Roadblock

Roadblock (niet in de Bekaavallei)
Roadblock (niet in de Bekaavallei)

Na ons bezoek aan Kamed el-Lawz reden we naar het zuiden. De Bekaavallei begint, naarmate je zuidelijker komt, te lijken op een ravijn. Je rijdt door dorpen met opvallend kostbare, nieuwe huizen, waarvan je je afvraagt hoe ze in vredesnaam betaald kunnen zijn, want de streek zelf heeft weinig te bieden waarmee je welvarend wordt.

We kwamen niet voor de huizen maar wilden iets verder naar het zuiden, waar het Kruisvaarderskasteel Beaufort staat. Het heeft dienst gedaan tot 2000, toen de Israëlische troepen het ontruimden. Misschien is het omdat het nog steeds militair terrein is, dat je het niet zomaar kunt bezoeken en bij het leger een vergunning moet vragen. We hadden gehoord dat we die konden bemachtigen in een stadje in de buurt en reden steeds verder naar het zuiden.

Dit is sjiitisch gebied. Omdat momenteel de plechtigheden voor Ashura (de herdenking van het martelaarschap van imam Huseyn) plaatsvinden, hangen overal zwarte vlaggen en portretten van de geestelijke leiders. Verder zie je overal de logo’s van de twee grote politieke partijen, Amal en Hezbollah, en afbeeldingen van de in de oorlog tegen Israël en de gevechten in Syrië gesneuvelde soldaten: hun dood wordt gepresenteerd als modern Ashura.

Het lijkt allemaal wat deprimerend maar het gaat er allemaal heel ontspannen aan toe. Desondanks zijn de roadblocks wat meer bemand dan anders, zoals ook de moskeeën worden beveiligd uit angst voor een ISIS-aanslag. Toen we eerder deze week over een wat verlaten weg over het Libanongebergte richting Baalbek reden, werd voor het eerst naar onze paspoorten gevraagd. De bewakers van de moskeeën en de veiligheidsagenten blijven overigens de beleefdheid zelve. Ze kunnen echter niet voorzichtig genoeg zijn met wat Libanezen even eufemistisch als neutraal aanduiden als “de situatie”.

Vandaag reden we dus hartje Sjia-territorium toen we bij een controlepost kwamen. Een korporaal vroeg in gebroken Engels waar we heen gingen, keek bedenkelijk toen we “Beaufort” zeiden, vroeg of we toeristen waren en nam onze paspoorten aan. Hij gebaarde dat we onze auto even verderop moesten plaatsen en nam de mannen even mee naar zijn wachthokje. De vrouwen mochten in de auto blijven: af en toe is de Libanese wereld die van vér voor de jaren zestig.

Op een landkaart wezen we aan hoe we hadden willen rijden en dat ons einddoel Tyrus was. Er volgde een telefoongesprek, we kregen een sigaret aangeboden en excuses voor het wachten. Na verloop van tijd kwam een soldaat de korporaal een mobiele telefoon brengen, waarna er nog meer werd getelefoneerd tot een nieuwe soldaat kwam aanlopen, die in vloeiend Frans uitlegde dat ze probeerden onze vergunning te regelen maar dat het erop leek dat we onze reis niet zouden kunnen voortzetten.

Nog een telefoontje later hoorden we bij wijze van verklaring dat de veiligheidsmaatregelen “wegens de situatie” waren aangescherpt en dat we tijdelijk dit soort vergunningen in Beiroet moesten afhalen. De korporaal kon het document voor ons laten klaarleggen, voegde de soldaat toe, maar wij moesten dit afslaan omdat het teveel tijd zou kosten en we verplichtingen hadden.

We kregen de paspoorten terug, hoorden nog eens excuses, kregen wensen voor een goede reis en namen afscheid. Een van de soldaten, die alles vanaf de geschutskoepel van een pantserwagen had aanschouwd, zwaaide ons na. Bij het wegrijden vroeg ik me af hoe het met de DDR zou zijn gegaan als de Vopo’s even welgemanierd waren geweest.