De Rode Ridder

[Tijd voor een bijdrage van een gastschrijver: Dirk Zwysen, een van degenen die wel eens op deze blog reageert, schreef een wat langer stukje over de manier waarop het Roelandslied doorklonk in stripverhalen.]

Als geschiedenisliefhebber, germanist van opleiding en onderwijzer van beroep (vijfde leerjaar, groep zeven ) volg ik vanuit het zonnige zuiden (Antwerpen) dit blog met veel plezier. Recent werd hier de vraag gesteld of de stereotypering uit het Roelandslied invloed had op de beeldvorming over moslims in middeleeuws Europa, waar zeer weinigen persoonlijk moslims kenden.

Ik besefte toen dat die hypothese ook op mij toegepast kon worden: als kind kende ik persoonlijk geen enkele moslim, maar ik had wel de strips van De Rode Ridder verslonden, waaronder album 54 – De kluizenaar van Ronceval (sic). Voor wie niet zo vertrouwd is met de Vlaamse stripwereld: De Rode Ridder is een reeks begonnen door Willy Vandersteen (de geestelijke vader van Suske en Wiske) over Johan, de Rode Ridder, een blonde held die het opneemt voor weduwen, wezen en rondborstige dames die niet noodzakelijk weduwe of wees zijn. De verhalen spelen zich af in gefingeerde en magische middeleeuwen, waarbij Johan zowel koning Arthur bijstaat als de Vikingen bestrijdt, deelneemt aan de kruistochten en in 1302 de Guldensporenslag beslist. Het hoofdpersonage is zeer losjes gebaseerd op de protagonist van de gelijknamige jeugdboeken van Leopold Vermeiren.

Op geheel wetenschappelijke wijze besloot ik me te verdiepen in de strips die ik nog bezat waarin sprake was van moslims, om te ontdekken met welk beeld van de islam ik in mijn jeugd werd opgezadeld. Maar wanneer is een personage een moslim? Een goed wetenschapper, leert Jona mij, legt zijn methode uit. Bij deze: ik beschouw als moslims die personages die omschreven worden als Islamieten, Saracenen of Moren en die hun tegenstanders bestempelen als ongelovigen of christenhonden. Geloof moet een factor zijn.

Vallen dus af: de kromzwaard hanterende, tulband- en pinhelmdragende steppenruiters die luisteren naar namen als Yoessef en Kebir, met begerige ogen naar het westen loeren en het niet begrepen hebben op honden (album 97 – De vesting, 1981). Tellen ook niet mee: de occulte sekten die Johan aan de zijde van de tempeliers bestrijdt in het Heilig Land en die zich fanatiek storten op blanke honden (album 136 – Sol invictus, 1991). Na deze schifting blijven nog over:

album 4 – De parel van Bagdad (1960).

Dit speelt zich volledig af in het oosten. Nadat de Rode Ridder niet overdreven vriendelijk verwelkomd wordt door slavenhandelaars (“Wij haten de christenen en je zult dit land slechts als slaaf verlaten”), ontmoet hij ook “goeien” (oude wijze man) of ambigue personages (de kalief die twijfelt of hij de slavernij moet afschaffen en door omstandigheden de verkeerde beslissing neemt). De slechteriken zijn zwarte magiërs die niet als moslims getypeerd worden. Bagdad wordt als prachtige stad neergezet, waarvan men de ondergang betreurt.

album 33 – Het beleg van Crowstone (1967).

Islamitische piraten vallen een Engelse burcht aan uit wraak voor de onmenselijke behandeling van hun gevangen kameraden door de burchtheer. Als de ridders bereid zijn om te blijven, laten de piraten de boerenbevolking vrij. Na een lang beleg valt de burcht. Alle verdedigers sneuvelen, op de Rode Ridder na. Omdat hij in het begin van het album de piratenleider het leven redde, wordt hij gespaard. Opvallend is dat de moslims eervolle vijanden zijn met een gegronde wrok tegen de burchtheer. Afspraken komen ze ridderlijk na. Ze klagen over het feit dat ze door de westerlingen als “barbaren” worden bestempeld. De personages in de burcht zijn niet eenduidig goed: de burchtheer was onnodig wreed, zijn vrouw is haatdragend, de ridders moeten hun eer opnieuw ontdekken. De burcht valt bovendien door verraad van binnenuit.

album 54 – De kluizenaar van Ronceval (1972).

Johan trekt naar Spanje om te strijden tegen Moorse invallers. Hij krijgt weinig hulp van de drie twistzieke, lichtzinnige ridders die het onderkomen kasteel bewonen dat de pas beheerst. Hun grootvader, die als kluizenaar in de bergen leeft, graaft de hoorn van Roeland op uit diens graf en jaagt zo de invallers de daver op het lijf. Net op tijd komen de drie broers tot inkeer en daagt er hulp op van andere christelijke ridders. De moslims zijn hier vooral als dreiging op de achtergrond aanwezig: meer aandacht gaat naar het gedrag van, en de relatie tussen, Johan, de drie broers, hun zus, hun grootvader en de andere christelijke burchtheren.

Mijn onderbouwde conclusies na onderzoek van een fractie van het bronnenmateriaal: moslims duiken bij de Rode Ridder op als een bedreiging voor Europa, maar worden niet slechter voorgesteld dan Vikingen, andere rovers, piraten of invallende horden uit de reeks. Ze kunnen eervolle vijanden zijn met begrijpelijke beweegredenen. Daarnaast zijn ze ook aanwezig (in het oosten, waar het conflict met Europa niet speelt) als wijze mannen in prachtige steden.

Gezien de verschijningsdatum van deze drie albums en het feit dat de migratie uit Marokko en Turkije naar België pas goed op gang kwam in de tweede helft van de jaren zestig, is het denkbaar dat Vandersteen zelf ook geen contact met moslims had. Dat doet de vraag rijzen vanwaar het beeld van moslims van Vandersteen kwam…

6 gedachtes over “De Rode Ridder

  1. Dirk

    Dat klopt. Biddeloo was de scenarist en tekenaar van “De kluizenaar van Ronceval”.
    Verder onderzoek leidt ons ook naar album 51 – Excalibur (1971), waarin Moren de handlangers zijn van Qrandar, een zwarte magiër. Hier is de tegenstelling goed-kwaad echt scherp gesteld, met de Moren duidelijk aan de verkeerde kant, zij het slechts als handlangers.
    Album 83 – Het spook (1978) voert antagonisten op die
    a) zeer duidelijk moslims zijn. Ze worden Moren genoemd en laten zich uitroepen ontvallen als “Bij de baard van de profeet”, “Allah, sta ons bij!” en het enigszins bizarre “Mohammed inch Allah.”
    b) ongenuanceerd slecht zijn. Het zijn plunderaars zonder eergevoel, een “ordeloze bende” die graag martelt en onnodige verwoestingen aanricht (boerderijen worden in brand gestoken uit frustratie over een magere buit). Door de andere personages worden ze omschreven als “schoften”, “duivels”, en “gespuis”. Ze worden allemaal “over de kling gejaagd”, “uitgeroeid”, of “door de watervloed verzwolgen”. Hun leider wordt met waanzin bestraft en de diepte van de zee in getrokken.

    Nounou, dat heeft wel enige invloed op mijn conclusies hierboven, me dunkt. Misschien is het interessant om de strips van Vandersteen en Biddeloo wat dat betreft te vergelijken. Vandersteens piraat Haram De Zeearend (vreemde moslimnaam, wel) uit “Het beleg van Crowstone” zou zich vast distantiëren van Biddeloo’s Harum Ramad uit “Het spook” en de noodzaak voelen om te benadrukken dat niet alle piraten terroristen zijn.
    De vreemde kreet “Mohammed inch Allah” doet alleszins vermoeden dat ook Biddeloo in de jaren ’70 niet echt veel afwist van moslims en zomaar wat op een hoopje gooit.

  2. Vlak ook Karel Verschuere niet uit: hij was de evenknie van Vandersteen en bracht het idee van de Rode Ridder in. (Zie
    http://www.roderidder.net/nl/bibliotheek/biografie/tekenaars/karel-verschuere)
    Na hem kwam Frank Sels. ‘Waar Verschuere een eerste periode van 15 albums beïnvloedde, verzorgt Frank Sels nu een volgende periode van 15 albums.’ (Zie
    http://www.roderidder.net/nl/bibliotheek/biografie/tekenaars/frank-sels)
    Dat was dus tot 1968. Toen nam Biddeloo het over.

  3. Knotwilg

    Ik heb destijds de boeken gelezen van Leopold Vermeiren, die zich voornamelijk afspelen in eerst Vlaanderen en daarna op kruistocht. Daarin waren de Saracenen ontegensprekelijk vijanden, geduchte tegenstanders die voortdurend op de loer lagen. In het eigen kamp was er vaak tweespalt en gingen er al eens invasies mis omdat deze of gene graaf zelf de baas wou spelen. Er was dus weinig plaats voor “verscheidenheid in de moslimgemeenschap” maar ik denk dat dit in oorlogstijd een correcte weergave is van het perspectief vanuit één kamp. Dat stoort me ook altijd aan die gratuite oordelen aan het vredige thuisfront over soldaten in Irak of Vietnam. Hoe verfoeilijk ook de politieke motieven, hoe vreselijk ook de oorlog, als soldaat in de vuurlijn of onder guerrilla heb je weinig tijd om na te gaan tot welke kant van het spectrum die “ander” behoort.

    “Het beleg van Crowestone” was een prachtig verhaal met inderdaad een edelmoedige maar meedogenloze morenhoofdman als antagonist. Zijn gelaat staat in mijn geheugen gegrift. Dat Vandersteen het in illo tempore aandurfde om, in wat al bij al een jeugdstrip was, van de aperte vijand een nobeler personage te maken dan van de ridders in de burcht, toont op welk niveau hij opereerde.

    Er worden veel pogingen ondernomen om het “racisme” te verklaren bij de Vlaming: waar komt zijn beeldvorming toch vandaan? We kunnen dat gaan zoeken in de strips en de boeken van ons kort verleden, maar ik denk dat die erfenis in welke zin dan ook volledig is uitgevaagd door wat we nu lezen en zien in de moderne media. Dat die berichtgeving gekleurd is door een hardnekkige beeldvorming van vroeger, is mogelijk, maar persoonlijk ben ik aan de islamofobe kant en komen de moren en de saracenen uit vervlogen lectuur mij nochtans voor als toffe jongens (in vredestijd).

Reacties zijn gesloten.