Verkokerde vakgebieden (2)

Zomaar een inscriptie uit Lepcis Magna

[Dit is de tweede aflevering van een artikel over de versplintering van de oudheidkundige disciplines, dat oorspronkelijk is verschenen in Archeobrief  2011/1. De eerste verscheen hier.]

In de vroege jaren zeventig realiseerden de wetenschapstheoretici zich dat fouten, gemaakt door gebrek aan kennis van andermans terrein, onvermijdelijk zijn. Er zijn “known unknowns”, waarbij de onderzoeker zijn onwetendheid kent en even naar het kantoor van een collega loopt, maar er zijn ook “unknown unknowns” waarbij hij zijn onwetendheid niet herkent en verouderde informatie recyclet.

De oplossing werd destijds gezocht in interdisciplinariteit, de fusie van vakgebieden. Door geleerden uit verschillende disciplines in gezamenlijke instituten onder te brengen en aan hetzelfde onderzoek te zetten, zouden unknown unknowns sneller worden herkend. Bij een subsidieaanvraag, zo stelden de ethici voor, zouden deze interdisciplinaire instituten voorrang moeten krijgen. De vraag wat er na een generatie zou moeten gebeuren, als alle oude disciplines zouden zijn opgegaan in nieuwe vakgebieden en de verkokering langs andere lijnen zou zijn teruggekeerd, lijkt nooit te zijn gesteld in dit zogeheten Minervadebat.

De verhoopte institutionele fusies zijn echter uitgebleven. In de Nederlandse geesteswetenschappen is alleen de studie Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam een succes gebleken. Wat wel in toenemende mate plaatsvond, was multidisciplinair onderzoek: samenwerking tussen geleerden van verschillend pluimage op projectbasis. Dit wordt in hedendaagse wetenschapsbargoens eveneens interdisciplinair genoemd, maar heeft weinig te maken met het oorspronkelijke ideaal.

Dat de fusies nooit hebben plaatsgevonden, is geen catastrofe, maar de kans op unknown unknowns was nog steeds reëel toen in de jaren tachtig de tweefasenstructuur werd ingevoerd, waarbij de studieduur werd ingekort. Classici, die vroeger nog wel eens colleges geschiedtheorie hadden gevolgd, hadden daarvoor geen gelegenheid meer; het kwam minder vaak voor dat historici een blok prehistorie meepakten; archeologen leerden minder Latijn. Helaas blijven classici wel oordelen over geschiedenisboeken (met vaak desastreuze gevolgen), negeren oudhistorici een Zagwijn (met het al genoemde resultaat) en gaan archeologen door met het citeren van bronnen (vaak opvallend naïef).

Mogelijk heeft zich zelfs een zekere onverschilligheid van de ontmoedigde onderzoekers meester gemaakt, want de drie voorbeelden uit de vorige alinea zijn bepaald geen unknown unknowns. De betrokken hadden zelf ook kunnen bedenken dat ze over andermans vakterrein wandelden, maar lijken er niet meer in te geloven dat de deficiëntie nog valt te herstellen.

[wordt vervolgd]