was. Hij is de ontdekker van Fenicië, en hoewel ik de naam al op wel honderd manieren was tegengekomen, verbaasde dit me toch.

Let wel, we hebben het over 1860. Als wetenschap bestond de archeologie nog niet, maar er werd al wel gegraven – denk aan Pompeii en Voorburg. Het zou echter nog tien jaar duren tot Schliemann de stratigrafische methode ontwikkelde en we echt van een wetenschap kunnen spreken.

Renans kans kwam toen Napoleon III, die zich vaak opwierp als beschermer van christelijke minderheden, intervenieerde in Libanon om de maronitische christenen te beschermen tegen de druzen. Zoals zijn oom een groep geleerden had meegenomen toen hij in 1798 naar Egypte was gegaan, zo voegde ook Napoleon III archeologen toe aan zijn expeditieleger.

Helaas was Renans kennis van ruïnes niet groot. Een in Libanon wonende Française vond haar gast een verwaande kwast en verkneukelde zich toen deze eens een Romeins stuk muur aanzag voor een Fenicisch overblijfsel. (De fout is niet zonder zeer recente parallel, overigens.) Niettemin leerde Renan snel en kon hij dankzij de steun van het expeditieleger onderzoek doen in Byblos, Arwad, Sidon en Tyrus.

Hij liet systematisch dagboeken bijhouden – iets nieuws – en werkelijk alles intekenen wat er in te tekenen viel. Een deel van het materiaal uit de later gepubliceerde Mission de Phénicie (1865-1874) is nog altijd relevant, omdat Renans mensen dingen hebben kunnen tekenen die er nu niet meer zijn. De boeken tonen ook dat Renan een wetenschappelijker geest had dan de dappere avonturiers die de Description de l’Égypte hadden gepubliceerd: in dat werk wemelt het van de romantische tekeningen, terwijl de Mission de Phénicie een veel zakelijker toon aanslaat. Ondertussen bleef ook Renan een kind van zijn tijd: zoals de geleerden van Napoleon I allerlei oudheden hadden meegenomen uit Egypte, zo voelde de ontdekker van Fenicië zich vrij talloze oudheden mee te nemen naar het paleis van Napoleon III, het Louvre dus, waar de sarcofagen nog altijd zijn te zien. (Weer een plaats waar ik dacht: “Je komt die kerel ook overal tegen!”)

Wat Renan vond, was opnieuw een uitzondering op zijn sjabloon: de Feniciërs spraken weliswaar een Semitische taal, en dachten dus als Semieten, maar ze woonden in steden. Weliswaar bewees hun lange-afstand-scheepvaart dat ze nog iets nomadisch over zich hadden, maar het was evident dat ze afweken van wat men destijds verwachtte. Renan heeft de sjabloon desondanks niet verworpen. Daarvoor waren de twintigste-eeuwse sociale wetenschappen nodig, die uitlegden hoe je brede generalisaties en lange continuïteiten kunt vaststellen.

De Mission de Phénicie vormde de grondslag van de Libanese archeologie, maar meer dan dat: de hierin gepostuleerde “andersheid” van de Feniciërs, werd in de twintigste eeuw ineens belangrijk voor de Libanezen om te bewijzen dat zij geen gewone Arabieren waren.

Zoals ik al een paar keer aangaf, duikt de naam Renan steeds weer op. Het Jezusonderzoek, de Arabische invloed op de scholastieke filosofie, de nationalismediscussie, de archeologie van Fenicië: hij heeft overal iets over gezegd, en ook al vergiste hij zich vaak, hij dacht wetenschappelijker dan de meeste oudheidkundigen. Hij beperkte zijn bewijsmateriaal niet tot óf oude teksten óf archeologische vondsten; hij beperkte zijn aandacht niet tot óf het Semitische Oosten óf het Grieks-Romeinse Westen; hij beperkte zich niet tot één tijdvak.

En vooral: hij zocht niet slechts naar bewijs vóór een stelling, maar zocht ook aanwijzingen voor het tegendeel. Die denkhouding is nog altijd veel te zeldzaam.

Literatuur

H. Laurens, “Ernest Renan’s Expedition to Phoenicia”, in: Z. Bahrani e.a., Scramble for the Past. A Story of Archaeology in the Ottoman Empire, 1753-1914 (2011) 213-231

Oudheidkunde en wetenschapscommunicatie

velserbroek_coin_caligula_hvh
Caligula

Ik moet eigenlijk een tekst corrigeren, maar ik lig dus gewoon wakker van de manier waarop mijn vakgebied, de oudheidkunde, gisteren in Trouw door het slijk is gehaald – zie mijn stukje van gisteren. Het is namelijk geen incident.

Ik geef nu al ruim zes jaar een nieuwsbrief uit met daarin elke maand een overzicht van het nieuws waarmee de oudheidkundige disciplines de media halen, en zeker twee vijfde daarvan voldoet niet aan de meest basale eisen die je aan wetenschapscommunicatie mag stellen. Steeds opnieuw komen mijn academische collega’s in het nieuws met stompzinnigheden en het is helemaal niet vreemd dat het vakterrein niet serieus wordt genomen.

Lees verder “Oudheidkunde en wetenschapscommunicatie”

Oudheidkundige zelfinfantilisering

(Reguliersgracht 9, Amsterdam)

Bravo! Het record wetenschappelijke zelfinfantilisering stond weliswaar ongelooflijk scherp met het bericht dat vrouwelijke gladiatoren topless vochten, maar het blijkt nóg scherper te kunnen. Eindelijk weten we welk bot de Schepper aan de man heeft ontnomen om Eva te kunnen scheppen, en het is het penisbot. Lees het hier!

Lees verder “Oudheidkundige zelfinfantilisering”

Enthousiasme

children_archaeology_aquincum
Archeologische zandbak voor kinderen (Museum Aquincum, Boedapest)

Het organogram is me, eerlijk gezegd, nog altijd niet precies duidelijk, maar als ik het goed snap heet de reeks waarin wetenschappelijke disciplines aan u worden voorgesteld “Vrije radicalen”, heette deze aflevering “Afgestofte materie“, en werd een en ander georganiseerd door het “rondzwervende collectief” Schijnheilig. In elk geval was het in de Vondelbunker, een schuilplaats die in 1948 is gebouwd om de Amsterdamse bevolking te redden tijdens een atoomaanval.

Hoe het organogram ook geweest moge zijn, het was een geslaagd idee om een paar mensen met een passie voor de oude wereld en de klassieken elk een korte voordracht te laten doen. Ik blogde er al eerder over. Wouter Visser vertelde kort wat de Oudheid van tijdvak was en hoe onze beschaving daar was ontstaan, met wat nadruk op het ontstaan van het schrijft; Julia Krul beschreef de voortekens en reinigingsrituelen uit Assyrië en Babylonië; David Kertai vertelde over de paleizen van Nineve, met een schokkende epiloog over de teloorgang van het archeologisch erfgoed. Daarna was er gelukkig bier, waarna Steve van Beek vertelde over de klassieke traditie van Europa, en ik afrondde met een beeld van hoe de verschillende oudheidkundige disciplines er momenteel voorstaan.

Lees verder “Enthousiasme”

Institutionalisering is een drug

Wolf

In 1806 versloeg Napoleon de legers van Pruisen in de slag bij Jena. Het jaar ervoor had hij Oostenrijk en Duitsland bij Austerlitz al vernederd, en hij had langs de Rijn al een reeks vazalstaatjes gesticht. Midden-Europa was door-en-door geschokt en in Duitsland was men ervan overtuigd dat alles anders moest. In de Pruisische hoofdstad Berlijn trad, onder leiding van Heinrich Reichsfreiherr vom und zum Stein, een van de meest vernieuwingsgezinde kabinetten aan die de wereld ooit heeft gezien.

Onderwijs ressorteerde onder minister Wilhelm von Humboldt, een bekende taalkundige en een persoonlijke vriend van de beroemdste classicus van die tijd, Friedrich August Wolf (1759-1824). Zij samen zijn de architecten van de oudheidkunde, zoals die tot op de huidige dag bestaat: Wolf als architect en Von Humboldt als uitvoerder.

Lees verder “Institutionalisering is een drug”